Leven in de vreze des Heren (2-slot)

1984-10-12
  • Jaargang 28
  • nummer 38
Toespraak op de Vrouwencontactdag-1984 te Ede.

De theologie van onze tijd heeft God van zijn almacht beroofd - zo dat al zou kunnen! God kan niet meer als een almachtig God doen wat Hij voor ons wil doen als een getrouw Vader.
(antw. 26 H. Cat.).

God wordt pasklaar gemaakt naar ónze wensen en gedachten.
Want men wil geen God, die ons laat zitten met vragen zonder antwoord.
Zo wordt de berg des HEREN (Ps. 15) voor ons beklimbaar gemaakt) door de top van Gods almacht af te halen) in plaats van met een leven in de vreze des HEREN) waar Psalm 15 van getuigt.

Als zó de theologen van onze tijd met God "omspringen", moeten we er ons maar niet over verbazen, dat de van God losgemaakte wéreld zich zo laatdunkend en denigrerend over God uitlaat en met Hem spot. Met name voor radio en t.v.
Dacht u, dat dat op ons en onze kinderen geen invloed had?
En dat zulk spreken over God niet aantast het leven in de vreze des HEREN?
Waar blijft het diep ontzag voor God, ook onder ons, bij bijbellezing, en bij bijbelbespreking, bij de kerkgang, bij doop en avondmaal?
Beseffen we nog wel, dat we bij dit alles steeds met de HERE te doen hebben? En dat wij bij Hem vergeleken niet meer voorstellen, dan een druppel aan een emmer en een stofje aan een weegschaal (Jes. 40 : IS)?

"Behoed uw voet, als gij naar Gods Huis gaat", vermaant de Prediker ons (4 : 17).
En David spreekt in zijn morgengebed (Ps. 5 : 8) "Ik zal mij nederbuigen naar Uw Heiligdom, in vreze voor U".

Het gaat maar niet om de kerkgang en de avondmaalsgang, om je kinderen te laten dopen en de Bijbel te lezen en een Bijbelkring te bezoeken, - het gaat om de geestelijke gesteldheid, waarmee we dat alles doen. Het gaat om ons hart en onze verhouding tot de HERE.
Wie is Hij voor ons en hoe leven wij voor Hem?
Hoe naderen we Hem in het gebed?
Luisteren we vol overgave naar zijn stem, die tot ons komt in Bijbel en prediking? Zijn we werkelijk däders van zijn Woord?

Nemen we onze verhouding tot God volkomen serieus? Beseffen we wel, dat we een keer álles moeten loslaten, om met Hem alléén te blijven? Verheugt ons dat of denken wij daar liever maar niet aan?

Leven in de vreze des HEREN.
Het zal u duidelijk geworden zijn, dat dat niet is: leven in angst voor de HERE. Want dat is geen leven.
Niet dat we die angst bij tijd en' wijle niet kennen. Dat is een angst, die we gemeen hebben met alle mensen, die van goddelijke afkomst tot zo diepe val in de zonde gekomen zijn. Je kunt proberen daar overheen te leven, maar in het leven van elk mens komen de momenten en de dromen, dat je er niet meer omheen kan: de confrontatie van je leven, met al zijn mislukkingen en fouten en zonden met GOD!
't Is niet voor niets, dat in de Bijbel, bij bizondere Godsopenbaringen de HERE de mensen moet geruststellen: vreest niet!
Eigenlijk alleen de zijnen stelt Hij zo gerust: Zacharias, Maria, de herders, de vrouwen bij het graf. .. Ze hebben het allemaal nodig, zij ook, wij ook, we groeien daar nooit helemaal bovenuit: vreest niet.
De ongelovigen krijgen dat niet te horen. God neemt van hen de angst niet af.
Is er dan tóch sprake van de vreze des HEREN, ook en juist nadat Hij gezegd heeft: vreest niet?
Tot het angstige volk aan de voet van de Sinaï mag Mozes zeggen:
"Vreest niet, want God is gekomen om u op de proef te stellen, opdat er vrees voor Hem over u kome, dat ge niet zondigt." (Ex. 20: 20).

God wil niet, dat zijn volk bang voor Hem blijft, maar Hij wil wel dat ze voor Hem leven in de vreze des HEREN.
Hij wil niet, dat wij bezwijken, als Hij ons op de proef stelt met zijn geboden, maar Hij wil wel, dat ons leven komt te staan in het teken van de vreze des HEREN.
En dat betekent: in diep ontzag, en heilige eerbied er voor terug schrikken de HERE door onze zonden te onteren en te bedroeven.

We moeten dus goed onderscheiden:

vrees voor God omdat we gezondigd hebben èn de vreze des HEREN, opdat wij niet zondigen.

Hoewel in het leven in de vreze des HEREN van angst en angstvalligheid geen sprake is, blijft een diepe eerbied voor God toch wel meespelen.
Bij Hem vergeleken zijn wij "stof en as", zoals Abraham belijdt op een moment van de hoogste vertrouwelijkheid met de HERE.

De HERE God is tot hem en Sara afgedaald in mensengedaante, is bij Abraham en Sara langs komen wandelen en heeft bij hen gegeten! Daarna wandelt Abraham een eindje met God op, zoals een vriend zijn vriend een eindje op weg helpt.
En dan neemt de HERE zijn vriend in vertrouwen en vertelt hem wat Hij van plan is met Sodom en Gomorra. En dan onderwindt Abraham zich, hoewel hij maar stof en as is, om bij de HERE te pleiten voor Sodom en Gomorra.

Wat is dat mooi!
Op één en hetzelfde moment je zo klein voelen voor God, en tegelijk in je gebed zo vrijmoedig te pleiten op Godsrechtvaardigheid!
Juist omdat Abraham zijn God zo goed kent in zijn heiligheid en rechtvaardigheid grijpt hij in zijn pleitgebed de HERE zo vrijmoedig aan.

Hetzelfde treft ons in het bekende Bijbelvers: "Des Heren vertrouwelijke omgang is met die Hem vrezen". (Ps. 25 : 14).
Sluit dat elkaar niet uit: vrees en vertrouwelijkheid?
Als we goed luisteren, merken we op, dat het hier niet allereerst gaat om ónze vertrouwelijke omgang met God, maar om zijn vertrouwelijke omgang met ons! Zoals Hij Abraham zijn vriend in vertrouwen nam.

Die vertrouwelijke omgang van God met ons is nooit zó waar en vol geworden als bij de komst van Immanuël, God met ons. En zo drie-en-dertig jaren! Zijn vertrouwelijke omgang met Jozef en Maria, met zijn broers en zussen, met zijn discipelen later.
Met de vrouwen, die Hem dienden.
Met kinderen, die Hij de handen op legde. Met zieken, die Hij genas, met tollenaars, met wie Hij at en dronk.

Hoe vaak heeft Petrus niet heel gewoon tegen Jezus gezegd: eet smakelijk of welterusten. En hoe vaak heeft God-met-ons niet tegen Petrus gezegd: geef me dat mandje met brood eens aan.
Maar er komt óók een moment, dat Petrus uitroept: Heer, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens! (Luc. 5 : 8).
De vreze des HEREN kent die momenten, dat je stil wordt van binnen, het grijpt je aan, het ontroert je tot diep in je ziel, dat HIJ zo met je omgaat en dat jij met HEM mag omgaan! Dan roept Johannes uit: "Het is de Heer!" (Joh. 21 : 7).

Nog eens: het heeft niet van doen met angst voor God. Maak nooit uw kinderen bang voor God! Hij heeft ze toch zeker naar zich toe getrokken, de handen opgelegd en gezegend bij hun doop! Je kunt ze dat niet genoeg vertellen. Dat helpt beter, als ze iets verkeerds gedaan hebben, dan een donderpreek.
Willen ze Hem, die zijn handen op hen gelegd heeft en hen gezegend heeft, soms verdriet doen?
Zou dit niet de kern zijn van een christelijke opvoeding: je kinderen de vreze des HEREN leren?

Maar dat leven in de vreze des HEREN, - kun je dat léren en aan anderen leren? Reken maar!
Bij zijn afscheid heeft Mozes rekening gehouden met de mogelijkheid dat Israël nog eens een koning zou krijgen. Wanneer die koning dan op zijn troon gezeten is, zal hij altijd Gods Wet bij de hand moeten hebben, om daarin gedurende heel zijn leven te léren, de HERE zijn God te vrezen (Deut. 17: 18-20).
En ook tot het vólk zegt Mozes: Houdt u stipt aan de opdrachten van de HERE, opdat gij de HERE uw God uw leven lang léért vrezen (Deut. 14: 23).

Dat wordt een levenslange leerschool, met maar één vak: de vreze des HEREN, en maar één boek: Gods Woord.

En in Psalm 25 zegt David: Wie is de man, die de HERE vreest?
de HERE zal hem onderwijzen aangaande de weg, die hij moet kiezen (v. 12). Telkens weer staan we immers voor de keuze tussen de twee wegen. Luister dan naar Hem.
Bizonder mooi heeft Jesaja dat uitgebeeld: Wanneer ge rechts of wanneer ge links zoudt willen gaan, zullen uw oren achter u het Woord horen, de Stem van uw God: dit is de weg, wandelt daarop (Jes. 30: 21).
Leven in de vreze des HEREN is maar geen zaak van gevoel en stemming, - je kunt en je moet het léren, en je kunt het ook je kinderen leren, zoals koning David zo vaderlijk zijn onderdanen als kinderen aanspreekt: Komt kinderen, luistert naar mij, ik zal jullie de vreze des HBREN leren (Ps. 34: 12).

En hoe doen we dat nu?
Door hen niet alleen voor te lézen uit Gods Woord, maar hen ook voor te léven naar Gods Woord.
Soms groeien je kinderen je in wetenschappelijk opzicht boven het hoofd, maar u mag hen vertellen en op het hart binden, dat de vreze des HEREN het begin is van alle wijsheid (Ps. 11: 10).

Zoals vader David sprak in de Psalmen, zo spreekt moeder "Wijsheid" in de Spreuken: mijn zoon, wees niet wijs in eigen ogen, vrees de HERE en wijk van het kwaad, dat zal medicijn zijn voor je lichaam en lafenis voor je gebeente.
(Spr. 3 : 7,8).

En heel het Spreukenboek getuigt ervan, hoe rijk gezegend in allerlei opzicht het leven in de vreze des HEREN mag zijn.
Zouden wij in deze tijd dat leven in de vreze des HEREN niet broodnodig hebben?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief