Geef ons heden ons dagelijks brood (2)

1984-08-17
  • Jaargang 28
  • nummer 30
"Gij verkwikt mijn ziel"
Wat spreekt de Bijbel dan steeds over de mens ,en de wereld als een eenheid! Dat kun je aan de grondtekst van de Bijbel beter zien, dan aan de vertalingen, omdat daarin het woord "ziel" zo dikwijls is weggewerkt, of vervangen door heel andere woorden. _ Het zou voor ons verstaan van de Bijbel van groot nut zijn, als het hebreeuwse woord nefesj in het Oude Testament en het griekse woord psyche in het Nieuwe Testament steeds vertaald werden door "ziel".

Dan zouden wij b.v. steeds in de Bijbel lezen over "hongerige zielen" en "zielen, die hongeren", Ps. 107 : 9, Spr. 27 : 7, Jes. 32 : 6. En horen, dat de Here Jezus in Matth. 6: 25 gezegd heeft: "Weest niet bezorgd voor uw ziel, wat gij eten of drinken zult".
Zó spreekt de Bijbel over uw ziel.
Onder invloed van de dualistische mensleer van de Griekse filosofie en van de "tegenstellingen-
leer" van Marcion en de Gnostiek, is het christelijk gebruik geworden, om zo'n woord als "ziel" te reserveren voor "hogere", innerlijke funkties van de mens. Maar de Bijbel leert ons de mens kennen als een eenheid.

Niet als een wezen, dat (in een minderwaardig stoffelijk omhulsel) een' ziel "heeft", maar dat een levende ziel "is", Genesis 2: 7.
En daarom zegt de mens, die zichzelf in het licht van Gods Woord kent, niet alleen "Looft den HERE, mijn ziel, en al wat binnen in mij is Zijn heilige naam", Psalm 103: 1, maar ook: "HERE, voed mijn ziel", "HERE, mijn ziel hongert".
Denken we daar maar eens aan bij het lezen van Psalm 23. Daar zegt David: "De HERE is mijn Herder. Hij doet mij nederliggen in grazige weiden. Hij verkwikt mijn ziel."
Wij denken dan zo licht: David heeft het daar over zijn "ziel", dus zal hij dan met dat "verkwikken"
en met die "grazige weiden" wel iets "geestelijks"
bedoelen.
Maar David dankt in Psalm 23 Jahwè voor datzelfde gewone, dagelijkse voedsel, waar Zijn grote Zoon, onze Here Jezus Christus, ons om leerde bidden.
Daarom staat er een paar regels verder: "Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen".
Wij dienen daarbij te denken aan de vele situaties, waarin David als vluchteling heeft moeten rondzwerven. En dan soms aan het nodigste levensonderhoud gebrek had. Uit de tijd van zijn vluchten voor Saul kennen we b.v. zo'n situatie uit 1 Samuël 25.
Wat is David toen dringend verlegen geweest om de ,,200 broden, 2 kruiken wijn, 5 toebereide schapen, 5 maten geroosterd koren, 100 rozijnenkoeken en 200 klompen vijgen", vs. 18, die Nabal hem weigerde, maar Abigaïl hem liet bezorgen. In zó'n situatie kan Psalm 23 ontstaan zijn.
Maar ook in later tijd. Toen David heeft moeten vluchten voor zijn zoon Absalom. Daar stond toen de rijke koning van Israël in het Overjordaanse, finaal berooid.
Zonder eten en drinken en zonder rustgelegenheid, voor hemzelf en zijn legertje.
Maar de HERE wist wat maaksel David was, gedachtig dat hij stof was. De HERE "kende de hongerige ziel", de lege maag, van David en zijn knechten!
En dan lezen we in 2 Sam. 17 : 27-29 wat een verkwikking de HERE toen David bereid heeft door de handen van Sobi, Machir en Brazillai: "bedden, schalen, aardewerk, tarwe, gerst, meel, geroosterd koren, bonen, linzen, ook geroosterd, honig, boter, kleinvee en kaas van rundermerk voor David en voor het krijgsvolk dat bij hem was, om te eten.
