Persschouw

1984-09-07
  • Jaargang 28
  • nummer 33
In "Kerk en Theologie", 35e jrg. nr. 3, juli 1984, werd een artikel gepubliceerd over onze kerken.
Wie de schrijver van dit artikel is weten wij niet, want het is niet ondertekend. Het is erg interessant om te luisteren naar een stem van buiten. Het kan je ook bemoedigen. Daarom nemen we dit artikel graag over.

Nederlands gereformeerd
De 'buiten verbandse vrijgemaakten' heten sinds 1979 de Nederlands Gereformeerde Kerken. Ze tellen volgens de laatste uitgave van Van Alphen 93 kerken, 64 predikanten en ongeveer 30.000 zielen. Je hoort niet veel van hen, maar wat ik van hen hoor is me erg sympathiek. Ik krijg namelijk de indruk dat deze kerken gereformeerd zijn in de klassieke zin van het woord zonder de benepenheid, de hardvochtigheid en de gelijkhebberij die het gereformeerde geloof wel eens ontsieren. Ja, wanneer je twee keer in je leven aan den lijve ervaart wat het betekent om de kerk uitgewerkt te worden (en dat zal voor de meeste Nederlands Gereformeerden wel gelden) dan laat dat wel zijn sporen na.
Ik sta in deze kroniek stil bij Opbouw, het blad van de Nederlands Gereformeerden, dat uitgegeven wordt door de gereformeerde persvereniging Opbouw te Leersum. Wat ik in dit weekblad het eerst lees is het cursiefje van A. H. Algra. Hij noteert bijvoorbeeld dat Velema van Nunspeet erover geklaagd heeft dat er predikanten zijn die op huisbezoek niet meer bidden. Algra tekent daarbij aan dat hij weet hoe dat gaat: je bent als dominee op een verjaarsvisite, waar opgewekt gekakeld wordt; er gaat een schaal met taartjes rond, er worden grapjes gemaakt over 'lijnen'. en iemand zegt: 'Laat ik deze keer maar eens zondigen, je bent tenslotte niet iedere dag jarig.' Intussen zit dominee op het puntje van zijn stoel te wachten of er misschien een ogenblik komt waarop hij een gebed kan uitspreken, maar dat ogenblik komt niet.
Een uur tevoren was hij nog op bezoek op de kraamzaal van een groot ziekenhuis: het was er een drukte van belang, zusters kwamen binnen met bloemstukken en post, weer had hij tevergeefs gewacht op het ogenblik waarop hij een gebed zou kunnen uitspreken, en weer was dat ogenblik niet gekomen. Algra vraagt zich dan af of dat eigenlijk wel moet: de mensen kunnen toch ook zelf bidden hij gaat toch wekelijks in de kerkdienst voor in gebed en brengt dan onder woorden wat er in de gemeente leeft, en hij eindigt oprecht met: 'Trouwens, als ik werkelijk bij ieder bezoek bidden moest, werd het mij teveel.
Dan zou ik gaan verlangen naar een vervroegd uittreden.' Een andere keer vertelt hij over een vrouw die in verwachting was en die tot vlak voor haar bevalling naar de kerk bleef gaan. Iedereen vond dat erg flink van haar, Algra zelf ook, maar zij zei: 'Ik geniet er erg van, mijn man past thuis op de kleintjes, ik ben er eens even uit en ik kan anderhalf uur rustig zitten te soezen.' 'Maar mevrouw, U gaat toch niet naar de kerk om te soezen?' Dat kon best, zei ze, want de dominee gaf in zijn voorgebed altijd een kort résumé van zijn preek, en ze had nooit iets gemist door tijdens de dienst een dutje te doen. Dat is het soort mensen dat bij Algra op de eretribune komt.
Frappant is een reeks artikelen van W. G. Rietkerk over 'Ken u zelf'.
Rietkerk begint met dingen die je vaak hoort zeggen: de mens kan naar de maan vliegen en weer terugkomen, uiterst gecompliceerde hartoperaties uitvoeren, enzovoort, enzovoort, maar hij heeft zichzelf volstrekt niet meer in de hand en voelt zich in onze samenleving hopeloos verloren. 'I have the frightening feeling that at some level of my existence I am a nobody, that my identity has collased and deep down no one is there.' (C. Lasch). Dan denkt Rietkerk na over de mens die naar het beeld van God geschapen is, en hij kiest voor Barths uitleg: de mens is geschapen om Gods partner te zijn en in het verbond te leven. Daarna ontvouwt hij zijn programma: in de relatie tot God ligt de basis om mijzelf te kunnen aanvaarden, de prikkel om mijzelf te gaan ontplooien, en de belofte om mijzelf te vinden. Zelfaanvaarding: je mag jezelf niet haten, al wordt dat in de regel als een christelijke deugd beschouwd. Je kan het afmeten aan de manier waarop wij een compliment ontvangen. Zijn wij er blij om - als erkenning van een gave die ons geschonken is - of raken wij in verlegenheid en weren wij het af? Het màg in onze ogen eigenlijk niet dat wij er leuk uitzien of iets goeds presteren. Een christen behoort immers gering van zichzelf te denken.
Dus antwoorden wij: het was niets of reageren kregel. Maar omdat God ons aanvaard heeft mogen we ook onszelf aanvaarden, en dan doet Rietkerk even zaken: Wat moeten wij dan met het woord uit Lukas 14 : 26, dat wij ons eigen leven moeten haten? Welnu dat betekent voor iemand met een negatieve instelling tegenover zichzelf juist dat hij die instelling moet leren haten. Soms betekent het een daad van grote zelfverloochening als wij ons-zelf nu eens een keer niet verloochenen.' Maar opgelet: zelf-liefde mag ook niet, want dat zou betekenen dat de remmen van ons aangeboren egoïsme losgegooid worden. Het blijft dus bij jezelf aanvaarden, omdat God je met je hele hebben en houden aanvaard heeft. Schuldbesef en een verbroken geest èn toch gelijk ook een diep besef van eigen waarde gaan in deze zelf-aanvaarding hand in hand.
Dat kan omdat wij er een basis voor hebben. Psychologen zeggen dat dat besef van eigenwaarde er móet zijn, maar Rietkerk vraagt de psychologen: hebt u daar dan een basis voor, kunt u mensen dat besef van eigenwaarde geven 'zonder de bijbel en de leer van de mens als naar Gods beeld geschapen en zonder de kennis van Jezus Christus die de ware mens is?' Zelfontplooiing. Rietkerk geeft daar een heel eigen betekenis aan: wanneer wij vervelend tegen iemand gedaan hebben, zeggen we de volgende dag: ik was moe, m.a.w. ik heb het niet gedaan, maar mijn vermoeide ik, en dat is niet mijn eigenlijke ik. Zo worden we minimum-lijders: nee, dat ben ik niet, ik heb het niet gedaan, nou ja, het is wel gebeurd, maar het is me overkomen. Zelfontplooiing wordt dan bij Rietkerk aanvaarden van je schuld, en hij gaat daarin heel ver: je aanvaardt, dat je hoort bij een volk dat wreed tegen andere volkeren is, bij een familie die niet deugt, en bij een ras dat andere rassen mishandeld heeft. Zo komt Rietkerk tot een diepe verbondenheid met de kerk en de hele samenleving. Maar deze zelfontplooiing is alleen maar mogelijk aan de voet van het kruis, anders zou je het geen ogenblik uithouden, en het is een proces dat je doormaakt.
Jezelf vinden. We zijn onszelf nog niet, en we kunnen het ook nog niet zijn. Want je wordt pas jezelf in de aanwezigheid van iemand die je echt en helemaal liefheeft. Zo zullen we pas bij de wederkomst van Jezus Christus onze ware identiteit ontvangen.
Rietkerk eindigt met dat prachtige witte steentje uit Openbaring 2 : 17 met de nieuwe naam 'die niemand weet dan die hem ontvangt.' Opbouw is niet bedoeld voor mensen die avond aan avond naar de televisie kijken. Je vindt er een lange, van artikel tot artikel voortgaande discussie tussen H. de Jong en D. Holwerda in over de uitleg van Romeinen 11 : 26. Deze beide schrijvers besparen hun lezers geen exegetische détails en ik vind het prachtig dat de redactie van een blad dat kennelijk voor de gemeente bestemd is zo'n discussie durft te publiceren: blijkbaar wordt er in de Nederlandse Gereformeerde Kerken nog gelézen.
De advertenties zeggen natuurlijk ook wel iets over een blad en zijn lezers.
Ik zie in Opbouw telkens grote advertenties van Youth for Christ en van de Evangelische Camping ,,'t Beloofde Land". Het blad heeft ook iets opgewekts over zich en het verbaasde me niet een artikel aan te treffen van H. J. Jager waarin deze over de nieuwe mens schrijft en zegt dat Paulus het in Romeinen 7 ('Ik ellendig mens!
Wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods?') over de tijd vóór zijn bekering heeft. Jager heeft dan in ieder geval Luther, Calvijn, Kohlbrugge en Barth niet aan zijn kant! Het is wel waar dat de Heilige Geest in ons werkt en ons tot nieuwe mensen maakt, maar wij kunnen dat allemaal niet constateren; wat wij wel constateren is wat Paulus zegt, en dat hebben we dan toch ook aan de Heilige Geest te danken? Paulus wil ons in Romeinen 7 toch helemaal richten op wat God in Jezus Christus voor ons doet?
Je hoort zelden iets over de Nederlands Gereformeerde Kerken, ze leven terzijde van de brede kerkelijke weg, en als je ze wilt vinden moet je ze echt zoeken. Ik denk niet dat ze er gauw toe te bewegen zullen zijn deel te nemen aan het werk van raden van kerken, maar we doen onszelf wel tekort door geen contact met deze kerken te onderhouden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief