Als de structuren niet deugen
1984-10-05
Blijdschap was er, algemene blijdschap over een volkomen, naar een meer ruime denkwijze ingericht herstel van het kerkwezen, voornamelijk bij de hervormden ... Blijmoedig begon bij het ganse volk, de godsdienst te herleven, die onder alles wel niet bezweken maar zeer verflauwd was. Een vorst op de troon, geliefd bij het volk, bracht aan de godsdienstige stemming alle veerkracht toe.- Jaargang 28
- nummer 37
Gewisselijk waren in dezen de beweegredenen van de vorst geen andere dan teneinde de goddelijke leer der waarheid, die naar de godzaligheid is, een onbelemmerde ingang bij allen vinden, zedelijkheid en deugd zich meer onder alle christenen verspreiden èn in de burgerstaat algemeen zich vestigen mocht voorspoed, heil en geluk.
Ypeij en Dermout.
Geschiedenis van de Nederlandsch-Hervormde Kerk, IV. (1827)
Maar nu legde Z.M. aan de Kerk een organisatie op, die met het wezen en karakter der Gereformeerde Kerk ten enenmale in strijd was.
Zich zelf het opperbestuur der Kerk toeëigenende, onttroonde koning Willem I daarmee de enige Koning der Kerk Jezus Christus.
Het was een daad van revolutie in de hoogste graad.
Rullmann.
De Afscheiding.
Wat was het?
Een uit de hand gelopen domineesruzie. Een conservatieve reaktie tegen de invoering van nieuwe bestuursvormen. Een conflict tussen modernisme en orthodoxie. Het zijn slechts drie benaderingen van het zo complexe verschijnsel van de Afscheiding.
Alle drie vinden ze aanhangers; voor alle drie is ook wel iets te zeggen. Maar wat is nu het meest accuraat?
Het verschijnsel van de Afscheiding zal ons op een aantal punten wezenlijk duister blijven, als we niet kijken naar de kerk waaruit de Afgescheidenen weggingen.
De kerkenordening de Nederlands-Hervormde Kerk, oftewel het Reglement van 1816, heeft in zijn ontstaan, werkwijze en lotgevallen een groot deel van de ontwikkelingen binnen het vaderlandse Protestantisme (mede) vorm gegeven. Als je dat Reglement volgt - ook in zijn effekt - dan wordt een aantal zaken in de vorige eeuw duidelijk( er).
Misschien is dit niet voor iedere lezer even interessante stof; mogelijk vindt u, waarde lezer, het zelfs saai en vervelend. Helaas dan! Het is namelijk wel belangrijk.
Een nieuwe Lente, een zeer nieuw geluid
Nauwelijks was Napoleon verslagen - de beslissende Slag bij Waterloo was een jaar tevoren gevoerd en Nederland had juist definitief haar eerste Oranjevorst - of er kwam een nieuwe kerkenorde. Koning Willem I, die je grote daadkracht niet ontzeggen kan, had zijn persoonlij ke gewicht in de schaal geworpen, toen het nodig werd geoordeeld dat de Restauratie, het herstel van de oude voor-napoleontische bestuurstructuren, ook de vaderlandse Kerk zou omvatten.
Op 7 januari 1816 aangekondigd, kreeg het Reglement op 1 april officieel zijn werking. Met verregaande consequenties, zoals we nog zullen zien. Een aantal kenmerken van dat Reglement op een rij gezet:
1. Het bestuur over de kerk, die voortaan de Nederlandsche Hervormde Kerk zou heten, werd opgedragen aan de algemene synode, de provinciale synode, de classicale besturen en de kerkeraden.
2. De synode zou bestaan uit tien predikanten (één per provincie, met inbegrip van een Waalse predikant) en één (oud)ouderling. De vorst voegde een vaste secretaris en een vaste quaestor toe (resp. uit Den Haag en Amsterdam afkomstig). De koning benoemde ook twee secretarissen-politiek, overheidsambtenaren.
3. De eerste keer werden de synodeleden rechtstreeks door de koning benoemd; later zou de kroon dat op voordracht doen.
4. De classicale vergaderingen waren de enigen die de kerk rechtstreeks vertegenwoordigden.
Ze zouden bestaan uit alle predikanten in een classis en een aantal ouderlingen.
Ze zouden echter geen bestuursbevoegdheid hebben, maar één keer per jaar bijeenkomen en daarbij wat voordrachten uitvoeren en wat verslagen aanhoren.
5. Waar mogelijk zouden kerkeraden komen. "In alle gemeenten, waarin de stof daartoe niet geheel ontbreekt, zal een afzonderlijke kerkeraad zijn. "Deze zouden gekozen worden uit de "achtenswaardigste , kundigste en voornaamste leden der gemeente." (art. 84)
6. Het presbyteriaanse-vertegenwoordigende systeem werd losgelaten. Zo zei artikel 5 onder andere: "De mindere kerkbesturen hebben het recht voorstellen in te zenden aan hogere ... terwijl zij daarentegen verplicht zijn, aan de aanschrijvingen te voldoen der hogere collegiën ... ".
