Gedachtenwisseling over de aardsgezindheid (3)

1984-09-21
  • Jaargang 28
  • nummer 35

'Geestelijke boterhammen'
In mijn vorige artikel gebruikte ik een paar maal de uitdrukking geestelijke boterhammen. De lezer zal zich herinneren dat dr Spijkerboer als eerste die term bezigde. Hij deed dat in de sterkste passage van zijn hele artikel, die trouwens ook zeer kenmerkend voor hem is. Want dr S. is vóór alles een nuchter theoloog die graag met zijn belde benen op de grond blijft staan. Het zijn deze woorden als kommentaar op Jezus' opwekking van het dochtertje van Jaïrus: "Als alles zo was zoals De Jong het voorstelt had Jezus nooit gedaan wat Hij wel doet: Hij gaat naar binnen, vat het kind bij de hand, en zegt: Kind, sta op! Dan komt haar geest in haar terug, ze staat op en Jezus zegt dat men haar te eten moet geven. Het dochtertje van Janus heeft toen geen geestelijke, maar aardse boterhammen gegeten."

Toen ik deze passage voor het eerst las, voelde ik me een beetje in de grond wegzakken: daar ga je nou met je overgeestelijke luchtkasteel, dacht ik. Maar bij nader inzien vind ik de triomf van Spijkerboer toch wat goedkoop.
Wel illustreert hij met zijn woorden hoe sterk wij allen in de greep zitten van de valse tegenstelling tussen Geest en aarde.
Wij gaan daar altijd weer de griekse kant mee op: geest en stof. Maar in de Bijbel staan de Geest van God en de aarde van God niet in een tegenstelling tot elkaar. Net zo min als de Goddelijke natuur en de menselijke natuur in de Christus tot elkaar in antithese staan. De Goddelijke natuur omgrijpt immers de menselijke "Want dewijl de Godheid door niets kan worden ingesloten en overal tegenwoordig is, zo moet volgen dat zij wel buiten haar aangenomen mensheid is, en nochtans niettemin ook in haar is en persoonlijk met haar verenigd blijft", - om de Catechismus nogmaals in verband met de hemelvaart van Christus aan te halen (antw. 48).
Zo nu ook omgrijpt Gods Geest Gods aarde, met als resultaat een 'geestelijke aarde', die niet is een verdampte aarde, maar een konkrete aarde die geheel aan God ter beschikking staat.
Geest en aarde verhouden zich bijbels gesproken dus niet als twee cirkels tegenover elkaar, maar als een grotere cirkel die een kleinere in zich bergt. Derhalve kan Gods Geest uiterst konkreet zijn, tot in het verschaffen van boterhammen toe.
Ik ben dus van mening dat dr S. geen goede redenering volgt als hij schrijft dat het dochtertje van Jaïrus na haar opwekking geen geestelijke maar aardse boterhammen heeft gegeten. Dat hoeft namelijk geen tegenstelling te zijn.
Aardse boterhammen zijn geestelijke boterhammen als ze uit handen van God-in-Christus ontvangen en in zijn gemeenschap genoten worden. Van hieruit bezien krijgt het betekenis dat het in het bijbelverhaal Jezus was die beval dat men het meiske te eten zou geven. Dat predikt ons dat ze voortaan uit de hand van haar Verlosser zou leven.

Christus, het ware brood
Dr Spijkerboer voert ook het wonder van de vermenigvuldiging der broden tegen mij aan.
"Als het allemaal zo was als De Jong het voorstelt, is het niet te begrijpen waarom dat in het evangelie verteld wordt". Waarom niet, vraag ik me af. Ik denk aan Johannes 6, waar het broodwonder geëvalueerd en in z'n ware betekenis ontvouwd wordt.
Wanneer Jezus ziet met wat voor een platte aanhankelijkheid de mensen op de brood-vermenigvuldiging reageren, doet Hij het verwijt: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, gij zoekt Mij, niet omdat gij de tekenen gezien hebt, maar omdat gij van de broden gegeten hebt en verzadigd zijt" (Johannes 6 : 26). Hadden zij de tekenen wèl gezien, dat wil zeggen: hadden zij het vermenigvuldigde brood als teken gezien, dan zouden ze dit konkrete brood als geestelijk brood uit de hand van God-in-Christus ontvangen hebben. Nu zij zich door dit teken niet bij God-in-Christus lieten brengen, was hun honger naar meer van dat wonderbrood een uitdrukking van hun aardsgezindheid.
Verderop duidt Jezus Zichzelf aan als het brood dat uit de hemel is neergedaald.
Neemt Hij daarmee als het ware het konkrete brood-wonder terug, om op een meer geestelijke waarde over te stappen? Nee, in de ene en ongedeelde wereld van de Geest klimt Hij op van het niet-blijvende tot het blijvende: "het brood dat Ik geven zal, is mijn vlees, voor het leven der wereld" (vs 51). Het gehele hoofdstuk is een warm pleidooi om het konkrete honger-vraagstuk in de wereld niet los van God-in-Christus aan de orde te stellen. (Zie hiervoor ook: H. N. Ridderbos, 'De kerk in het krachtenveld van de tijd', in 'Wijkende Horizon', Kampen 1983, speciaal p. 35 v.).

Los van de aarde
Maar had ik niet geschreven dat de Heilige Geest ons van deze wereld losmaakt? Inderdaad, en dat was ook geen 'slip of the pen'. Dat hangt namelijk hiermee samen dat we in een gevallen wereld leven. Dat wil zeggen, in een wereld en op een aarde die zelf losgemaakt is van God. Wij leven in een wereld die van God is vervreemd. Daar roept Christus ons uit weg in de navolging. Hij sommeert ons om gelijk de rijke jongeling alles te verlaten: 'ossen, vrouwen, akkerland' (Revius). En dan?
Wordt ons bestaan dan geestelijk in de zin van schimmig? Integendeel, we krijgen juist alles 'honderdvoudig terug', maar ...
in het koninkrijk van Christus en volgens het regiem van de Geest. Dat wil voor wat ons verblijf in deze wereld zeggen: 'huizen, broeders, zusters, moeders, kinderen en akkers, met vervolgingen' (Markus 10: 30). Die vervolgingen namelijk maken het bezit van huizen en akkers tamelijk betrekkelijk; we krijgen die slechts inzoverre de Heilige Geest ze goed en nodig voor ons vindt. En hetzelfde geldt voor onze politieke invloed. Soms is ons die in de geschiedenis zo lange tijd achter elkaar gegund geweest dat we er gewend aan raakten. Maar dan opeens wierp de Geest ons uit onze verworven posities en joeg ons de woestijn in. Maar ook daar kwam dan 'de aarde de vrouw te hulp' (Openb. 12: 16). De aarde en haar volheid staan Christus in de letterlijke zin van het woord ter beschikking, Hem is alle macht daarover gegeven. Het radikale van deze optiek ontgaat ons nog veel te veel. Wij denken dat het verschil tussen het onverloste en het verloste leven in deze wereld dit is, dat het eerste leeft 'bij brood alleen' en het laatste bij brood en iets 'geestelijks' daarop. Maar Christus heeft tegenover elkaar gesteld: enerzijds het brood alleen, dat is het van God losgemaakte brood der aardsgezindheid, en anderzijds 'het Woord dat uit Gods mond uitgaat' (Deuteronomium 8 : 8; Mattheüs 4 : 4). Het is dit Woord dat ons voorziet van brood, vergeving der zonden en het eeuwige leven (zie het Onze Vader). Dit lagere en dit hogere, het is alles Geestesgoed. Maar de Geest moet ons eerst van de aarde-zoals-ze-is losmaken, om haar als geestelijk goed aan ons terug te geven.

De leer van de schepping is voluit christelijk
Maar predikt het geloofsartikel van de schepping dan al niet luid genoeg dat de aarde en haar volheid van de Here zijn? En verschaft dit belijden omtrent de schepping ons niet een podium waarop we samen met de wereld voor de belangen van deze aarde kunnen opkomen? Ik denk dat dit wat te optimistisch gedacht is. Een voorbeeld. De 'schepping uit het niets' van Isaäk, was die indrukwekkend of niet? Je zou zeggen dat geen mens die haar had meegemaakt, daar ooit meer van zou kunnen los komen. Maar waarom neemt de Here God dan op een later tijdstip Isaäks leven door het offer-bevel als het ware van de aarde weg om het door een nieuwe schenking als door de dood heen aan Abraham terug te geven?
Moest het aan God toebehoren van. Isaäk op een nog radikaler wijze gepredikt worden?
Inderdaad. De leer van de schepping moet namelijk in een gevallen wereld door die van de verlossing levendig gehouden worden. Anders vervaagt ze tot een 'ja, natuurlijk!' en is ze niet langer een kracht tot christelijk handelen. De leer van de schepping is bijbels gezien een voluit christelijke leer. Dat wil zeggen dat als de kerk over de schepping spreekt, zij dat alleen vanuit Christus en zijn Geest mag doen. Gaat het dan over de vrede, dan moet de kerk daarover spreken op het niveau van Johannes 14: 27: "Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u". Christus spreekt van zijn vrede en stelt die tegenover die van de wereld. Toch vergelijkt Hij beide vredes en dat verbiedt ons om de zijne op te sluiten en te beperken tot de vrede des harten. Christus geeft zijn vrede als adempauzes op zijn weg van vervolging en ontbering door de geschiedenis. Hij geeft die ook in tijden van oorlog, nog eens: niet maar als gerustheid des gemoeds, maar als konkrete levensharmonie en -ontplooiing in dienst van het koninkrijk. Nooit zal ik dan ook de indrukwekkende prediking vergeten die professor Van Niftrik op een vredeszondag rond 1970 in de Westerkerk van Amsterdam hield over de tekst Romeinen 5 : 1: "Wij dan, gerechtvaardigd uit het geloof, hebben vrede met God door onze Here Jezus Christus ... ", een preek waarin hij op fijne wijze de oudtestamentische breedte van het thema paarde aan de nieuwtestamentische diepte. Die werden toen nog niet tegen elkaar uitgespeeld.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief