Over jonge kerkverlaters en oude regels (1)

1985-10-25
  • Jaargang 29
  • nummer 41
Inleiding
Enkele maanden geleden verscheen het boek "Het lege testament" van Piet van der Ploeg; ondertitel:"Een onderzoek onder jonge kerkverlaters". Een boek, dat vragen stelt, waar ook wij ons allesbehalve gemakkelijk van af kunnen maken. De komende weken wil ik graag, uitgaande van dit boek, met u nadenken over die vragen. Hier valt namelijk wel iets te leren. En gaandeweg zal dan onze aandacht zich wat verleggen: van de (jonge) kerkverlaters naar de (oude) regels, en de manier waarop die functioneren. Maar nu eerst iets meer over het boek zelf.

Vragen
Piet van der Ploeg heeft gesprekken gevoerd met 16 jonge mensen, tussen de 22 en 25 jaar, in de stad Groningen. De overeenkomst tussen al die 16 mensen is, dat ze hun lidmaatschap van de kerk, van de Gereformeerde kerk, hebben opgezegd. En juist daarover wilde Van. der Ploeg (zelf ook een "jonge kerkverlater") met hen spreken. Hoe kwamen ze er toe? Hoe kijken ze terug op hun opvoeding? Hoe staan ze nu in het leven?
Wat zien ze nu als de zin van hun leven? Boe denken ze over de dood? En nog veel meer van dat soort vragen. Eén ding licht ik er even uit, uit die zee van gegevens - ik kan onmogelijk alles noemen - de vraag naar de zin van het bestaan voor deze 16 mensen van der Ploeg vat dat zó samen: "De zin van het bestaan is" om nu, zelf, en samen met anderen, te maken wat er van te maken valt, zoveel mogelijk te genieten, en dat dan zonder te veel verwachtingen te hebben" (blz. 181, 182).

Geloof
Deze 16 jongeren geloven niets meer. 't Is niet zo, dat ze op een andere manier zijn gaan geloven (zoals soms verondersteld wordt, zie blz. 189-191), nee: ze geloven niets.
En de wortel voor dat niets geloven: die ligt, zo zegt Van der Ploeg, in de opvoeding. Deze 16 jonge mensen hebben thuis niets leren geloven. Of, op zijn allerscherpst geformuleerd: de kerkverlating van deze jongeren is een logisch gevolg van hun opvoeding. De ouders van deze 16 jonge mensen zijn er niet. in geslaagd om aan hun kinderen duidelijk te maken. dat het geloof iets belangrijks is, iets wezenlijks, ook voor hen. voor die ouders zelf. Ze hadden op een bepaalde manier wel de bedoeling om hun kinderen gelovig op te voeden, maar ze zijn daar niet in geslaagd, het lukte hen niet, zij faalden.

Ouders
En dat kun je dan - zo vat ik een aantal lijnen van dit boek samen - nog naar twee richtingen opsplitsen, in twee "soorten" ouders:
1. Je hebt ouders, waarvan de kinderen het haarscherp voelen, dat het vader en moeder allemaal ook niet zoveel zegt. Ja, goed bidden, bijbellezen, naar de kerk gaan: dat blijft allemaal nog wel bestaan, de vormen blijven overeind, maar de inhoud is verdwenen, van binnen is het leeg.

2. Je hebt. ook andere ouders: die voor zichzelf wél echt geloven, en veel aan hun geloof hebben. Ook zulke ouders kom je tegen in deze interviews. Maar dan is het probleem vaak, dat vader en moeder er niet over konden praten - er niet over durfden praten met de kinderen.
Gesprekken' werden afgekapt, discussies waren zo goed als verboden.

Een paar regels uit één van de interviews; een meisje heeft net gezegd, dat naar haar idee haar vader in zijn' gedachten alleen maar met de kerk bezig is. en direct daarna zegt ze: "Je kunt met hem niet discussiëren. Het wordt meteen afgekapt als hij geen antwoord meer weet". En op de vraag, of er vroeger thuis veel over het geloof en de kerk gepraat werd, zegt ze: "Nee, er werd bijbel gelezen en zondags na de kerk werd er een beetje gepraat over wie er wel was en wie niet enzo, maar niet echt over het geloof zelf". (blz. 67, 68) En zo komen er twee soorten ouders naar voren uit dit boek: ouders voor wie zelf het geloof niet zoveel meer betekende, én ouders, die onmachtig waren met hun kinderen over 'het geloof en over de Here te praten.

Verpakking
En de konklusie van Van der Ploeg luidt dan: deze jongeren hebben hun lidmaatschap van de kerk opgezegd, maar dat is niet iets, dat haaks staat op hun opvoeding: het begin van hun kerkverlating ligt al in de opvoeding. Het is een logisch gevolg van de opvoeding, dat deze jongeren op een gegeven moment hun kerklidmaatschap opgeven. Het stelde toch al niks meer voor, het was leeg, inhoudsloze verpakking. Inhoud was er niet ingebracht tijdens de opvoeding; nu; dan kun je, als jongvolwassene, de verpakking ook wel weggooien. Tot zover een paar hoofdlijnen van dit veelbesproken boek.

Eenzijdigheid - zwakte ...
Dit is een geweldig eenzijdig boek. Dat is de zwakte ervan- en merkwaardigerwijs is dat tegelijk ook de kracht ervan. Eerst iets over die zwakte. Er is direct - en terecht - flinke kritiek geleverd op Van der Ploeg. Waarom heeft hij alleen jongeren geïnterviewd, die de kerk en die de Here vaarwel gezegd hebben? Er zijn ook ánderen, die wel geloven; waarom komen die totaal niet aan het woord?
En dan de vraag: waarom is er soms zo'n groot verschil tussen kinderen uit één gezin? De één: is wel gelovig, de ander niet. Een zélfde opvoeding, een zélfde achtergrond – en dan toch zo'n verschillende uitkomst. Nee, die kritiek is inderdaad terecht: je kunt niet zomaar, simpelweg zeggen, zoals Van der Ploeg, doet: als jongeren niet geloven, dan ligt dat aan de opvoeding.
Daar kunnen nog 1001 andere redenen voor zijn; en soms is er, voor zover wij het kunnen zien, geen enkele reden aanwijsbaar. Een eenzijdig boek dus. En in die eenzijdigheid. kolossaal onbarmhartig tegenover ouders; die zoveel verdriet hebben over de weg, die hun kind gekozen heeft. Vaders en moeders, die gedaan hebben wat ze konden voor hun
kind, en die telkens de pijn voelen in hun hart. Zulke ouders verdienen de kritiek niet, die Van der Ploeg over hen uitstort.Die eenzijdigheid is de zwakte van dit boek.

... en kracht
Tegelijk is het ook de kracht ervan. Want dat het vóórkomt wat Van der Ploeg signaleert: dat is zeker. Dit boek stelt vragen, die juist door de eenzijdigheid heel nadrukkelijk en onontwijkbaar op je af komen. Hier moét je over nadenken. Hier kun je je niet met een simpel verhaaltje van af maken.
U zou het moeten lezen, dit boek Vooral u, die nog veel jongere kinderen hebt. En dan mag u de tweede . helft ongelezen laten sociologische analyses van de gesprekken - maar de eerste helft zou u in elk geval moeten lezen, de interviews met deze 16 jonge mensen. En uzelf daarbij steeds weer een vraag stellen, déze: zoals ik nu bezig ben - zouden mijn kinderen later iets dergelijks kunnen zeggen: over mij, over de opvoeding, die ik hen gaf? Zouden mijn kinderen - als ik zo doorga - het later ook zeggen: "Och, bidden, bijbellezen, naar de kerk gaan: dat gebeurde allemaal wel; maar 't was niet écht; 't was een gewoonte, ze deden het nou eenmaal. Maar ik heb nooit gemerkt, dat het echt iets voor hen betekende". Zouden mijn kinderen - als ik hu het roer niet radicaal omgooi - het later ook zeggen: "Er werd thuis eigenlijk nooit gepraat over het geloof, en over God. En als je er eens over begon, 'en dan iets zei, waar vader en moeder het niet, mee eens waren, dan werd dat altijd direct afgekapt; alsof ze dat niet durfden. Nee, echt praten: dat gebeurde niet".

(wordt vervolgd).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief