Bemoediging
1984-09-21
We krijgen de indruk dat Timotheüs soms wat bangig is geweest en dat hij wat klein van zichzelf dacht. De apostel Paulus bemoedigt ,,zijn kind" bijzonder. Ik denk aan 1Timotheüs 1 : 3-7. Bij het begin van een nieuw seizoen en/of bij bevestiging van nieuwe ambtsdragers kunnen we er heel wat van meenemen.- Jaargang 28
- nummer 35
Ik citeer eerst de tekst: 3. Ik breng dank aan God, dien ik, evenals mijn voorouders met een rein geweten dien, dat ik u onophoudelijk mag gedenken in mijn gebeden, dag en nacht; 4. immers, als ik denk aan uw tranen, verlang ik u te zien, om met blijdschap vervuld te worden; 5. en dan komt mij voor de geest uw ongeveinsd geloof, zoals het eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs en uw moeder Eunice en ook - daarvan ben ik overtuigd - (woont) in u. 6. Om die reden herinner ik u eraan de gave Gods aan te wakkeren, die door mijn handoplegging in U is. 7. Want God heeft ons niet gegeven een geest van lafhartigheid, maar van kracht, liefde en bezonnenheid.
Paulus zegt vier dingen.
Ten eerste
komt hij Timotheüs vertellen dat zijn oprecht geloof eerst geweond heeft in zijn moeder en zijn grootmoeder. Ik mag dat natuurlijk vertalen met: in mijn vader en mijn grootvader. Maar waarom zouden we onze moeders niet voorop laten staan? Nu zou je kunnen zeggen: het geloof van elk mens is een nieuw geloof, voortgekomen uit een nieuwe daad van God: een nova creatio, een nieuwe schepping.
Maar Paulus heeft het over: "jouw oprecht geloof" dat eerst gewoond heeft in je moeder en je grootmoeder, of liever: andersom: in je grootmoeder en je moeder. Het gaat er om, dat er maar één echt geloof is: een mateloos vertrouwen op God. En dat dat geloof in de keten van geslachten uitgebouwd wordt door één en dezelfde Schepper.
Mijn geloof is geen nouveauté, maar het is nieuw als de top van een telescoophengel. De bouwer maakte eerst het dikke stuk (mijn overgrootvader) en toen later de stukken naar de spits toe. En God
bedoelde Timotheüs te bouwen, toen Hij Loïs riep. Daar ligt een enorm stuk troost in.
Timotheüs denkt in zwakke ogenblikken wel eens dat hij niet verder kan en gaat vallen en opgeven. Dan zegt Paulus: Denk dat maar niet. Dacht je dat de Here zijn werk in Loïs en Eunice zou laten vallen? Het geeft me een stuk vastheid te bedenken dat ik met mijn geloof zit in de houder van het geloof van mijn vader en grootvader en grootmoeder. Ik begrijp nog beter waarom een goede biograaf altijd begint bij de ouders en soms zelfs bij de grootouders. Ik ga mezelf zelfs heel erg thuis voelen bij vader Abraham: Hij moest net zo geloven als ik en ik als hij: opstanding der doden, nieuwe aarde? Ik zie er ook niks van. Wat geeft het een kracht jezelf te zien niet als product van de geslachten, maar als product van Gods werk in de geslachten.
Ten tweede
Paulus komt met een stuk hartelijkheid.
Hij zegt vier keer dat hij zo vaak aan Timotheüs denkt.
Ik denk altijd aan je in mijn gebeden.
Ik denk telkens aan je tranen (wat had je het te kwaad, bij ons afscheid).
Ik denk telkens aan je oprechte geloof.
En: zo vaak ik aan je denk heb ik behoefte om God te danken.
Dat is zo ongelooflijk hartelijk: een mannen arm om een mannenschouder!
En Timotheüs denkt: Ik ben toch blijkbaar niet zo'n knuppel als ik zelf soms denk dat ik ben.
Als Paulus (die precies weet waar mijn zonden en zwakke plekken liggen) er zoveel behoefte aan heeft om God te danken om mij... Ik denk dat Timotheüs er stil van geworden is.
Op die manier moeten we elkaar bemoedigen: onze gevoelens ten opzichte van elkaar spontaner en hartelijker onder woorden brengen.
Dat ligt ons natuurlijk niet.
Wij zijn zulke noordelijke ijspegels.
We huilen niet (hoewel Jezus het deed). En we zijn bang om stroopsmeerders te worden.
Daarom denken we wel bij onszelf: "Ik waardeer die man of die vrouw heel erg." Maar zeggen doen we het natuurlijk niet.
Wat is dat jammer. We doen anderen en onszelf tekort. In de kringen waarin we in Amerika verkeerden ging dat anders. Daar sloegen de mannen elkaar op de schouders en de dank en waardering spatten eraf. Waarom zouden we tegen mannen, die als nieuwe ambtsdragers aantreden niet zeggen wat we denken: "We zijn God erg dankbaar voor wat Hij in jullie geeft. We waarderen jullie werk zo!"
Ten derde
Iedereen voelt zich wel eens leeg en slap. Timotheüs moet er dan aan denken dat God hem een charisma (een genadegave ) gegeven heeft door de oplossing van Paulus' handen. Paulus denkt aan de dag waarop Timotheüs bevestigd werd. Er was een profetenwoord en alle oudsten legden hem de handen op, 1 Tim. 4 : 14. Die massale handoplegging is bij ons in onbruik geraakt. We moeten er maar eens over nadenken of dat goed is. Het ging natuurlijk niet om een toverhandeling. Maar om uitstorting van de Heilige Geest.
Ik stel het me zo voor: De Here had Timotheüs een gave gegeven.
Het profetenwoord heeft die gave openbaar gemaakt. Bij de handoplegging is die gave losgeschoten door de Geest. Misschien was het de gave van de prediking en misschien heeft Timotheüs vanaf dat moment het woord verkondigd op een wijze waarvan ieder zei: Wat heerlijk!
In ieder geval dreigt Timotheüs nu te vergeten dat hij die gave kreeg. Hij voelt zich klein en niet tegen zijn taak opgewassen.
Dan moet hij zijn geheugen opfrissen: je bent veel meer waard dan je weet. Herinner je wat je kreeg! Een woord voor ieder van ons, want we hebben allen een eigen gave gekregen, 1 Kor. 12 en we zijn allemaal erg belangrijk. De narigheid is dat we in tijden van neerslachtigheid vergeten. Dan moeten we elkaars ogen lenen en ons eigen geheugen gebruiken. En ons wakker laten schudden: we hebben dat soms nodig.
Ten vierde
Nu volgt een opwekking tot zelfdiscipline.
Denk eraan dat je de genadegave aanwakkert.
Dat korte bevel doet een beetje aan als opstopper. Vooral die opmerking over die geest van lafhartigheid.
Dat is nogal een harde. Maar ik moet toegeven dat ik soms pas weer vooruit ga nadat de één of ander mij zo'n dreun verkocht heeft. Wat dat aanwakkeren betreft: God heeft ons zijn charisma niet gegeven in de vorm van iets constants. Maar in de vorm van een gloeiende kool en ik moet die aanblazen. Ik heb een voorbeeld voor bij de hand nu ik juist terug ben van een zwerftocht door de Rocky Mountains.
's Avonds op de camp-site hakten we hout en we stookten een vuur en we gingen vlees en maïs roosteren. Als je dan 's morgens uit je tent kwam en goed keek zag je het vuur nog smeulen in de vuurplaats. Dan op je knieen en blazen en dan had je soms binnen een paar minuten al weer spelende vlammetjes en 'n vuurtje voor de thee. Dat is precies het beeld dat het hier doet. God geeft ons zijn gave altijd zo dat je er wat mee moet doen. Je kunt een gloeiende kool aanblazen.
Maar je kunt ook niets doen: dan gaat hij uit. Dat is heel griezelig.
Gods gave vraagt van ons zelfdiscipline: gebed en Schriftlezing en je weer storten in het waagstuk van het geloof. Het oude bevestigingsformulier zegt dat de ouderlingen Gods Woord naarstig moeten doorzoeken en zichzelf gedurig oefenen in de verborgenheden van het geloof.
Ik zou eraan toe willen voegen: en dan weer overgaan tot de daad van vader Abraham. Je zult eens zien wat een vlam er dan komt. Ook de vermaning hoort tot de bemoediging.