Een scherpe blik

2008-04-11
  • Jaargang 52
  • nummer 8
Het verkeerslicht staat op rood. Uit de speakers van de autoradio klinkt het stemgeluid van Felix Rottenberg. Na een periode van ziekenhuisopname is de oud-voorzitter van de Partij van de Arbeid weer te horen op zaterdagochtend.
Ik ben geen regelmatige luisteraar van zijn radio-column, maar toevallig zit ik vandaag op het juiste moment in de auto. Ik heb twee van mijn zoons bij me. We zijn op weg om één van hen naar een vriendje te brengen. Terwijl het licht op groen springt, steekt Rottenberg van wal. Hij houdt een lofrede op het verplegend personeel dat hem in het ziekenhuis terzijde heeft gestaan. Ook al hebben ze te kampen met een hoge werkdruk en een laag salaris, de verpleegkundigen zijn er dag en nacht voor de patiënten.
Ik sla rechtsaf, lever mijn zoon af bij zijn vriendje en stap weer in. Op de radio is een beller te horen. Het is een oud-verpleegster die instemmend reageert op Rottenbergs woorden van sympathie en dankbaarheid. Met m'n jongste zoon rij ik in de richting van het winkelcentrum waar we een paar boodschappen gaan doen.

Je kunt zeggen: verpleegkundigen doen gewoon het werk waarvoor ze opgeleid zijn en waarmee ze hun brood verdienen. Dan ga je echter voorbij aan hun keuze om de naaste te dienen. Mede door hún toewijding en deskundigheid krijgen talloze zieke mensen elke dag weer de verzorging die ze nodig hebben. Ik sta er niet altijd bij stil, maar wat geweldig dat deze zorg en aandacht beschikbaar zijn. Ik realiseer me hoe snel ik bepaalde dingen als heel gewoon aanneem, terwijl ze op de keper beschouwd, enorme zegeningen zijn.
Een verpleegkundige die voor je zorgt, een arts die voor je klaarstaat, een apotheek vol medicijnen. Maar het geldt niet alleen voor de medische zorg. Het brood en de karnemelk die elke dag weer op tafel staan. Kan ik me er nog over verwonderen? Ben ik er nog dankbaar voor? Vaak heb ik een houding van: het is toch de normaalste zaak van de wereld dat we al die dingen hebben? Misschien zijn we toe aan een herwaardering van de kleine, gewone dingen. Natuurlijk moeten we ons bezighouden met de grote lijnen en met wereldwijde vraagstukken. Dat is allemaal belangrijk.
Maar het leven kon er wel eens heel wat vriendelijker uit gaan zien, als we de alledaagse dingen meer zouden waarderen en als speciaal zouden ervaren. Dat geldt ook voor de omgang tussen mensen.
Ben ik in staat om het bijzondere in mijn medemens te zien? Om op die manier te kunnen kijken, is een geoefend oog nodig; een scherpe blik die ervoor zorgt dat we ons verwonderen over kleine, maar toch bijzondere dingen en waardoor we onze naaste kunnen waarderen vanwege zijn of haar uniekheid. Hoe kan ik mijn manier van kijken veranderen? Het beste is om maar gewoon naar Jezus te luisteren.
Wanneer zijn leerlingen willen weten wie de grootste in het koninkrijk van de hemel is, zet Jezus een kind middenin de kring. Hij zegt tegen zijn discipelen dat ze moeten worden als een kind om het koninkrijk van de hemel binnen te kunnen gaan. Door een kind in het centrum van de aandacht te zetten, rekent Jezus af met het grootheidsdenken van de leerlingen. Jezus heeft oog voor het kleine, het ogenschijnlijk onbetekenende. Sterker nog, hij stelt het ten voorbeeld.

Jan Smit

Drs. Jan Smit is lid van de NGK in Rotterdam-Overschie.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief