Gedachtenwisseling over de aardsgezindheid (4)

1984-09-28
  • Jaargang 28
  • nummer 36
Bij dit laatste artikel wil ik mijn uitgangspunt nemen in een passage van dr Spijkerboer waarin hij op puntige wijze het verschil tussen ons beiden tracht aan te geven. "De Jong zegt: 'Het is waar, deze wereld is ook van God, maar dat is des te erger voor haar'. Ik meen dat je moet zeggen: 'Deze wereld is van God' en daarin ligt haar kans, Dat moet de kerk haar dan ook zeggen'." De suggestie is hiermee gedaan dat ik als gevolg' van mijn opvatting aan de wereld eigenlijk geen boodschap zou hebben. 'Graag zou ik die indruk wegnemen.
Ook volgens mij is het zo dat zelfs de twee getuigen op de straten van de grote stad (zie daarvoor Openbaring 11) met hun bekeringsprediking nog de weg der zaligheid zullen wijzen. Het heden der genade loopt pas af op de jongste dag. Als dr S. dat bedoelt dan val ik hem graag bij, - zoals trouwens uit het geheel van mijn artikelen over de aardsgezindheid ook wel blijken kan.
Maar dat deze wereld van God is en dat daarin haar enige kans ligt, zoals dr S. het tegenover mij stelt, dat vind ik toch een onscherpe formulering van de prediking der kerk. Laat ik dat met een voorbeeld toelichten. Wanneer ik op straat vandalen bezig zie een telefooncel te vernielen en ik stap (gesteld dat ik het zou' durven) van mijn fiets en zeg: deze kabine is eigendom van de gemeenschap, dan vind ik niet dat ik bezig ben voor die vandalen kans-openend te spreken.
Ik waarschuw hen en pas wanneer zij van die waarschuwing onder de indruk komen en zich angstig in allerlei bochten gaan wringen om aan de rechtsgevolgen van hun wandaad te ontsnappen, pas dan zou er plaats zijn voor de meer geruststellende boodschap dat de vertegenwoordigers van de gemeenschap nu ook weer geen onmenselijke barbaren zijn tegenover wie vrees voor straf de enig mogelijke houding is. Zo nu ook vind ik del boodschap dat deze wereld van God is voor een gevallen wereld in de eerste plaats bedreigend) Slaat deze dreiging aan dan is er vervolgens ruimte voor het evangelie dat God deze wereld alzo lief gehad heeft dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft opdat een ieder die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven hebbe. Zeggen tegen de wereld dat ze van God is en dat daarin haar enige kans ligt, dat is mijns inziens een prediking van God buiten Christus om, van de schepping buiten de verzoening om, van de genade buiten het oordeel om.

Gods 'algemene genade'
Nu weet ik wel dat hier een probleem ligt. Er is immers ook zoiets als een algemene genade van God, een bemoeienis van de Schepper met zijn schepping dit) niet rechtstreeks over Golgotha lijkt te lopen. God doet zijn zon opgaan over bozen en goeden en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. De Almachtige bekommert zich zelfs over het vee van Ninevé (Jona 4 : 11). In deze bekommernis van God mag de gemeente delen.
Dat is haar zelfs geboden.
Er is ons veel aan gelegen dat de schepping zorgvuldig beheerd wordt. Zo immers wordt het heden der genade geprolongeerd en blijft er ruimte voor de evangelieverkondiging.
Wanneer de kerk onder deze optiek ook iets zegt over oorlog en vrede, dan acht ik dat een goede zaak, al zou ik dat niet het oprichten van een teken van de toekomende wereld noemen, zoals dr S. doet.
Alles komt namelijk aan op het raam waarbinnen dat gebeurt.
Gods algemene genade en de verplichtingen die daaruit voor ons voortvloeien kunnen mijns inziens niet tot een zelfstandig thema van de verkondiging worden gemaakt. Die algemene genade is toch steeds de ruimte waarbinnen naar Gods bijzondere genade gezocht moet worden.
Naar het woord van Paulus: " ... beseft gij niet dat de goedertierenheid Gods u tot boetvaardigheid leidt?" (Romeinen 2 : 4). Wat ik nu evenwel konstateer is dat in het moderne kerkelijke spreken de algemene en de bijzondere genade van God dooréén worden gemengd met als uitkomst dat Gods algemene genade Gods eigenlijke genade wordt en dat Hij niet meer dan die ene zegen voor de wereld heeft. Ook Christus met zijn heilswerk staat, zo lijkt het wel, in dienst daarvan.

Het aardsgezinde spreken van de kerken
Deze ontwikkeling betreur ik.
De zaak zou voor mij anders liggen als ik in de nederlandse geloofsgemeenschappen, zoals die door de Raad van Kerken vertegenwoordigd worden, een hartelijke zorg voor het eigenlijke van het evangelie zou opmerken; als zij geen gelegenheid lieten voorbijgaan om de nederlandse samenleving met de boodschap van de verzoening in Christus en om Christus wil aan te spreken.
Als dan in het kader dáárvan de wereldse overheden werden opgewekt om de onderlinge vrede te bewaren en zo voor hun deel mee te werken aan de onbelemmerde verbreiding van het evangelie, dan zou niemand mij horen reppen over aardsgezindheid.
Maar het ligt helaas anders. Ik denk hier bijvoorbeeld aan de kans die genoemde Raad onlangs verzuimde om op te komen voor het belang van de zondagsheiliging, toen het ging om de vraag of de eerstvolgende viering van de vijfde mei niet van de zondag naar de maandag zou moeten worden verplaatst. De zondag is toch bij uitstek de dag van de evangelieverkondiging en vertegenwoordigt daarin een exklusief christelijk en kerkelijk belang.
Maar nee, de christelijke kerk komt vandaag alleen maar op voor belangen waar ook het socialisme zich achter kan stellen: pacifisme, anti-racisme, anti-kapitalisme en noem maar op.
Zodra er iets specifiek christelijks boven de horizon verschijnt dat om bevordering vraagt, dan zegt de Raad van Kerken 'mijn naam is haas'. Het verzuim dat ik hier signaleer is helaas geen incident maar symptoom. En het is op grond van dit symptomatische spreken dat ik de nederlandse christenheid van aardsgezindheid verdenk. Dr Spijkerboer schrijft: "Kan het dan ook niet voorkomen dat een synode, door over oorlog en vrede te spreken, midden in deze onverloste wereld een teken moet oprichten van de wereld die komt?
Waarom acht De Jong het uitgesloten dat de hervormde en gereformeerde synodes en de Raad van Kerken dat bedoeld hebben?" Ik moet antwoorden dat ik deze argeloosheid niet (meer) kan opbrengen. Het tegenwoordige spreken van synodes en raden over oorlog en vrede is voor mij niet 'een teken van de wereld die komt', - tenzij ik deze uitdrukking in binnenwereldse zin versta, zoals Dorothee Sölle doet.

'Wereld' en 'aarde'
Een laatste punt dat ik in onze diskussie wil aanstippen betreft het verschil tussen 'wereld' en 'aarde'. Dr S. schrijft: " ... je ontkomt niet aan de indruk dat voor hem (dat ben ik, De J.) de Heilige Geest ons niet alleen van deze wereld maar ook van de aarde losmaakt." Ik begrijp wat Spijkerboer bedoelt. Voor hem is 'wereld' in dit verband meer een geestelijke sfeer-aanduiding, terwijl 'aarde' op het konkrete van de schepping doelt. Hij zou mij dus, zo schat ik het in, in een protest tegen wereldsgezindheid beter kunnen volgen dan in een protest tegen aardsgezindheid.
Nu heb ik al gezegd dat mij dit toch een vergeestelijking in de zin van een verdunning van het heilswerk van Christus lijkt.
Niet alleen de wereld maar ook de aarde moeten we aan de ingang van Gods koninkrijk inleveren om ze beide uit Christus' handen terug te ontvangen, voorzover Hij dat voor ons nodig acht. Ik wil dit zeggen nu nog onderbouwen met de exegetische waarneming dat 'wereld' en 'aarde' inderdaad niet op de manier van dr Spijkerboer uit elkaar te halen zijn. Ze worden in het Nieuwe Testament beide van een min-teken, en ze worden evenzo beide van een plusteken voorzien. Van elk dezer uitspraken een voorbeeld. In de samenhangende passage Collossenzen 2 : 16-3 : 4 lezen we in de verzen 20/21 : " ... waartoe laat gij u, alsof gij in de wereld leefdet, geboden opleggen: raak niet, smaak niet, roer niet aan ... ?", terwijl 3 : 2 zegt: "Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn". 'Wereld' en 'aarde' verschijnen hier samen onder een negatief aspekt.
Maar in Efeziërs 6 : 2 komen we het vijfde gebod tegen: "Eer uw vader en uw moeder... op dat het u welga en gij lang leeft op aarde", terwijl Paulus in Romeinen 4 : 13 zegt dat Abraham de belofte had "dat hij een erfgenaam der wereld zou zijn".
'Aarde' en 'wereld' glanzen hier beide in het licht van de belofte.

Gnostieken en modernen
Er loopt geen naad door de schepping, noch door de zondeval, noch door de verlossing. Ze zijn alle drie totaal en all-in.
Zodoende kunnen de gnostieken in Colosse getypeerd worden als wereldsgezind en aardsgezind, hoewel zij zelf volgens de bekende griekse onderscheiding 'geest-stof' zeer nadrukkelijk op de kant van de 'geest' wilden staan. Hier blijkt dan ook dat deze machtige, invloedrijke en de geschiedenis verregaand bepalende onderscheiding tussen 'geest' en 'stof' een binnenwereldse onderscheiding is. En of de nadruk nu valt op 'geest' of op 'stof', dat is een kwestie van wisselende mode, zoals de geschiedenis ook laat zien. Het valt dan ook te verwachten dat het kerkelijke spreken dat nu nogal 'stoffelijk' is, wel weer eens een draai zal nemen naar het 'geestelijke' toe. Maar een echte bekering zal dat niet zijn. En zo kom ik dan tot de ook voor mijzelf onthutsende konklusie dat èn de gnostieken van vroeger èn de moderne christenen van vandaag gelijkelijk getroffen worden door deze bijbelse typeringen: 'alsof zij in de wereld leven' en 'bedenkers van de dingen die op de aarde zijn'.

Tot zover mijn beantwoording van dr A. A. Spijkerboer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief