De aarde

1985-10-25
  • Jaargang 29
  • nummer 41
Het was in 1961 dat prof. dr J.H. van den Berg zijn boek het licht deed zien: HET MENSELIJK LICHAAM. Ik kwam het weer tegen in de bergruimte, waar ik het overschot: van mijn boekenkast koester en ik besloot het weer te leien; want ik herinnerde mij, dat het, toen het verscheen, voor 'mij een moeilijk boek was. Op blz. 25 las ik iets wat ik graag door wil geven in deze tijd waarin het cremeren van doden een ware rage aan het worden is. Volgens mij houdt dat cremeren ook verband met de steeds minder wordende band, welke wij als mensen onder elkaar hebben. Maar laat mij trachten weer te geven wat ik las. Onder het opschrift "Aarde" zegt de schrijver' het volgende:

“Aarde is vies, zeggen we tegen het kind: steek je vingers niet in je mond, maar was je handen terwijl aarde het element is dat alles zuivert. Alles kan men in de' aarde leggen, het komt er weer schoon uit. Generaties kan men in de aarde leggen, de aarde zuivert ze alle, bewaart ze alle in een gezuiverde, gereinigde, reine vorm. De aarde ontvangt ons allen; ongeacht de toestand waarin wij ons bevinden, zijn wij steeds welkom. De aarde verschoont alles, billijkt alles en bewaart alles. Als straks de bazuin van het laatste oordeel klinkt zullen de gereinigden opstaan..” En dan vervolgt prof. Van den Berg met wat ik u door wil geven: “Wanneer wij tenminste niet door de wens verbrand te worden ook deze laatste enige melding verijdelen. Wat doet de aarde met het laatste beetje as? Misschien blijft juist dat ongereinigd liggen. Het is niet te bewaren. Want de aarde die bewaart BEWERKT. As is niet te bewerken. Aan as is geen zorg te besteden. Het blijft liggen, onbewaard, als een niet te verteren bewijs van ontrouw aan het meest gastvrije, het meest verschonende element, de aarde.”

Het is goed op deze dingen te wijzen met het oog op de crematie, die in volle opmars is. Maar het kan niet meer zijn dan slechts een bepaalde belichting van één facet van de functie van de aarde.
Het citaat uit het boek van Prof. v. d. Berg bevrijdt mij niet van het weerzinwekkende gevoel, dat mij bevangt wanneer ik "sta bij een open graf". Ik zal ook als predikant nooit aan een begrafenis kunnen wennen. Vroeger sprak men ietwat plechtstatig misschien, van de groeve der vertering. Maar de werkelijkheid daarin, verwoord is met veranderd. Alleen door de overwinning, die Christus, mijn Heiland, op dood en graf bevochten heeft, leer ik er anders tegenaan te kijken. Ik ben dan bezig het dode lichaam van een mens, van een kind van God, te zaaien dn de akker der doden in de verwachting van de grote oogst op de jongste dag. Dan komt het getuigenis van Paulus in1 Corinthiërs is tot zijn recht. Dat biedt toereikende troost voor bedroefden en beproefden!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief