Het overleven der mensheid en onze politieke roeping tot kernbewapening (1)
1984-08-24
Inleiding gehouden door Prof. dr A. Troost te Amsterdam op een openbare vergadering van de R.P.F.-kiesvereniging "De IJsselstreek" te Nieuwerkerk aan den IJssel op 10 mei 1984 met betrekking tot het onderwerp 'vrede en veiligheid'. Op vragen en kritiek, die door deze inleiding worden opgeroepen, wil prof. Troost graag ingaan.- Jaargang 28
- nummer 31
Opnieuw hebben verschillende kerken, althans hun synodes of hoofdbesturen, gewaarschuwd tegen de kernbewapening.
Deze bewapening, en niet alleen vermeerdering of modernisering ervan, deze bewapening zelf zou in strijd zijn met de wil van God en in strijd met het heil van de medemens en van de wereld.
Alvorens we op deze officieel kerkelijke mening ingaan om haar te bestrijden, wil ik enkele opmerkingen vooraf maken.
In de eerste plaats is het ook mijns inziens zo dat de gedachtenwisseling over oorlog en oorlogsmiddelen, die in de christenheid al eeuwen lang gevoerd is, thans in een nieuwe fase gekomen is.
De nieuwe technologische ontwikkeling die kernwapens mogelijk maakte en die ook vanuit de ruimte rondom de aarde met die wapens het leven op deze aarde grotendeels kan vernietigen, heeft voor menig christen de vroegere argumenten gedeeltelijk ongeldig gemaakt.
Ik dacht ook terecht.
Het zwaard der overheid heeft God gegeven om het recht op aarde te beschermen en daarmee een geordende samenleving mogelijk te maken. Maar wanneer dat zwaard niet alleen de tegenstander, maar ook het volk of de overheid die het ter hand neemt treft; wanneer er na een volledige kernoorlog geen overwinnaars zijn, doch slechts doden en verminkten, dan heeft het overheidszwaard niet gefunctioneerd naar Gods eerste bedoeling; dan is er geen vrijheid en geen recht meer om te beschermen omdat er dan nauwelijks leven meer over is. Het is de zelfvernietiging der volken.
Men zou hier tegenover het Schriftwoord kunnen gebruiken: "Weest niet al te rechtvaardig, waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?", Prediker 7:16.
Het is dan ook begrijpelijk dat velen en ook de kerken daaruit de conclusie trekken dat het dus niet mag van God. Wat er ook het gevolg van zij, men moet primair op God vertrouwen, zo horen we, op de God die het leven wil en het heil en niet het onheil en de ondergang.
Deze boodschap is echter niet volledig bijbels. Het belangrijkste en centrale van de bijbelse boodschap wordt erin gemist en dáárdoor ontaardt dit standpunt mijns inziens tot wat de H. Schrift noemt "valse profetie".
Dit nu wil ik trachten nader toe te lichten in een 15-tal punten.
1. Het zal niet wat meevallen in een volledige kernoorlog
De gedachte van het "overleven".
Bij voorbaat zijn we het er met elkaar over eens dat hier leven en dood op het spel staan van miljoenen mensen: niet slechts van miljoenen soldaten, maar ook van burgers.
Laten we niet denken dat het wel wat mee zal vallen. Uiteraard kunnen wij als niet-deskundigen daarover niet zoveel zeggen, maar velen die wel deskundig zijn verzekeren ons haast eenstemmig dat het voor een groot deel van de cultuurwereld afgelopen zal zijn. De aarde is na een volledige kernoorlog een soort maanlandschap geworden waarop nog heel lang geen menselijk leven meer mogelijk is.
Nogmaals, ik kan het niet beoordelen, maar ik ga er maar van uit dat dat waar is en dat het dus niet wat mee zal vallen.
Ook de manier van deze mondiale dood moet onuitsprekelijk vreselijk zijn.
2. Leven en dood in bijbelse zin
Voor een christen komt het er dus op aan leven en dood onder ogen te zien, maar dat dan op een bijbelse wijze.
Eén van de eerste en primaire dingen die ons als christenen onderscheiden van bijvoorbeeld humanisten is dit: dat leven veel meer is dan biologisch en cultureel bestaan. Leven, echt en waarachtig menselijk leven, is leven in vrede met God en met onze naaste. Dat leven is onvergankelijk, ja eeuwig. Het tijdelijk leven op aarde wordt door de bijbel altijd gerelativeerd tegenover de vervulling en de volheid daarvan in de eeuwigheid.
Daarom is ook de dood voor een christen iets anders dan voor een niet-christen.
Ook de dood is voor een christen geen absolute ellende, geen einde van zijn bestaan, maar een doorgang naar het eeuwige leven.
Christus roept ons dan ook op niet te vrezen voor hen die niet meer kunnen dan ons lichaam doden, maar veel meer en echt vrezen voor Hem die beide, ziel èn lichaam, kan verderven in de hel (Matth. 10 : 28).
3. Geen angst voor het communisme èn geen angst voor de dood mag doorslaggevend zijn
Tegen deze eenvoudige en bekende achtergrond van het Christelijk geloof inzake dood en leven komt ook de oorlog en de bewapening in een ander licht te staan.
Als we hiermee volledig ernst maken dan raken wij vervreemd zowel van links als van rechts, van pacifisten èn van hen die met onchristelijke motieven toch wel in de praktijk bij ons terechtkomen wat betreft de politieke aanvaarding van de kernwapens.
Voor christenen ligt de zaak immers anders.
Geen leven of overleven tot elke prijs, want de gunst en de genade van God is ons meer waard dan het tijdelijk leven, zoals David al zei in Psalm 63.
Geen angst voor de communistische Russen mag de doorslag geven bij het kiezen van een standpunt en ook geen angst voor de dood; niet voor de persoonlijke, eigen dood en niet voor de dood van alle mensen.
Die angst mag er wel zijn, maar zij mag niet doorslaggevend zijn bij onze overwegingen.
Daarom kunnen we als christenen ons niet zonder meer op één lijn stellen met ons volk of met de NAVO, of met Amerika. Dat wij in de praktijk op politiek en militair gebied tot eenzelfde beslissing als laatstgenoemden komen, mag ons niet verleiden ons met het goddeloze humanisme te vereenzelvigen.
Want al staat God mijns inziens nog aan de kant van het Westen, het Westen staat zeker niet aan de kant van God in die grootste en diepste en allesbeheersende strijd die er bij ons op aarde gaande is, ook in de Oost-Westverhoudingen.
4. De echtscheiding tussen God en de mensheid. Gerichten en het eindgericht
Wat ik zo pijnlijk mis in de leidinggevende kerkelijke organen en christelijke persorganen is het accentueren van deze geestelijke dieptedimensie van onze huidige politiek-militaire problematiek.
Het is waar dat God de Schepper is van deze wereld; dat Hij deze wereld wil bewaren en redden.
Dat God het leven van Zijn schepselen liefheeft. Maar wie dat gaat hanteren als een soort theoretisch dogma, los van het volle Evangelie, raakt het spoor bijster. Want God is óók en vooràl de God met Zijn schepselen een verbond sloot, een samenlevingsverbond in liefde. Maar zoals wij weten: dat verbond is uitgelopen op een echtscheiding", bondsbreuk.
De mens brak met God en daarover kwam en komt nog steeds Gods gericht.
Waarom brengt men in de discussies zo zelden die gerichten Gods naar voren en haast nooit het eindgericht, de ondergang der wereld door vuur?
5. Wij zijn niet geroepen het wereldgericht uit te voeren
Op die vraag krijg ik meestal als antwoord: "Wij mensen zijn niet geroepen om Gods oordelen uit te voeren en zeker niet om de wereld te vernietigen in de atoombrand".
Dat is waar. Wie dat zou menen, zou inderdaad ernstig en gevaarlijk dwalen.
Maar een àndere zaak is, dat God voor Zijn oordelen en gerichten wel mensen en volken en ook oorlogen gebruikt.
Daarvan is de Bijbel vol. Hoewel niemand het weet, zou het inderdaad best mogelijk zijn dat God het laatste oordeel over de aarde brengt langs de weg van een mondiale atoomdood. 2000 jaar geleden schreef Paulus al in zijn brief aan de Romeinen 13: 12 "De nacht is ver gevorderd".
Waarom zou dat niet kunnen?
En is dat laatste gericht niet de "bevrijding" van Gods volk, in de volle zin van het woord?
Maar het is waar: geen volk en geen overheid wordt dáártoe opgeroepen.
Integendeel, daar heeft God Zijn engelen voor, Zijn "gerichts dienaren"
Wij mensen hebben de roeping om door bidden en werken dat oordeel tegen te gaan door ons tot de levende God te bekeren, echter wetende uit Gods Woord zèlf dat dit over het algemeen niet het geval zal zijn ondanks de meest vreselijke gerichten van de toornige God (Openbaring 19: 20). God kan dan óók overheden (met hun atoomtaak) gebruiken als gerichtsinstrumenten.
6. De roeping der overheden
Wat is dan wel de roeping van de volken en van hun overheden?
Het antwoord van de Bijbel is bijvoorbeeld - om maar één ding te noemen - het bekende Micha 6 : 8: wat eist de HERE van u dan recht te doen en gerechtigheid lief te hebben en dat dan in het kader van een ootmoedige wandel met God.
Speciaal de overheden krijgen van God de roeping het recht in de samenleving te handhaven en daarvoor hebben ze de zwaardmacht ontvangen om die te gebruiken.
Dat is niet alleen de politiemacht voor binnenlands gebruik, maak ook voor de samenleving der volken. Ook de volken dienen in gerechtigheid met elkaar te leven en een internationale rechtsorde te verwerkelijken, en met de zwaardmacht te beschermen.
(wordt vervolgd