Want, zeiden zij: Het volk (letterlijk: de ziel van het volk) zal wel hongerig, vermoeid en dorstig zijn geworden in de woestijn."
Dat zijn treffende illustraties bij Psalm 23. Bij "Jahwè, Gij verkwikt mijn ziel."
Wie vertrouwd is met zulk Schriftuurlijk spreken over de mens, zal niet licht vallen in de strik van de Gnostiek met haar "tegenstellingen", met haar "vergeestelijkte ziel" en haar "ontgeestelijkt" ontluisterd, verachtelijk gemaakt, lichaam".

Geeft gij hun te eten"
Onze Here Jezus Christus heeft dan ook Zijn discipelen bepaald geen voorbeeld gegeven in dat scheiden van "natuur en genade"
en dat minderwaardig achten van lichaam, kleren en brood.
Geheel in de lijn van het Oude Testament is ook de Here Jezus gedachtig geweest, dat wij stof zijn, en dat onze zielen gevoed moeten worden. Dat God in de hemel is, maar wij op de aarde zijn.
Hij begon het opdragen van onze nooddruft aan God met een bede om brood, gewóón brood, zoals wij gezien hebben, en rekende daar in heel Zijn onderwijs en zelfs in Zijn wonderen, zo nuchter-praktisch mee.
Zijn allereerste wonder in Galiléa is geweest, dat Hij water veranderde in wijn. Echte wijn.
Geen "eucharistische wijn" of zo, maar "wijn, die het hart verheugt", Psalm 104 : 15. Die de ziel vrolijk moest maken. Want het was feest in Kana. Bruiloftsfeest, Johannes 2 : 1-11. En dat is het begin van een kostelijk erfdeel, dat God Zijn kinderen in dit leven graag gunt, Prediker 9: 7-9.
Eén van de allergrootste en meest geruchtmakende wonderen van de Here is geweest: dat van de broodvermenigvuldiging, Matth. 14 : 13-21 (voor de tweede keer: 15 : 29-39). Dat wonder wordt in àlle evangeliën vermeld. Dat was wéér: echt brood, gewoon brood, dagelijks brood, dat uit Zijn handen kwam! Het begon met een paar gerstebroden en vissen, die een jongen in een mandje bij zich had, Johannes 6 : 9. Dat gewone, dagelijkse voedsel heeft de Here toen niet omgetoverd in iets heel anders.
Hij heeft die broden en vissen "vermenigvuldigd" !
Er staat in dat verband eerst, dat de Here met ontferming over de schare bewogen was, omdat Hij zag dat zij waren als schapen die geen herder hebben, Matth. 14 : 14, Markus 6: 34, en dat Hij hen daarom veel dingen leerde, en ook hun zieken genas.
Maar als het laat geworden is, zijn de Here en Zijn discipelen met ontferming bewogen, omdat die mensen zolang geen eten hebben gehad. En dan voedt Hij die "hongerige zielen".
Zo lezen we ook, dat de Here eens een meisje uit de dood heeft opgewekt. Toen was Hij het weer, die er het eerst aan dacht, dat zo'n kind een maag heeft!
Hij zei toen tegen haar moeder, dat ze haar kind eten moest geven, Lukas 8 : 55.
Zó goed wist de Here, dat een mens moet eten om te leven. En daarin sprak niet alleen Zijn eigen, menselijke ervaring, maar daarin was Hij geheel de Zoon van Zijn hemelse Vader. "Uw hemelse Vader weet, dat gij deze dingen behoeft", zei de Here met het oog op eten en drinken en kleren, Mattheüs 6 : 32.
God rekent dus tenvolle met deze menselijke behoeften, en Hij voorziet daarin Vaderlijktrouw . Zijn wij daarin nu ook "kinderen van onze hemelse Vader"?
Zijn wij ook gedachtig, dat onze naaste óók uit de aarde aards is, stof is, een maag heeft?
Bij de bede om ons dagelijks brood leerde Christus ons niet alleen aan onszelf denken, maar ook aan de naaste. Hij leerde ons niet in het enkelvoud bidden, maar in het meervoud: "Geef ons heden ons dagelijks brood".
En de apostel Jacobus heeft in zijn brief de hardheid bestraft van "over-geestelijke mensen", van vroom-godsdienstige práát zonder christelijke dáád. "Stel, dat een broeder of zuster gebrek heeft aan kleding en aan dagelijks voedsel, en iemand uwer zegt tot hem: Gaat heen in vrede, houdt u warm en eet goed, zonder hem echter van het nodige voor het lichaam te voorzien, wat baat dit?" 2 : 16.
Zo onbarmhartig is de HERE niet.
Zo onbarmhartig mogen daarom ook Zijn kinderen niet zijn.
Door spijze te geven aan wie Hem vrezen, gedenkt God Zijn Verbond, Ps. 111 : 5. Zijn verbond van: "Als ge in Mijn wegen wandelt, zal Ik u zegenen in de stad en op het veld, in uw fruitmand en uw baktrog, in de vruchtbaarheid van uw schoot en van uw bodem en van uw vee", Deuteronomium 28.
En daarin stelt God nu ook Zichzelf aan ons ten voorbeeld.
Zo Vader, zo kinderen.
Zo mogen wij Gods liefde en trouw over Zijn kinderen nu óók uitdragen.
In de eerste plaats aan broeders en zusters in de Here, die gebrek lijden. In onze onmiddellijke omgeving, of onder volkeren, die niet zo'n welvaartspeil als wij hebben bereikt. Zo heeft de eerste gemeente van Jeruzalem in haar behoeftige omstandigheden de hulp mogen genieten van de heiden-kerken, die er in maatschappelijk en financieel opzicht beter aan toe waren.
Dat ziet de Here graag. Wij kunnen ervan op aan, dat God de barmhartigheid, die wij daarmee bewijzen, ruimschoots aan ons vergoeden zal, 2 Corinthe 9 : 6, 10, 11. En dat de hartelijke eenheid in den Here en Zijn Geest daar in hoge mate door bevorderd wordt, 9 : 12-14.
Maar behalve aan "de huisgenoten van het geloof" leert God ons ook wel te doen "aan alle mensen", Galaten 6 : 10.
Als één van de zegeningen, die de HERE beloofde, als Israël Zijn verbond bewaarde, lezen we in Deuteronomium 28: 12 ook, dat Israël dan van zijn welvaart aan vele volkeren leningen zal mogen verstrekken. Die "volkeren"
waren toen (uiteraard) allemaal heidenvolkeren. Wat een voorrecht, als Israël ze vast op zo'n manier wèl mocht doen. Zo mocht dan vast Gods belofte aan Abraham enigszins in vervulling gaan, dat in hem àlle volkeren der aarde gezegend zouden worden.
En zo mogen ook welvarende christenvolkeren het zichzelf tot een voorrecht rekenen, als ze door renteloze leningen, en ontwikkelingsfondsen en -diensten enigszins van hun welvaart mogen meehelpen aan de ekonomische opbouw van onderontwikkelde volkeren. Want ook de welvaart van de christenvolkeren staat niet los van hun kennis aan Jezus Christus! Behalve veel andere zegeningen, die we van Jezus Christus ontvangen hebben, heeft het evangelie van Christus onze voorgeslachten ook gered van luiheid, onbetrouwbaarheid en ongeregeldheid. Zoals Titus aan de leugenachtige en luie, vadsige bewoners van Creta, 1 : 12 Jezus Christus verkondigen moest als "onze grote God en Verlosser", zodat zij zich zouden reinigen van hun ingewortelde volkszonden tot "een eigen volk Gods, volijverig in goede werken", 2 : 13, 14 zo is het evangelie ook ons, christenvolkeren, tot o.a. ekonomische zegen geweest.
En daar mogen wij dan volkeren, die de Here Jezus niet of nog niet zó kennen, van mee laten delen. Zodat Hij "een Heiland is voor alle mensen, inzonderheid voor de gelovigen", 1 Timotheüs 4: 10.
God bond Israël trouwens ook op het hart, om goed te zorgen voor mensen, die als vreemdelingen onder Israël kwamen verkeren, zoals buitenlandse arbeiders dat wel doen onder welvarende volkeren. Wij lezen daarover in Deuteronomium 10 : 18, 19: "De HERE, uw God is de God, die ... den vreemdeling liefde bewijst door hem brood en kleding te geven.
Daarom zult gij den vreemdeling liefde bewijzen; want gij zijt zelf vreemdelingen geweest in het land Egypte".
Op het gebied van wel doen aan àlle mensen, zelfs aan vijanden, heeft Christus ons het voorbeeld voorgehouden van Zijn hemelse Vader, die Zijn zon en Zijn regen geeft aan bozen en goeden, boze mensen vóórop, Mattheüs 5 : 45.
Wij moeten, als het over de noden van heidenvolkeren gaat, daarom nooit de tegenstelling maken van: wèl de "geestelijke spijze" (van het evangelie) willen brengen, maar geen gewoon brood.
Stel, dat zulke mensen eens van honger omgekomen zijn, vóór wij hen met het evangelie kunnen bereiken. Kunnen ze dan nog luisteren? Kan "een dode ziel" (zo noemt de Bijbel een lijk, Leviticus 21 : 1 e.a. plaatsen) het evangelie aannemen?
Wèl zending willen bedrijven, maar tegen hulp aan voedsel, kleding, en betere landbouwmethoden enz. zijn, dat is "overgeestelijk"
gepraat. Dat is zo'n "tegenstelling" in de trant van Marcion en de Gnostiek. Dat behoort tot "de onheilige oudevrouwenpraat" van 1 Timotheüs 4: 7.
En dat is niet uit de Geest van God, Die Israël vroeg, aan vele volkeren uit te lenen, en vreemdelingen brood te geven. Gewoon brood. En de Geest van de Here Jezus, die ons om dat gewone brood leerde bidden in het meervoud: "Geef ons... ons brood", en daarbij op àlle mensen, zelfs onze vijanden, de aandacht vestigde.

Van "over-geestelijk" naar "on-geestelijk"
Ja, die "over-geestelijke" instelling, dat scheiden tussen "natuur" en "genade", tussen "wereldse" en "geestelijke" dingen, hééft wat op zijn geweten!
Die heeft b.v. ook het materialisme van onze tijd in het leven geroepen.
Die zielige, bekrompen kijk op het leven, alsof alles hier draait om geld en goed, en alsof een mens dáárvan afhankelijk zou zijn voor zijn levensgeluk.
Bovendien ook nog de kortzichtigheid van het technokratisch denken, alsof die materiële wereld op zichzelf zou bestaan.
Alsof daar geen God aan te pas komt en aan te pas hoeft te komen, omdat alles verloopt in gesloten processen, naar zelfstandige natuurwetten, waar de mens tegenwoordig zo aardig mee om weet te springen dankzij wetenschap en techniek, maar waarin voor God geen plaats is.
Dat is héél kenmerkend voor deze eeuw.
Dat in de materiële en technische wereld God niet meer aanwezig geacht wordt. Dat God nog net goed is voor kerkse mensen en godsdienstige stemmingen.
Daar beklagen wij, christenen, ons nogal eens over.
Maar daar zit schuld achter!
Schuld bij de kerk.
Die is begonnen te scheiden, wat God had samengevoegd. Die heeft door de achterdeur weer binnengelaten die tegenstelling tussen stoffelijk en geestelijk, die ze eerst door de voordeur had uitgewezen.
Die is begonnen, "over-geestelijk" te preken.
En dat is omgeslagen in "ongeestelijk" leven.
De kerk begon met: "deze aarde is voor God en geestelijke mensen te min". Nu zegt de wereld: "op deze aarde is voor God geen plaats".
Laten we onze kinderen daarom dicht bij de Bijbel grootbrengen.
Bij het goede Woord Gods. Dat àlles op zijn eigen plaats laat staan.
God in de hemel. Vanwaaruit Hij alles regeert en niets te min acht.
En de mens op de aarde. Waar hij een maag heeft. Die om eten vraagt. Zodat de Here Jezus ons vóór alles leerde bidden: "Geef ons heden ons dagelijks brood.”

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief