Over wetten die ten leven zijn
1985-10-11
In het Reformatorisch Opinieblad KOERS van 15 februari schreef ik in een door mij verzorgde rubriek over de in eerste aanleg onder mannelijke homoseksuelen heersende virusziekte AIDS.- Jaargang 29
- nummer 39
Het artikeltje begon zo: Al langer wilde ik deze kolommen iets schrijven over de onder homoseksuelen heersende ziekte AIDS, maar steeds stelde ik het uit. Je voelt je als iemand, die voor zijn ogen iets verschrikkelijks ziet gebeuren en het gelaat verbergt. Levens worden verwoest in angsten pijn en wij zouden toezien? De samenleving heeft de vrijheid van de homoseksuele mens geproclameerd, nu dreigt dezelfde samenleving hem op te sluiten in een getto. De wereld is wreed. Alles mag, maar we willen er niet ziek bij worden. Wie besmet moet weg". In OPBOUW van 21 juni nam Drs. Mooiweer het slot van mijn artikeltje over 'en betuigde er zijn instemming mee. Vervolgens ontving de redactie van OPBOUW een als "Ingezonden" bedoelde reactie van "De Werkgroep Homoseksualiteit in Christelijke Gereformeerde en Nederlands Gereformeerde Kring". Genoemde redactie stelde mij dit "Ingezonden" ter hand.
Laat ik er iets van mogen zeggen op een wat persoonlijker manier. Het gaat mij daarbij niet om de polemiek. Het stuk nodigt daartoe naar de inhoud ook niet uit.
Als het in een emotionele bui door een jongeman geschreven was, ik zou hem vragen eens langs te komen om te praten, Maar zo liggen de zaken niet. Het ds een reactie van de Werkgroep en ik neem aan, dat in en met die Groep gedoopte kin deren van Gods gemeente, verkeren, die daar steun zoeken in hun kwetsbare en lijdensvolle levenssituatie. Om hen gaat het mij, want een Groep, die ideeën huldigt als in het "Ingezonden" , verwoord, is niet in staat hen christelijk voort te helpen. We bevinden ons samen op kerkelijk erf en we zijn toch elkanders broeders, is het niet? Ik volg het "Ingezonden" op de voet en wil graag nog eens uitleggen, wat ik nu eigenlijk heb geschreven en wat mij daarbij bewoog. Nadat de Werkgroep heeft medegedeeld, dat hij met ontzetting kennisgenomen heeft van mijn artikel, schrijft hij als volgt: "Allereerst zijn wij in hoge mate verontwaardigd over de ongenuanceerde wijze waarop over mensen met AIDS gesproken wordt. Er wordt door Huizinga een direct verband gelegd tussen het verlaten van God, homoseksueel gedrag en heit krijgen van AIDS. Zoals de middeleeuwer een Godsoordeel ervoer in epidemische ziekten, zo zou AIDS een oordeel van God zijn over het verlaten van God. Hoe bitter moet dit zijn voor diegenen uit onze kring, die ondanks hun gelovige verhouding tot God toch met het AIDS-virus zijn besmet en nu te horen krijgen dat God zijn oordeel over hun hoofden uitstort, Wij denken daarbij laan mensen die via bloedtransfusie in aanraking kwamen met het AIDS-virus." Laat ik mogen beginnen met te zeggen, dat het bovenstaande zonder uitzondering conclusies van de Werkgroep bevat, ik heb dat alles niet geschreven. Ik heb daartoe naar mijn beste weten ook geen aanleiding gegeven. Het zou schandelijk zijn, als ik had durven' stellen, dat iemand die MDS krijgt via een bloedtransfusie, dat moet zien als een oordeel van God over zijn Godsverlating. Ik vind het erg, 'dat de Werkgroep mij zoiets in de mond 'legt. Over AIDS heb ik geschreven als over een teken voor homo en heteroseksuelen die God verlaten, welke de zondige weg ook moge zijn, die zij gaan; Wat bedoelde ik met dat "teken"? Men zou in engere zin kunnen zeggen, dat een mens niet sterft aan AIDS, maar aan een andere ziekte, bijvoorbeeld longontsteking, waartegen hij door de werking van het AIDS-virus geen weerstand heeft, Welnu, zo schreef ik:
"AIDS tekent in het lichaam, wat zich in de geest voltrekt van homofielen' en heterofielen, die God verlaten. Geen wapenrusting, geen weerstand tegen de machten van het kwaad."
Alle ziekten zijn niet gelijk AIDS wordt hierdoor gekenmerkt, dat de ziekte weerloos maakt. En dat is nu precies het verschrikkelijk gevolg van volhardend zondigen. Een zonde is naar zijn aard geen geïsoleerde daad. Het ergste oordeel van God over de zonde is dit, dat die zonde, indien wij ons niet bekeren, dóet zondigen. Het kan zover komen, dat God in Zijn toom zondaars' overgeeft, prijsgeeft, aan hun eigen onreinheid (Rom. 1, 24 e.v.). De Romeinenbrief citerende moet ik, om niet verkeerd begrepen te worden, wel zeggen, dat ik een christelijke homoseksuele jongen, die te ver gaat met een vriend, niet op een hoop gooi met de beestachtige toestanden die in dat hoofdstuk worden beschreven. Eerder ben ik bevreesd, dat
zulks in christelijke kring wel al te lichtvaardig is gebeurd. Waar het mij om gaat Is, dat de zonden waar Romeinen 1 van spreekt, gevolg zijn van andere zonden. Een uitbarsting staat niet aan het begin van de verkeerde weg, maar laan het eind. Dat zonde doet zondigen is een verschrikkelijke "wet", waarbij er- niets valt te schematiseren,' waarin een seksuele zonde niet anders is dan iedere andere ronde en die voor homofielen en heterofielen gelijkelijk geldt. Die tenslotte uitmondt in een eindtijdsituatie: wie onrecht doet; hij doe nog meer onrecht wie vuil is, hij worde nog vuiler (Openb. 22, 11). Van dat geestelijk proces, noemde ik AIDS, krachtens de aard van de ziekte, een teken in het lichaam.
Over een direct verband tussen het verlaten van God, homoseksueel gedrag en het krijgen van AIDS heb ik niet expliciet geschreven. Achtergrond was de onbeschrijfelijke verwording in homoseksuele centra, zoals een stad als San Francisco die kent, Ziekte is gestalte van de dood.
Als wij de samenhang van zonde, Dood en bordeel ontkennen; dan hebben we; er ook geen kijk meer op, dat gerechtigheid, genezing en vrijspraak bijeen horen.
Het gaat om het hart van het Evangelie. Er is lijden, dit het gevolg is van aanwijsbare, persoonlijke ronde. Er is lijden, waarbij een dergelijk verband ontbreekt. Er is lijden, dat de Boze Gods liefste kinderen aandoet. Er is tenslotte de kruisdood van de zondeloze Zoon des Mensen.
Nergens wordt het verband van de toorn van God, de zonde van de mensen en het lijden tot de dood ons indringender voor ogen gesteld dan op Golgotha, waar Jezus onze plaats bekleedde.
In iedere situatie van lijden, hoe onbegrijpelijk ook, is er het weten, dat de dood door de zonde in de wereld kwam. De Werkgroep moet mij geen schema's in de mond leggen, die ik verafschuw, om vervolgens ontzet te lezen wat ik geschreven zou hebben. Heeft David zich soms tragisch vergist, toen hij schreef in de 38ste Psalm: "HERE, straf mij niet in Uw room, want Uw hand is op mij neergedaald. Niets is meer gezond aan mijn vlees vanwege Uw gramschap, niets is heel aan mijn gebeente vanwege mijn zonde"? naar staat het verband expliciet geschreven: Gods toorn, mijn ziekte, mijn zonde. De Werkgroep mag wel weten dat ik, in het lijden dat ikzelf heb moeten ervaren, bijvoorbeeld toen mijn vrouw in een zonovergoten vakantie van de ene dag op de andere stierf, voor mijzelf tegen de HERE nooit heb durven zeggen: dit lijden heb ik op geen enkele wijze verdiend. Zoiets durf ik voor Zijn aangezicht niet te zeggen. De leden van de Werkgroep wel? Zelfs als besmetting met AIDS direct gevolg is van het liggen van een man bij een man") (Lev. 18,22). 'Het leven is vol van lijden, zonder dat verbrand met een concrete persoonlijke, zonde aanwijsbaar is. Waar hebben we het eigenlijk over "na Auschwitz"? De besmetting met het AIDS-virus door bloedtransfusie is één golf in die zee van leed.
Moeten wij elkaar helpen ons te verootmoedigen, als Gods hand ons tegenkomt, ook door elkaar Zijn geboden in herinnering te roepen, we moeten niet oordelen.
Anders gezegd, we moeten onszelf niet verheffen, zeker niet door op Gods rechterstoel plaats te nemen. En we mogen niet vijandig zijn. Christelijke vermaning is troost, geen geweld. Als de discipelen hun relatie leggen tussen de geschondenheid van de blindgeborene en diens veronderstelde zonde, dan wijst Jezus dat radicaal af: noch deze heeft : gezondigd, noch zijn ouders. Hij laat in die situatie zelfs geen' ruimte, om aan een algemeen zondebesef. te refereren (Joh. 9, 1-3). Als Pilatus het bloed van Galileërs mengt met hun offers, of als achttien de dood vinden onder het puin van Siloams toren, verwerpt Jezus de idee, dat dezen grotere zondaars waren (Luc. 13,1-5). Als David het Vletband van zijn zonde, zijn ziekte en Gods oordeel heeft gezien, sluit hij zich af Voor de vijanden en zegt: Gij immers zult antwoorden, Here, mijn God (Ps. 38, 12 e.v.).
Het moet onze bijzondere aandacht hebben, dat de worsteling van Job, om het lijden een plaats te geven en zijn bestaan uitmondt in de belijdenis van Gods grootheid als Schepper (Job 38-42): De oordelende drie vrienden vinden slechts verzoening door de voorbede van de door hen veroordeelde Job (Job 42, 8). Het gaat in het lijden primair om onze relatie tot God als onze Schepper. Als Petrus en Johannes, na verhoord te zijn, uit gevangenschap worden ontslagen en zich weer voegen bij de vanwege verdrukking in nood verkerende gemeente, roepen zij God als Schepper aan (Hand. 4, 24). Als Petrus de verstrooide christenen troost in hun lijden, vermaant hij hen hun zielen, dat is hun leven, over te geven aan de getrouwe Schepper (1 Petr. 4, 19).
Voor het kind van God dat lijdt naar de wil van God, verschijnt zijn hemelse Vader in de gestalte van zijn Schepper. Dat heeft de christelijke kerk begrepen, toen zijde zozeer aangevochten belijdenis van de zondagen negen en tien van de Heidelbergse Catechismus tot de hare maakte: als God de Vader mij in dit jammerdal kwaad toe schikt , doet Hij dit zodat Hij het mij ten beste keert. Voor de homofiel geaarde gelovige betekent dit,dat hij in de gemeenschap van alle broeders en, zusters de Weg naar zijn Schepper open houdt. Ligt een man bij een man, dat zullen zij zich terwille van hun behoud moeien afvragen, of zij zodoende Gods beeld vertonen, dan wel, of die levensweg wordt versperd.
De Werkgroep schrijft verder:
"Huizinga ziet de "geslachtsdaad" tussen twee mannen als geven zonder te ontvangen, "het leven sterft -in de lichaamsholten". Dit klinkt ons in de oren alsof alle mannelijke zaadcellen (en de vrouwelijke eitjes) bestemd zijn voor leven. Deze gang van zaken is kennelijk in strijd met het levenideaal, zoals Huizinga het leest in de Bijbel.
God heeft in zijn schepping de mens zo gemaakt dat miljoenen zaadcellen en eitjes iedere dag een natuurlijke dood /sterven. En begrijpen wij het goed dat homoseksuele mannen zich moeten onthouden van seksueel verkeer, om vruchtbaar te zijn in de gemeente 'van de Gezalfde? Maar zoals Huizinga schrijft: God discrimineert niet en ook heteroseksuelen kunnen zich dan beter onthouden. Of moet een deel van Christus' gemeente de lasten dragen voor de gehele gemeente?"
Ach, de Werkgroep had de schoolboekjeswijsheid over de miljoenen zaadcellen en eitjes nu maar in de pen moeten houden. Maar als men er dan toch over wil spreken, waarom niet gewezen op de voor onze discussie relevante verhouding van de zeer vele zaadcellen tegenover het enkele eitje? Die verhouding is op bevruchting gericht, niet op sterven. Als ik de Werkgroep goed begrijpt is de redeneergang als volgt: De Schepper heeft ons zo gemaakt, dat vele zaadcellen en eitjes sterven als een man gemeenschap heeft met zijn vrouw, dat gebeurt ook als een man ligt bij een man en dus is die daad scheppingsconform. Omgekeerd; als geen enkele zaadcel sterven mag, moet een man zich ook maar onthouden van gemeenschap met zijn vrouw; dan dragen tenminste allen in de gemeente de lasten.
Moet ik daar nu werkelijk op in gaan? Het klinkt mij in de oren als iemand die zegt: de Schepper heeft de bomen zo gemaakt, dat in de herfst hun bladeren vallen, dus mogen wij die bomen in de zomer wel ontbladeren. Het beeld lijkt mij terzake, want op de herfst doet de Schepper een nieuwe lente volgen, op ontbladering volgt het definitieve sterven. Heeft de Werkgroep ooit een kind het lichaam van een man tevoorschijn zien komen? Nee, dat heeft de Werkgroep niet, want álle zaad sterft in zijn lichaam, Conceptie is. onmogelijk. God heeft de vrouw, en haar alleen, een vruchtbare schoot gegeven. Mannelijk en vrouwelijk is krachtens de schepping beeld van de God van alle leven '(Gen. 1, 27). Mannelijk-en-mannelijk kan dat terzake van "gemeenschap" nimmer zijn. Ik meen dat dit bijbels is, niet alleen inhoudelijk, maar ook voor wat het woordgebruik betreft. De Schrift zegt 'Van Sara, dat haar moederschoot "gestorven" was en als God dan toch een .kind geeft, wordt Hij ons voorgesteld als de God die doden levend maakt (Rom. 4, 17 e.v.).
De Werkgroep heeft heel goed begrepen, dat ook homofiele broeders vruchthaar moeten (mogen) zijn in de gemeente van Christus. Zij kunnen dat, met hun heterofiele broeders en zusters, slechts dan zijn, als zij hun leven schikken naar de onderwijzing van de HBRE. Die vruchtbaarheid is een stralende belofte aangaande Sions toekomst, als de gebrokenheid van ons leven de wegen van onszelf uit heeft afgesloten: de kinderen van de eenzame zullen talrijker zijn dan die van de gehuwde (Jes. 54, 1). De huwelijksgemeenschap is beeld van de gemeente, niet andersom (Ef. 5, 32). In onze kerken komt het voor, dat kinderen zich om het doopvont scharen, als een nieuwe bondeling tin de gemeente wordt' ingelijfd; wellicht zou het beter zijn, dat de volwassenen gaan staan, opdat zij tien. In de gemeenschap van de kerk mag iedere “vruchtbare" zeggen: dat kind is ook van mij. Zo kun je hier 'en nu al zien, dat er op de nieuwe aarde geen huwelijk meer zal zijn. Van volwaardigheid zonder onderscheid gesproken! Waarom, denkt de Werkgroep, zou een jonge vrouw als Perpetua, die, een vruchtbaar leven nog voor zich had, zich aan het vuur hebben overgegeven? Omdat zij wist van de vruchtbaarheid in de gemeenschap van het lichaam van Christus. Zij wist van Ieven, daarom.
De Werkgroep vervolgt:
“Wij ervaren opnieuw dat mensen met homoseksuele gevoelens als zondebokken de woestijn ingestuurd worden om daar hun leven te verliezen. Er is in het verhaal van Huizinga geen enkele plaats om in de gemeente samen te, leven als heteroseksuelen en homoseksuelen, want het gaart: om de voortplanting, de vruchtbaarheid."
Dit is een verdrietig stemmende passage. Van een wil om te begrijpen wat ik schreef is nu weinig meer over. Ik heb gesteld, dat, de HERE niet wil, dat "een man ligt bij een man" en ik heb geprobeerd dat verbod te helpen verstaan aIs onderwijzing ten leven. Wie mij wil bestrijden moet uit de Schrift aantonen, dat de HERE zulks niet verbiedt, maar dat het Hem als onze Schepper behaagt. Ik ben er van overtuigd, dat wij onze gevoelens onder die geboden, die onderwijzing, gevangen moeten walen geven, wetende, dat de HE'R'E zeer barmhartig is en geen van Zijn kinderen boven hun vermogen beproeft. Hij is niet uit op onze ondergang, maar op ons behoud. Hij , weet wat maaksel wij zijn, want Hij is onze Schepper (Ps. 103, 14-18). Wij zijn niets, homofiel of heterofiel. Ik vraag mij af of de Werkgroep beseft wat zij zegt, als zij mij verwijt mijn homofiele broeders en zusters als zondebok de woestijn in te sturen om daar te sterven.
Dat betekent niet minder, dan dat ik hen zou willen verdoemen. Terwijl ik heb geschreven, dat wij met het evangelie naar de homobars moeten gaan, opdat laatsten de eerste zullen worden. De woestijn is onvruchtbaar, gevloekt gebied, want God onthoudt daar de bodem de zegen van regen. Wie dáár sterft, staat niet weer op. Maar wie 'in de gemeente sterft, zijn leven om Christus wil verliest, zal het behouden. Buiten de kerk is geen zaligheid. God verwerpt niemand vanwege zijn geaardheid, in Christus is noch man, noch vrouw. Hierom gaat het, dat wij vader of moeder, zoon of dochter, man of vrouw, vriend of vriendin, niet hebben boven Christus (Matth. 10,37-39). Dat er in Gods gemeente geen ruimte, geen plaats zou zijn voor broeders en zusters, homofiel of heterofiel, gehuwd of ongehuwd, die zich "onthouden" , omdat "het" zou gaan .om voortplanting, vruchtbaarheid, is een grote dwaasheid. Dat is namelijk de consequentie van walt de Werkgroep mij in, de mond 'legt. Mijn homofiele opposanten zouden hier eens bij kunnen stilstaan, hoeveel er door heterofiele kinderen van God niet geleden wordt in de gebrokenheid van ons bestaan, als het gaat over huwen, liefdesgemeenschap en vruchtbaarheid.
Het slot van het “Ingezonden" luidt als volgt:
"Tenslotte, drs Mooiweer heeft aan deze christelijke benadering niets toe te voegen. Het stemt ons bitter, dat hij die geroepen 'is om het heil te verkondigen slechts een boetepreek citeert, die opnieuw onheil sticht onder mensen, die eindelijk ruimte leken te krijgen om zichzelf te laten zien en zo als open en vrije beelddragers van de Schepper te leven in degemeenschep van Christus die ons waarlijk vrijmaakt."
Over de ruimte in Gods gemeente voor homofiele broeders en zusters en over hun beeld van God zijn, heb ik in het voorgaande voldoende gezegd. Ieder kind van God, dat leeft naar Zijn geboden, vertoont dart:beeld, homo of heterofiel, door Christus, uit dankbaarheid. De gemeente kan de verkondiging van die geboden door hem die het Woord bedient, dan ook niet ontberen.
Laat ik mogen afsluiten met een meer persoonlijke opmerking. Dat ik mij vrijwel beperkte tot mannelijke homofielen is gelegen in de omstandigheid, dat AIDS de aanleiding tot mijn artikeltje dn "Koers" was en dat die vreselijke ziekte onder hen woedt. Ik heb niet de preventie mij te kunnen verplaatsen in het lijden van mijn homofiele broeder. Maar ik heb wel weet van eenzaamheid, ais op je levensweg de gemeenschap met je meest beminde wordt afgesloten. Ook zijn mij bekend "oplossingen", die de pijn lijken ,te verzachten en die de HERE toch niet goed vindt. Als wij dergelijke "oplossingen' afwijzen, krijgt ons lijden, denk ik, de inslag van lijden naar de wil van Christus (1 Petr. 4,15 e.v.). Als het rover gekomen is, !dat het je teveel wordt, dat de geestkracht om te dragen je gaat ontbreken en het leven uit je 'Lichaam als in een diepe vermoeidheid lijkit weg te vloeien, dan troost ik mij met de gedachte, dat Jezus gezegd heeft: "Zalig, gij armen van geest" en ik begin het onbegonnen werk opnieuw, dag bij dag.