U alleen, U loven wij
1984-10-19
“Wij loven U, O God, wij loven, want nabij is uw naam, men vertelt uw wonderen:" - Jaargang 28
- nummer 39
Ps. 75,2
Urk in Chicago
Een jaar of vijf geleden hebben de Urker Zangers met hun dirigent Frits Bode een toernee door Amerika gemaakt. Van deze reis is toen ook een filmverslag gemaakt. De E.O. had nl. een filmploeg gehuurd van een Amerikaanse tv-maatschappij, die het koor vanaf de aankomst op het vliegveld van New York op de voet gevolgd heeft.
Zo is er o.a. een opname gemaakt van de Urker Zangers in Chicago. Ze zijn daar gefilmd in het hart van de stad op een brede avenue. Al het verkeer is daar voor stilgelegd. En tussen de hoge wolkenkrabbers van deze metropool wandelden daar die zangers, in Urker klederdracht!, al zingend:
U alleen, U loven wij:
ja, wij loven U, o HEER,
want uw Naam, zo rijk van eer,
is tot onze vreugd nabij.
Dies vertelt men in ons land
al de wond'ren uwer land.
Ziet u het voor u?
De één zal er misschien om glimlachen.
Een ander vindt het bij nader inzien mogelijk toch wel wat pijnlijk.
Je kunt je afvragen: vertonen de Urker Zangers in het hart van die wereldstad niet het beeld, dat velen vandaag van de kerk hebben?
De kerk als een stuk folklore!
Iets van vroeger. Ouderwets.
Sprekend en zingend in een onverstaanbare taal. Met een boodschap, die niet meer van deze tijd en van deze wereld is: Te behandelen als een stuk antiek: leuk om naar te kijken, maar in de praktijk onbruikbaar.
Op de straten van de grote stad ...
Toch kun je met zo'n filmbeeld ook een andere kant op. Heeft het ook niet iets indrukwekkends?
Dat de Naam van God geloofd en verheerlijkt is in het centrum van een stad, die niet in de laatste plaats bekend, zeg maar: berucht is om zijn onderwereld.
Waar de misdaad voortwoekert en niet meer te bestrijden is.
Daar is dan toch maar voor enige tijd el dat razende verkeer volledig stil gelegd om gelegenheid te bieden tot het zingen van een lofpsalm op de heerlijke Naam van God. Die lieflijke Naam - ruisend langs de wolkenkrabbers!
Zijn die zingende Urkers in Chicago niet een beeld van de kerk, zoals ze behoort te zijn: getuigen op de straten van de grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte (Openbaring 11)?
God mag genoemd worden!
Want uw Naam zo rijk van eer is tot onze vreugd nabij. Ja, zo is het toch. Er is geen plekje ter wereld, hoe God-verlaten schijnbaar ook, waar die Naam - God zèlf dus - niét nabij is.
En het is goed, een opdracht zelfs, om daarvan te getuigen.
God heeft een Naam die genoemd mag worden. God wil niet naamloos, niet anoniem blijven.
U weet toch wel wie anoniem willen blijven? Schrijvers van gemene brieven; mensen die dingen doen die het daglicht niet kunnen verdragen. Weet u, wie het meest gebaat is bij anonimiteit?
De satan, de vorst der duisternis.
Hoe meer mensen vandaag ontkennen, dat hij bestaat, des te liever is het hem. Des te doeltreffender kan hij zijn werken der duisternis verrichten.
Maar God háát de duisternis.
Hij treedt de wereld tegemoet met open vizier. Hij heeft niets te verbergen. Zoals Johannes schrijft in zijn eerste brief: God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis. Wie met Hem geen gemeenschap heeft of zoekt, blijft in het donker. Buiten God is alleen maar duisternis te verwachten.
Daarom is het zo verdrietig, dat Gods Naam in onze samenleving zo vaak wordt doodgezwegen en genegeerd. Er worden boeken geschreven over de schepping, waarin zijn Naam als de Schepper ten enenmale ontbreekt. Er worden verhandelingen gehouden over de toestand in de wereld, waarin met de mogelijkheid van Gods leiding totaal geen rekening wordt gehouden.
God is niet meer nodig. Politici regeren de volkeren. Welvaart is een kwestie van wetenschappelijk doordachte ekonomische planning. Voor een goede oogst en een puike veestapel kunnen we deskundige adviezen uit Wageningen krijgen. Bekwame artsen en psychiaters waken voor ons lichamelijk en geestelijk welzijn.
Paedagogen en psychologen staan ons bij in de opvoeding van onze kinderen.
Is het niet onverdraaglijk, dat Gods Naam zo verzwegen wordt? Maar God heeft ons toch nog? En als zelfs in onze mond de lofzang verstilt, wie zal dan nog God de eer geven die Hem toekomt? En daarom moet ons getuigenis klinken op de straten van de grote stad:
U alleen, U loven wij,
ja, wij loven U, o HEER!