En artikel 6 zegt: "Een minder kerkbestuur menende, door de besluiten van een hoger, bezwaard te zijn, heeft het recht zich deswege bij nog hoger bestuur te beklagen, onder gehoorzaamzaamheid nochtans, van aan de ontvangen bevelen inmiddels te gehoorzamen".
Vooral dat laatste is interessant; ook moet het woord "bevelen" ons opvallen.
7. De hoogste gezagsdrager was de koning, die een minister voor Eredienst aanstelde om op de uitvoering van dit alles te letten.
8. Het ging de opstellers niet om de leer van de kerk, maar om een duidelijke bestuursstructuur.
De (in overheidsdienst staande) ontwerper van het Reglement Janssen, had "niet over de leer willen reppen", maar dat zat hem niet glad. Inhet definitieve ontwerp kwam tenslotte ook te staan: "De zorg voor de belangen, zo van het christendom in het algemeen als van de hervormde kerk in het bijzonder, de handhaving harer leer, de vermeerdering van godsdienstige kennis, de bevordering van christelijke zeden, de bewaring van orde en eendracht, en de aankweking van liefde voor Koning en Vaderland, moeten steeds het hoofddoel zijn van allen die. .. met het kerkelijk bestuur belast zijn." (art. 9)
De hervormde Prof. dr A. J. Rasker aan wiens voortreffelijke boek ik deze zaken ontleen (met hier alsook elders soms een wat gemoderniseerde spelling) concludeert: "Hierin nu zou de bron van alle kerkelijke moeilijkheden in de gehele negentiende eeuw gelegen zijn: de hervormde kerk had een formeel goed doordachte apparatuur gekregen, maar het ontbrak deze aan en duidelijke relatie met wat in art. 27-32 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis over het wezen en de orde van de kerk gezegd wordt, en voor het functioneren van de belijdenis waren geen kerkordelijke voorzieningen getroffen." (De Nederlandse Hervormde Kerk sinds 1795, p. 29).
Dat de gereformeerde dr J. C. Rullmann in zijn conclusies aanmerkelijk scherper is hebt u al in het cursieve citaat kunnen lezen!
Geen verzet?
Rullmann wijst ook op het uiterst ondemokratische van de hele gang van zaken. Naast een "grote voortvarendheid", die "aan de Kerk zelfs geen tijd van beraad" overliet werden er, zegt hij, door de koning slechts "goedgezinden aangewezen"
(aw., p. 49).
Uit de verschillende details rond het invoeren van het stuk leidt Rullmann duidelijke berekening en twijfelachtige motieven aan overheidskant af. Het is lang niet onmogelijk! Zeker is dat degenen die protest aantekenden een zéér hooghartig - en onterecht - antwoord van de hoge overheid ontvingen. We noteren hieronder wat zaken.
Opvallend zijn:
a. De behoedzaamheid "dat men door welgekozen maatregelen van tijd tot tijd, onmerkbaar tot stand kan brengen, wat men op eenmaal, of in het geheel niet, of niet zonder grote ontevredenheid daarstellen kan". (Rullmann, a.w., p. 49 - cursivering van Rullmann?)
b. De zeer korte tijd om te reageren: minder dan drie maanden.
c. De niet-veranderde naam van kerkelijke bestuurslichamen.
Ze hielden hun naam, maar verloren hun feitelijke belang; het beleid werd voortaan in Den Haag gemaakt.
d. De behoedzaamheid waarmee men feitelijk tot 1825 wachtte met invoering, ook al kreeg het geheel op 1 april 1816 al "kracht van werking".
Rullmann merkt op "Het volk bespeurde in de eerste tijd weinig van verandering." (49).
e. De desondanks niet weinige protesten en bezwaarschriften.
De openlijke gebeden dat dit voorstel niet zou doorgaan.
Rasker noemt bezwaarschriften uit niet minder dan zeven classes, waaronder een uitvoerig stuk uit Amsterdam.
f. De hautaine reaktie van commissaris-generaal Lepelaar van Driel. Wat vindt u van suggesties als: de classes zijn geen instellingen van de apostelen, maar een toevallige vrucht van de omstandigheden der 17e eeuw? Op (terechte) suggesties dat de leer en het functioneren van de belijdenis op geen enkele wijze tegen aanslagen verdedigd konden worden, als dit Reglement werd ingevoerd was het antwoord. "Het synode wordt thans niet geroepen om leerstellige geschillen te beslissen, maar om de Kerk te besturen."
g. Het advies - in 1814 al - van de Raad van State tegen overheidsbemoeienis in kerkelijke zaken. (Rasker 26).
h. De uitbetaling van predikantstractementen die in dit Reglement werd vastgelegd.
En dat was heel belangrijk.
Zowel Rasker als Rullmann reppen van de achtergebleven bezoldiging in de Franse tijd. "In 1811 werd niets uitbetaald, in 1812 alleen drie achtste deel van wat hun over 1811 toekwam. Om in leven te blijven moesten ze hun bezittingen verkopen, sommigen vervielen, gelijk velen van hun gemeenteleden, letterlijk tot de bedelstaf."
(Rasker, 24). Uit Rullmanns uitvoeriger verhaal citeer ik: "De maaltijd was sober. Vlees kwam er niet op tafel. Zelfs geen stukje spek. Aan de boterham ontbrak de boter. Men was al blij, wanneer men droog brood at. Predikantskinderen bedelden langs de weg.
Menig predikant ging naar het armbestuur om bedéling.
En één stierf zelfs van honger".
(47) Hoeveel predikanten moeten dit Reglement ondanks alle mogelijke kritiek hunnerzijds hebben verwelkomd!
En kunnen we stenen naar hen gooien?
i. De enige manier om zich effectief te kunnen verzetten was een weigering zich als classis etc. te laten afschaffen!
Op 31 maart 1816 werden alle tot dan toe bestaande bestuurslichamen opgeheven.
Op één plaats, het Zeeuwsvlaamse Axel, heeft men dat geprobeerd. "Gevolg hiervan was dat het Provinciaal Kerkbestuur van Zeeland deze kerkeraadsleden afzette en door anderen verving."
(Rullmann, 51)
j. Het felle protest van Ds Schotsman uit Den Haag, een predikant die voor de overheid geen onbekende was. Die heeft een aantal niet mis te verstane dingen gezegd; uiteindelijk hielp het echter niet.
k. Het uithoudingsvermogen van 't Reglement. Dat is (behoudens kleine wijzigingen) in functie gebleven tot. ..
1950! Anderhalve eeuw lang heeft men tegen deze Kerkenorde storm gelopen. Zoals men ook in Rome wel zegt "Wij denken hier in termen van eeuwen!", bleken ook in de Hervormde Kerk "Gods molens langzaam te malen".
Profetisch
Juist dit Reglement, met zijn sterke accent op bestuursvorm en zijn nagenoeg afwezige aandacht voor de relatie tussen be lijdenistrouw en prediking zou het klimaat voor de Afscheiding (èn dat bij uittredingen door de aanhang van Ds Ledeboer, of de Doleantie) vormen. Wijzigingen in het overheidsbeleid hadden rechtstreeks gevolg voor het ontstaan (en de naam) van groeperingen als de "Christelijke Afgescheidenen", de "Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis", de "Christelijke Gereformeerde Kerk". Maar ook voor uitspraken van gerechtshoven, de inkwartiering van militairen en andere strafmaatregelen, het beroepingsrecht van gemeenten.
Kortom voor een zeer groot deel van de 19e eeuwse kerkgeschiedenis.
Profetisch noemt Rullmann de "in de loop van der 1ge eeuw volkomen vervulde voorspelling"
van de classis Amsterdam, in haar bezwaarschrift tegen het voorgenomen Reglement: "Indien de leraren (predikanten dus, PJvK) verplicht worden, zich te onderwerpen aan de verordeningen, welke ingevolge van het Reglement, zouden kunnen worden vastgesteld ... zullen zij wellicht, naarmate zij door de gemeenten geacht worden het met meer of minder genoegen te doen, beschouwd en behandeld worden als meer of minder getrouwen ...
Lichtelijk zullen er twee partijen ontstaan, welke men, van andere kant, wederom als gehoorzamen of tegenstrevige onderdanen zal aanmerken. Aan deze partijen zullen zich de godsdienstige meningen verbinden, en men heeft grote verdeeldheid, zo geen scheuring, te vrezen."
Ongeacht of men binnenkort als Hervormden en Gereformeerden "Samen op Weg" gaat of niet, anderhalve eeuw kerkelijke verdeeldheid is, zo niet concreet ontstáán, dan toch wel opgeroepen, door vooral één man: Koning Willem I. Anderhalve eeuw "kerkelijk veelstromenland" in de hand gewerkt door een al vele jaren "dode hand".
Les één van dat alles: leer niet alleen van Karl Marx, maar óók van de eigen geschiedenis: Let op de structuren! Ze beheersen soms ons gedrag totaal.
"Opbouw" heeft, vergeleken met een groot deel van de kerkelijke pers, hierbij voorop gelopen.
Nu we echter het concrete moment van de Afscheiding gaan naderen - november 1834 - hopen we daarbij uitvoerig stil te staan. Niet zozeer met opiniërende artikelen, maar vooral ook met een weergave van "hoe het was" en "hoe het geworden is".
Aandacht voor wat toen gebeurde; tegelijk ook een poging "de lijnen naar vandaag toe door te trekken".