Nog eenmaal Romeinen 11:25-26

1984-08-17
  • Jaargang 28
  • nummer 30
Op de repliek van drs H. de Jong 1) op mijn artikelen over de exegese van Rom. 11 : 25-26 2) had ik uitvoerig gereageerd in een viertal artikelen (die ik eerst dJ. zelf had doen toekomen in de hoop, dat hij bepaalde dingen zou willen terugnemen; wat hij echter weigerde). De redaktie was evenwel van oordeel, dat de discussie tot dusver tussen dJ. en mij voor de meeste lezers niet te volgen was geweest vanwege haar filologisch karakter, en had daarom reeds voordat mijn artikelen haar bereikten besloten deze discussie stop te zetten. Zij vroeg mij dan ook mijn vier artikelen tot één te comprimeren.

Dit verzoek bracht mij meen moeilijk parket. Enerzijds ben ik natuurlijk gaarne bereid eraan mee te werken, dat de redaktie haar 'goodwill' bij de lezers behoudt, zelfs als dat zou betekenen - en dat zit er inderdaad wel in - dat ik me voortaan maar helemaal niet meer in dit blad laat horen. Echter: juist in de filologische opheldering van de bijbeltekst bestaat de waarde van mijn artikelen - zo zij die hebben - en bovendien het plezier dat ik zelf eraan beleef.
Schrap ik die, dan blijft een conclusie over zonder adstructie.
En dat bevredigt niet. In 't bijzonder deze keer niet, nu de conclusie een scherpe veroordeling van mijn opponent is, die mij meer verdriet doet dan ik zeggen kan .
Ten einde raad koos ik voor de volgende oplossing: 1) Voor de lezers die wèl prijs stellen op mijn filologische bijdrage stel ik deze beschikbaar.
(Uit reakties op mijn eerste artikelen maak ik nl. op, dat bepaald niet alle lezers - zelfs niet alle niet klassiek gevormde deze onverteerbaar vonden.) Wie erin geïnteresseerd is gelieve mij dat te laten weten (adres: De Gast 63, 9801 AC Zuidhorn); dan kan ik bij de vermenigvuldiging rekening houden met het aantal gegadigden. Dit stuk zal dan bevatten: a) een rechtzetting van het bij dJ. heersende misverstand t.a.v. de betekenis-ontwikkeling van 'houtoos' van modaal naar temporeel (inclusief een weerlegging van zijn opvatting van 1 Cor. 11 : 29 en Hand. 17 : 32-33); b) een weerlegging met behulp van nog andere argumenten dan dat ontleend aan de aoristus - waarover hierondervan de exegeses, door dJ. voorgesteld t.a.v. Mt. 5 : 18, Lc. 17 : 8, Mt. 26: 36 en Lc. 21 : 34; c) een weerlegging van dJ.'s idee - ontwikkeld om zijn wegwerken van Jes. 27 : 9c te rechtvaardigen - dat Jes. 59 : 20-21 door Paulus diep ingrijpend zou zijn gewijzigd; en verder een korte opmerking over Paulus' citeerwijze (afwijzing van de 'schaar en lijmpot'-theorie); d) een bespreking van het tweede 'nun' in Rom. 11 : 31, gevolgd door een uitvoerige behandeling van de vergelijking in vv, 30-31 (waar J, dJ. de volstrekt onverantwoorde tekstomzetting van o.a. het NBG volgt) en de betrekking van v. 32 op vv : 25-26.
2) In het hieronder volgende beperk ik mij dan tot een summiere evaluatie van dJ.'s antwoord.

Wat sterk opvalt in dJ.'s antwoord is zijn negéring van tal van argumenten, van mijn kant aangevoerd. Dat begint al dadelijk in het eerste artikel. Zo schrijft hij t.a.v. de twee betekenissen van 'houtoos' (t.w. 'alzo' en 'alsdan'): "Er moeten goede gronden voor zijn om deze eerste betekenis te doen plaats maken voor de tweede" (105,3/4).
Wel: ik had er vier genoemd: a) het voorafgaan van 'totdat'; b) het chiasme; c) de betekenis van 'mysterie' bij Paulus; d) het gebruik van 'verborgenheid' in deutero-Jesaja. dJ. gaat aan die alle voorbij.
Hetzelfde geldt van argumenten door mij aangevoerd tegen zijn exegeses. Ik had erop gewezen, dat de woorden "voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren" in de Septuagint-vertaling van Jes. 59 : 20, en dientengevolge ook bij Paulus, niet voorkomen.
Maar 'unverfroren' gaat dJ. (in zijn derde artikel) er opnieuw mee argumenteren. Hij had mij moeten toegeven, dat aan het weglaten van het lidwoord bij abstracta geen argument kan worden ontleend. Maar toch wil hij meteen daarop zo'n argument weer wèl laten gelden (zij het in wat afgezwakte vorm).
De bereidheid tot luisteren naar exegetische argumenten blijkt volstrekt afwezig in het vierde (laatste) artikel. Ik had gewezen op de drievoudige waarschuwing in de verzen 18-25, het taalgebruik in vv; 11 vlgg. geanalyseerd, mede op grond daarvan verband gelegd met Lc. 21 : 24, de oorspronkelijke context van Paulus' citaten uit Jesaja nagetrokken, en had met gebruikmaking van al deze gegevens Paulus' uitspraak gezet tegen het licht van Jesaja's profetie. dJ. schenkt aan dit alles niet de allerminste aandacht, maar komt - ofschoon ik had voorgesteld de zaak eerst exegetisch tot op de bodem uit te praten, en zolang de religieuze implicaties buiten de discussie te houden - met een confessionele dooddoener: H.'s verbinding met Lc. 21 haalt de hele leer van het duizendjarig rijk in huis; om vervolgens de gruwelijke consequenties daarvan af te schilderen. De boeman der ketterij moet blijkbaar de bres in dJ.'s exegese dichten. (Wij kennen die tactiek uit vroegere ervaringen met theologen.) Voor deze 'theologische' aanval op mij had dJ. de weg gebaand in zijn tweede artikel, dat een verraderlijke vertekening bevat van het geding dat tussen hem en mij gaande is. dJ. stelt het nl. voor, als zou a) wat de temporele bijzin in v. 25 betreft, het Grieks voor de vertaling "totdat de volheid der heidenen zal zijn binnengegaan" als alternatief toelaten "voorzolang als de volheid der heidenen binnengaat" ; b) ieder van ons beiden zijn keus voor een van deze twee vertalingen (hij voor de tweede, ik voor de eerste) hebben gemaakt op theologische gronden.
Die laatste bewering is, voorzover ze mij betreft, volstrekt onwaar, zoals d]. zelf ook zeer wel weet: in zijn vierde artikel rekent hij mij nl. onder degenen "die op strikt exegetische gronden in Rom. 11 een geloofstoekomst voor heel Israël aangeduid vonden" (130,4).
Wat de bewering sub a betreft: van een taalkundig alternatief is geen sprake. Integendeel: dJ.'s opvatting is taalkundig volstrekt onmogelijk. Met te beweren, dat de aoristus een duratief karakter kan hebben (dus: de handeling in haar verloop zou kunnen schilderen), tast men een van de belangrijkste en volkomen vaste pijlers der griekse grammatica aan. Onkunde bij dl.? Nee, veel erger! Hij is zich ervan bewust, dat zijn opvatting tegen de taalregel indruist: "Opnieuw", zo schrijft hij (114, 4), "trotseer ik de schijn van koppige eigenwijsheid met te zeggen dat ik niet overtuigd ben. De grammatikale regel die dr H. noemt kende ik ten naasten bij, maar het was me al eens eerder tot een vraag geworden of hij wel zo strikt opgaat".
Nu hijzelf mij de juiste kwalificatie van zijn houding aanreikt, ben ik maar zo vrij die over te nemen. (Men komt er nl.
niet gemakkelijk toe zó te spreken van een man, dien men bijzonder hoog achtte.) Inderdaad stoten wij hier op een vrij zeldzame graad van koppige eigenwijsheid.
Ik herinner mij uit mijn leven eigenlijk maar een parallel.
Het gebeurde in mijn jeugd, dat een onbuigzaam man tijdens een visite met zijn zoons verschil van mening kreeg over de ligging van Burum. Hij beweerde: "Het ligt in Groningen", zijn zoons daarentegen: "Nee, in Friesland". De kaart werd er bij gehaald, en de zoons bleken gelijk te hebben. Reaktie van pa: "Dan is de kaart fout"! 3) Wat ik het ergste vind is, dat d].
in déze zaak door zo'n eigengereidheid de waarheid Gods ten onder houdt, voor zichzelf en voor de goe gemeente, die zelf niet bij machte is zijn beweringen te controleren. Laat dit 'gewone kerkvolk' van mij geloven, dat ik wel degelijk ook terwille van hen schreef, toen ik een stukje filologie weggaf dat hun te hoog ging.

1) In de nrs. 14-17 van de lopende jaargang van dit blad.
2) In de nrs. 2-6 van de lopende jaargang van dit blad.
3) Als symptoom van de wil tot zelfhandhaving zie ik ook de 'Umwertung der Werte' die dJ. in de inleiding pleegt: de beledigende woorden aan het adres van zijn tegenstanders ("klapstuk", "vanuit vooringe~?menheid vragen, of er voor Israel nog iets meer inzit", "dwingerig zoeken naar een totaal van Israël-naar-het-vlees"), waartegen ik protest had aangetekend, kwalificeert hij nu als "luchtig en speels".

Naschrift
Hoewel ik best zin zou hebben om op het zakelijke van dr H.'s bestrijding nader in te gaan, doe ik dat toch niet. Ik zou daarmee immers weer een nieuwe ronde in de diskussie openen. Wij zijn nu aan het einde van de tweede en dat is genoeg, vindt de redaktie, en zij heeft gelijk.
Daarom volsta ik nu met de hoop uit te spreken dat ons gesprek op een andere wijze zal worden voortgezet, mondeling bijvoorbeeld, zoals ik dr H. heb voorgesteld.
Mogelijk dat de lezer het resultaat daarvan later nog eens verneemt.
Wat dr H. en mij verenigt is in ieder geval de liefde tot Gods Woord, ook in de details.

H. de Jong

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief