Herdenken 1834-1944-1969-1984
1984-08-31
- Jaargang 28
- nummer 32
1934 herdenkingsjaar
In het jaar 1984 valt er veel te herdenken.
Op 1januari van dit jaar was het 500 jaar geleden, dat de reformator Zwingli in Wildhaus (Zwitserland) geboren werd.
Op 10 juli was het 400 jaar geleden) dat prins Willem van Oranje) de Vader des Vaderlands te Delft vermoord werd.
Ook op ons kerkelijk erf is er veel te herdenken.
Op 13oktober zal het 150 jaar geleden zijn dat de Afscheiding begon. Op die datum werd door de kerkeraad van Ulrum eenparig de Acte van Afscheiding of Wederkeer getekend.
Op 11 augustus was het 40 jaar geleden dat in de Lutherse kerk te Den Haag de vrijmakingsvergadering gehouden werd.
Tijdens deze vergadering die samengeroepen was in verband met de schorsing en afzetting van een groot aantal ambtsdragers las prof. dr K. Schilder de Acte van Vrijmaking of Wederkeer voor.
En tenslotte in 1969 zette zich de breuk in de Vrijgemaakte kerken door. Dat is nu dus 15 jaar geleden.
De Afscheiding
Bij de Afscheiding ging het over de vraag wat de kerk is. Een opvoedingsinstituut?
Een verzameling van emotioneel geraakte mensen? Een vergadering van beschaafde en brave mensen?
Of is ze de gemeente van Jezus Christus, die haar regeert door Zijn Geest en Woord?
Dit was de vraagstelling bij de Afscheiding. De Afscheiding was dan ook voluit reformatie, terugkeer tot gehoorzaamheid aan het Woord van God.
Het begon zo goed. Al waren er de eerste jaren nog al strubbelingen, later werd het beter. De kerk groeide. De Doleantie kwam en in 1892 verenigden zich het grootste deel van afgescheidenen en dolerenden in de Gereformeerde kerken van Nederland.
Maar hoe is de toestand nu?
Meer dan 10 kerken pretenderen gereformeerde kerken te zijn. De grootste van deze, de (syn.) Gereformeerde Kerken, hebben sinds jaren het uitgangspunt van de Afscheiding prijs gegeven.
In de laatste 15 jaar zijn deze kerken in de richting van de Ned.
Herv. kerk gekoerst. Men is "Samen op weg". De verwijdering van de andere kerken van gereformeerde signatuur is in de laatste jaren in snel tempo vergroot o.m. door uitspraken van de synodes van de (syn.) Gereformeerde Kerken. Op de bijeenkomst dit jaar van de Geref.
Oecumenische synode bleek het feitelijk niet mogelijk om echt met deze kerken te spreken.
Begrijpelijk nu van die kant steeds gesteld wordt, dat de anderen eigenlijk achterblijvers zijn en zij de voorhoede. We hebben dat later in de Vrijg. geref. kerken ook meegemaakt, toen herauten van de "voortgaande reformatie"
verkondigden, dat de anderen achterliepen.
De Vrijmaking
En dan de Vrijmaking.
Het geschilpunt is voor de grote massa onbegrijpelijk. Men vroeg zich af hoe het mogelijk was dat men daar toen mee bezig was.
Midden in de oorlog, zeer slechte verbindingen, weinig communicatiemogelijkheden.
Plotseling bemerkte het nederlandse volk, dat er weer een gereformeerde kerk bijgekomen was. Het was de Geref. Kerk art. 31 K.O. in de volksmond de "artikel eenendertigers" genoemd.
Deze naam werd gebruikt omdat men zich op grond van art. 31 van de kerkenordening distancieerde van de besluiten van de synode.
In het begin leek het allemaal niet zo erg. Men twistte in de kerk in verband met meningsverschillen.
Die verschillen waren er overigens al jaren lang.
Er waren gereformeerden, die in de lijn van dr A. Kuyper meenden, dat de doop alleen geldig was bij mensen, die in het rijk van God zullen opgenomen worden.
Wanneer de kinderen gedoopt worden, veronderstelt men, dat de gedoopten Gods heil zullen ontvangen. Ze moeten voor "geheiligden" gehouden worden, tenzij later in hun leven het tegendeel blijkt.
Wanneer dan later dat tegendeel inderdaad blijkt, is hun doop een schijndoop geweest.
Daartegenover stond een andere opvatting, nl. dat alle kinderen van gelovigen verbondskinderen zijn, in Christus geheiligd en dat dus aan allen de heilsbelofte van dat verbond toekomt. Kinderen, die later deze belofte niet van harte aannemen zijn verbondsbrekers, en plaatsen zich daarmee buiten het koninkrijk van God.
De twist over deze beide beschouwingen werd steeds heftiger.
Wellicht hebben de slechte verhoudingen tussen de hoogleraren daar ook toe bijgedragen.
De synode ging toen, zonder daar enig recht toe te hebben, de opvatting, die in de lijn van Kuyper lag, als de enig schriftuurlijke bestempelen.
Deze synodale uitspraak werd bindend verklaard. Alle ambtsdragers moesten ermee instemmen.
Er mocht niets geleerd worden wat niet ten volle met deze uitspraak in overeenstemming was.
In feite had men daarmee een vierde belijdenisgeschrift ingevoerd.
En dan nog wel een, die boven de Schrift uitging. Vandaar dat men sprak over boven schriftuurlijke binding.
Daar kwam nog bij, dat de synode zich als een soort opperkerkeraad ging gedragen. Bij verzet volgde onverwijld schorsing en afzetting.
Vrijmaking, hoe verdrietig ook, was in 1944 nodig. Het was geboden elke binding, die uitgaat boven de Schrift te verwerpen.
We mogen zeggen, dat bij de Vrijmaking Christus Zijn volk opnieuw in vrijheid heeft gesteld, opdat dat volk zich nu achter Hem aan vernieuwd en vernieuwend zou inzetten voor de zaak van Christus.
Vrijmaking was een noodzakelijke, maar toch pijnlijke breuk met broeders en zusters van eenzelfde huis.
Het merkwaardige is, dat de door de synode als enig schriftuurlijk geijkte opvatting later een rustige dood is gestorven. Vrijwel niemand aanvaardt meer de gedachtenconstructie van Kuyper over verbond en doop.
Helaas zijn de (syn.) Gereformeerde Kerken nooit verder gekomen dan het besluit terzijde te stellen.
Men wilde niet uitspreken dat de bindingen verkeerd waren. Dat zou een diskwalificatie van de generatie van toen betekend hebben.
Ondanks deze terzijdestelling is de kloof tussen de (syn.) Gereformeerde Kerken en de onze toch breder geworden. De (syn.) Gereformeerde Kerken hebben zich nu ver verwijderd van de Afscheiding.
Een breuk in de Vrijg. Geref. kerken
Wat waren we in de eerste jaren na de Vrijmaking zelfverzekerd.
De kring van de niet-vrijgemaakten werd steeds meer tot besmet gebied verklaard. Samenwerking met anderen was zo iets als kerkverraad.
Wat zijn we in de vrijgemaakte kerken snel voor onze hoogmoed gestraft.
Al in 1948 kwamen er onderlinge moeilijkheden. Ze werden het eerst openbaar op het zogenaamde Amersfoorts congres, dat in dat jaar gehouden werd.
Een belangrijk punt van verschil in de kerken was de vraag hoe we de Vrijmaking hebben te bezien.
Velen zagen de vrijmaking als een afscheiding van de ware kerk van de valse. Voor hen stond de vrijmaking op één lijn met de reformatie en de afscheiding.
Daar werd, zo zei men, in 1944 een nieuw begin gemaakt.
Men trok dan ook vaak een parallel met de uitleiding van het volk Israël uit Egypte.
Volgens anderen was de vrijmaking niet een zich afscheiden van hen, die niet van de kerk zijn.
In de tijd van de vrijmaking is juist van de kant van de bezwaarden, o.m. door prof. Schilder, steeds betoogd: wij behoren bij elkaar, wij hebben niemand een vaarwel toegeroepen.
Wat de vrijmaking dan wel was?
Niet meer en ook niet minder dan een zich vrijmaken van besluiten, van bindingen aan bepaalde uitspraken en tuchtmaatregelen.
Niet een loslaten van andere broeders en zusters, niet een breken met de kerk. Indien ons geen plaats ontzegd was, zou onze vrijmaking voor God en mensen verwerpelijk geweest zijn.
Hadden we elkaar als vrijgemaakten nu maar verdragen ondanks ons verschil in waardering van de vrijmaking. Maar het ging net als in 1944.
Een meningsverschil werd tot een confessioneel verschil gebombardeerd.
Een opvatting over de vrijmaking werd inhoud van wat wij te geloven en te belijden hadden.
Hoever men daarbij ging blijkt wel uit een stelling, die in de Reformatie (41e jrg., nr. 38, pag. 299) gepubliceerd werd: "Wil de zaak van Jezus Christus nog een toekomst hebben in ons land, dan zullen degenen die bij deze zaak betrokken zijn, elkander hebben te vinden in de benoeming en waardering van dat wat in 1944 in Nederland is geschied binnen de Gereformeerde kerken."
Dit betekende, dat alle kerkleden moesten belijden, dat de vrijmaking is geweest een zich voegen bij de ware kerk en een zich afscheiden van hen, die niet van de kerk zijn.
We waren verplicht een vrijmakingsdaad tot inhoud van ons geloof te maken. Maar we mogen van een kerkhistorisch feit geen openbaringsfeit maken.
Uiteraard had deze vrijmakingsideologie praktische gevolgen voor de verhouding met andere kerken en met leden van andere kerken.
Het is begrijpelijk, dat door deze ontwikkeling de spanningen in de vrijgemaakte kerken steeds groter werden. Predikanten en kerkleden gingen heen. Tussen de 40 en 50 predikanten verlieten onze kerken. Sinds 1960 gingen jaarlijks 500 kerkleden over naar andere kerken.
Precies zoals in 1944 begonnen kerken en synodes te schorsen, waarbij men zich niets aantrok van de geldende kerkenordening.
Zo werd ds A. v. d. Ziel geschorst zonder medewerking van de naastgelegen gemeente.
De particuliere synode van Overijssel nam zonder enige bevoegdheid maatregelen. Os Mulder en ds Visee werden aangepakt zonder dat ze zelfs gehoord werden.
Van de kerkenordening trok men zich niets meer aan. In een noodsituatie mag men daar gerust van afwijken, zo sprak de synode van Amersfoort uit. En zo kwamen omstreeks 1969 een aantal kerken buiten het verband van de Vrijg. Geref. kerken te staan zonder dat ze dit begeerd of gezocht hadden. Deze kerken trokken voortaan gezamenlijk op in onderworpenheid aan Gods Woord, aanvaardend de drie formulieren van Enigheid en levend naar de bepalingen van de kerkenordening.
Men ging verder in het spoor van 1834.
Nederlands Gereformeerde Kerken
We zijn nu 15 jaar verder.
Intussen hebben de kerken een eigen naam gekregen: Nederlands Gereformeerde Kerken. Daarbij werd aangeknoopt bij de historische benaming, al werd de "e" achter Nederlands helaas weggelaten.
Een eigen naam was gewenst om ons van de andere gereformeerde kerken te onderscheiden.
Het is een dwaze zaak, dat de (syn.) Geref. Kerken en de (Vrijg.) Geref. kerken nog steeds dezelfde naam dragen. Dat geeft veel verwarring. Daar zijn echt wel betere mogelijkheden om eigen identiteit duidelijk te maken.
De oude kerkenordening is veranderd.
Met behoud van de principiële uitgangspunten van de oude kerkenordening is er een kortere, meer hedendaagse regeling gekomen.
Aangenomen mag worden, dat we van twee uitstotingen wel wat geleerd hebben. Maar dreigen we toch na 15 jaar de les van de historie wat te vergeten?
In 1944 en 1969 hebben we tweemaal dezelfde les gehad.
Er waren beide keren meningsverschillen waarin we elkaar moesten verdragen. Noch de "veronderstelde wedergeboorte" noch de "vrijmakingsideologie" waren op zich een geldige reden voor een kerkbreuk.
Helaas werden er bovenschriftuurlijke bindingen opgelegd.
Een meningsverschil werd een confessioneel verschil.
Het kan zich zo gemakkelijk herhalen, vooral als het onderlinge vertrouwen zoek is. Is dat onderlinge vertrouwen in onze kerken wel altijd voldoende aanwezig?
Zijn we ons allen bewust, dat we als confessioneel gereformeerde kerken de plicht hebben elkaar tot een hand en voet te zijn?
Openbaart zich hier en daar niet een individualisme, dat zich uit in een zich weinig gelegen laten liggen aan de andere kerken.
Is de eerste liefde niet aan het verkoelen?
Is de situatie in Zwolle b.v. niet voor ons allen een beschamende zaak?
En verder. We zijn sinds 15 jaar de zoveelste gereformeerde kerk.
Wat doen wij daaraan?
Het ging er in 1944 en 1969 om gewoon gereformeerd te blijven en dus was er een hartelijk begeren om met alle gereformeerde belijders samen te gaan.
De eenheid van de gereformeerden lijkt steeds meer een utopie.
Ja, er worden zelfs wel conferenties van gereformeerden gehouden en tussen Nederlands en Christelijke Gereformeerden worden op verscheiden plaatsen samensprekingen gehouden. Maar gebeurt dat niet vooral om de stem van het geweten tot zwijgen te brengen?
Wanneer wederzijds ook werkelijk eenheid begeerd werd, zou dat ook zichtbaar moeten zijn.
Wanneer we dit jaar herdenken, moeten wij dat doen met schaamte in ons hart. Wat maken wij mensen er een puinhoop van.
Maar we mogen toch ook gedenken, dat de goede hand van onze God met ons was. In de meeste kerken kan men zich verheugen in een vrij rustig leven. In tal van plaatsen komen syn. gereformeerden tot ons over, omdat ze begeren weer lid van een echte gereformeerde kerk te zijn.
Maar laten we er wel voor oppassen tevreden met onszelf te zijn.
Zelfkritiek, ons toetsen, ook als kerk, aan Gods geboden blijft steeds nodig.
Mogen wij als Nederlands Gereformeerde Kerken gemeenten zijn, die blijven bij de leer, dat is bij het onderwijs van de apostelen.
Gemeenten, waarin ieder mee helpt de eigen kerkgemeenschap te bouwen. Biddende gemeenten, die bijeenblijven en waar de liefde een trekpleister is voor buitenstaanders. Gemeenten waar elk gemeentelid zijn of haar taak vervult en let op de belangen van anderen.
Geve onze God en Vader, dat dit in de toekomst het beeld van de Nederlands Gereformeerde Kerken mag zijn.