De wens van een blijde gedetineerde

1985-10-18
  • Jaargang 29
  • nummer 40
Gevangene Paulus heeft een verzoek. Hij doet een dringend beroep op de gemeente van Filippi. Daarmee valt hij de broeders en zusters niet rauw op het lijf. Hij leidt het omstandig in. Hij mag toch wel bij voorbaat rekenen op een positieve reactie (vs 1)?

Probeert u zich de gemeente van Filippi even voor te stellen op het moment, dat deze brief voor het eerst bij hen wordt, voorgelezen. Ze, houden van Paulus. Ze hebben werkelijk met hem te doen, dat hij daar in die akelige gevangenis moet zitten. Zullen ze hem niet in alles terwille willen zijn?
Zeg het maar, Paulus! Heb je kleding nodig? Heb je eten tekort? Moeten we, je wat vaker een kaart of een brief sturen? Je zegt het maar! We zullen doen wat we kunnen. En daar komt dan het verzoek: “...maakt dan mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn...! " Maakt mijn blijdschap volkomen!
D.w.z. de apostel is een blij en gelukkig mens. In die omstandigheden! Over gebrek hoor je hem niet (zie 4, 11). Kunnen de Filippenzen niets voor hem doen? Jazeker, ze kunnen hem nóg blijer maken door hun eensgezindheid. In plaats van eensgezindheid staat er letterlijk zoiets als "op hetzelfde bedacht zijn", d.w.z. één doel hebben, één gemeenschappelijk verlangen kennen. Dat is pertinent niet hetzelfde als gelijk denken over allerlei zaken. Bedoeld is niet een eenheid van opvatting, maar een eenheid van handelen. Een eenheid van ziel en geest. Dezelfde liefde met elkaar delen. Slechts één ding mag de gemeente· bezielen: de voortgang van het evangelie. In hoeverre is dat ook in ons kerkelijk leven een gemeenschappelijk erkend en bezielend, doel? Ik heb wel eens de indruk, dat ons geloof teveel een individuele zaak is. Ieder voor zich heeft een persoonlijke band met God. Bij de één wat sterker dan bij de ander.. Maar Paulus maakt duidelijk, dat het daarbij niet mag blijven. De gemeente moet als één lichaam bezield zijn door één geest, met één doel voor ogen en met één verlangen in het hart: Hoe wordt de zaak van Christus in Nederland, nog concreter: in dorp X of in stad Y het beste gediend? Hoe kunnen we ons daar sim en sterk voor maken? Hoe pakken we dat samen aan? Hoe zijn we daarin elkáár tot steun? Bij dit alles is er geen plaats voor ijdel eerbejag of voor trotse geldingsdrang (vs 2). Tja, wie heeft daar nu helemaal geen last van? Hoe groot is de verleiding om onszelf op de voorgrond te plaatsen? Maar nergens is het zo storend als in de dienst aan Christus! Liefde tot de ene Heer en voor de belangen van zijn Koninkrijk spoort aan tot zelfverloochening en de bereidheid tot het offer.
In vs 4 zegt Paulus letterlijk: “ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar juist op dat van anderen". Dat is wel heel kras uitgedrukt. En beslist niet naar de mens gesproken.
Een dergelijke houding is ook alleen maar mogelijk als de gezindheid van Christus ons gaat bezielen.
Voor Hem was de offerbereidheid en de zelfverloochening immers karakteristiek. Als Christus op zijn eigenbelang had gelet, dan zou het nooit Kerst geworden zijn en zeker geen Goede Vrijdag. Maar ook het Paasfeest of de Hemelvaart hadden dan nooit kunnen worden gevierd.
Christus heeft zich echter niet aan zijn hemelse en Goddelijke positie vastgeklampt als aan een fel begeerde buit. Hij gaf het alles op voor de belangen van mensen zoals u en ik, aan wie Hij nou bepaald niet zoveel plezier beleefde of beleeft. Maar bewijst Christus' kruisdood niet, dat zelfverloochening onze ondergang betekent? En dan roepen alle apostelen in koor: Ja, de rebelse, tegen God opstandige en zijn naaste hatende mens gaat zo ten onder. Maar

Zoals de Christus is verrezen door 's Vaders heerlijke overmacht,
zo zijn ook wij aan 't licht gebracht om nieuw te leven,
zonder vrezen, nu en na dezen. (Lied 87, 5)

Voor de verbreiding van dit heerlijke evangelie is onze onderlinge eensgezindheid nodig.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief