Geloof en mensenrechten (2)

1984-10-26
  • Jaargang 28
  • nummer 40
Deze keer wil ik u wat doorgeven van wat Aad Kik in zijn boek “Geloof in mensenrechten" vertelt over de Bijbel en de rechten van de mens.
Hij begint dan met de opzienbarende mededeling, dat de Bijbel eigenlijk heel het begrip “mensenrechten” niet kent!

Natuurlijk leren we uit de Bijbel wèl kennen een samenleving van recht en vrede. Maar de tot standkoming daarvan steunt op een àndere basis, dan die van de autonome rechten van de mens.
Dat mensen als gelijken beschouwd en behandeld moeten worden, rust in de Bijbel op het feit, dat ze voor God allen gelijk zijn en Zijn beeld drágen.
Rechtvaardige behandeling is eigenlijk in de Bijbel nooit een claim, die mensen kunnen laten gelden t.o.v. de samenleving, maar altijd een plicht, die mensen t.o.v. elkaar hebben.
Niet slechts omdat onze medemensen recht hebben op een menswaardig bestaan, worden we geroepen daartoe bij te dragen, maar uit dankbare gehoorzaamheid aan God en in navolging van Christus.

De grootste waarde, die de Bijbel aan de mens toeschrijft, is het feit, dat hij naar Gods beeld is geschapen. Deze waarde ontleent de mens aan Iemand buiten en boven zichzelf. Niet wat de mens "van nature" bezit aan autonome waarden, maar het feit, dat God hem gewild, bedacht en gemaakt heeft, geeft zijn leven betekenis.
De gedachte van "recht opeisen" komen we in de Bijbel niet tegen.
Niet onze aanspraken, maar Gods beloften en zijn trouw zijn de basis waarop we staan (Ps. 90 en 139). Dat heeft alleen het karakter van een recht, waarop de mens zich mag beroepen, voorzover hij God erkent als zijn Schepper en Vader.
God staat in het centrum!
Hij heeft het eerste en het laatste woord. Het beeld van de mens is niet zijn zelfbedachte en zelfontwikkelde beeld, maar een afbeelding van God, en door God.

In het bijbelse klimaat kan de samenleving nooit beschreven worden met de mens als spil en verder niets. De mens is kroon van Gods schepping, maar het is een rol, die hij verkregen heeft en die hij zich niet verworven heeft en hem deswege rechtens zou toekomen.
In het humanistische denken zijn vrijheid en recht van God losgemaakte individuele zaken. Om ze te veroveren heb je soms elkaar wel nodig, maar als de mens eenmaal zijn rechten en vrijheden heeft verworven, lijkt hij verder toe te kunnen met een "ieder-het-zijne"-mentaliteit.
Dit denken is de Bijbel totaal vreemd.
Mens ben je in gemeenschap en dat omvat volgens de Bijbel de relaties mens-God, en mensmedemens.
Onderling verbonden in een "driehoeksverhouding".

Tegenover de tendens van "ieder-het-zijne" stelt de Bijbel: het begrip "verantwoordelijkheid".
Het gaat om gemeenschappelijke belangen en wederzijdse verantwoordelijkheden.

De Bijbel zou dan ook niet ver komen met de opstelling van een lijst van universele rechten van de mens. Wel komen we er lijsten in tegen met spelregels voor het samenleven naar Gods normen: de Tien Woorden, de Bergrede, de apostolische regels in hun brieven voor het sámenleven.
Deze zijn dan ook alleen sámen, in gemeenschap te vervullen.
Niet zo dat één een bepaald recht claimt, dat de anderen dan moeten toekennen, maar: in zórg voor elkaar moet welzijn voor ieder worden gerealiseerd.

Tot de verantwoordelijkheid, zoals de Bijbel die beschrijft, hoort ook aandacht voor onze kinderen en kindskinderen. Om ook hun welzijn zeker te stellen, moeten wij soms van bepaalde rechten afzien.
Denkt men puur individueel over de rechten van de mens, dan kan b.v. bij verwachting van het ongewenste kind in z.g. "recht" van de a.s. moeder in conflict komen met het recht van het ongeboren kind.
Terecht wijst Kik erop, dat het altijd praten over "rechten" een hebberig gedrag en egocentrische claims aankweekt. Slechts weinigen zijn dan bereid tot inleveren, in het belang van het groter geheel. Verworven rechten mogen dan nooit aangetast worden.
De Bijbel echter legt alle nadruk op onderlinge verantwoordelijkheid, wederzijdse zorg en verantwoord rentmeesterschap.

Na dit korte overzicht van Kik's uiteenzetting over Bijbel en mensenrechten, kan het verschil met Scheltens duidelijk zijn. Van een inhaerente waardigheid van de mens is in de Bijbel geen sprake en wil Kik dan ook niet weten.
Hij wijst dan ook op de nietbijbelse humanistische achtergrond van de Verklaring van de rechten van de mens.
Buskes heeft erop geattendeerd, dat God ten enenmale ontbreekt in de Verklaring van 1948 en hij noemt daarom deze Verklaring een geseculariseerde lezing van Micha 6: 8: "Hij (God) heeft u bekend gemaakt, 0 mens, wat goed is en wat de HERE van u vraagt: niet anders dan recht te doen en getrouwheid lief te hebben en ootmoedig te wandelen met uw God!" Buskes noemt dit profetische woord van Micha "de universele verklaring van 800 voor Christus", (Zie "Spreken voor Gods rekening", p. 179, 180.)

Maar wat moeten we aan met die Praeambule? Ook Kik ziet geen andere oplossing; wilde men zoveel mogelijk landen achter de Verklaring krijgen, dan moest ze wel a-religieus worden opgesteld.
Het verschil tussen Kik en Scheltens is, dat dit voor Kik een nóódoplossing is, maar voor Scheltens de ideále oplossing. De geschiedenis tot op heden, aldus Scheltens, laat te veel zien van tirannie van de godsdienst, die het monopolie voor zich opeist.
Hij wil dan ook niets weten van politieke prediking en politieke boodschappen van de kerk, terwijl Kik daar juist erg voor geporteerd is. Op dit punt voel ik me beter thuis bij Scheltens dan bij Kik, die de Bergrede van Jezus wil vertalen in politieke praktijk. Hij vergeet dan m.i. een woord uit de Bergrede zelf: geef het heilige niet aan de honden (Matth. 7 : 6).
Als er al een christelijke meerderheid zou zijn (maar wat verwachten wij in het laatste der dagen?), dan zou zij toch nooit haar overtuiging bindend mogen opleggen aan de minderheid.
We zullen met de "neutrale staat" moeten leven, zoals Jezus en de apostelen en de eerste christelijke gemeenten er mee moesten leven. Het ging niet goed met de kerk, zodra de keizer christen werd en overheden christelijke geboden ging opleggen.
Dat heeft de kerk uitgehold en de schijnheiligheid ontzettend in de hand gewerkt. Om den brode en om zijn positie gedroeg men zich uiterlijk als christen, terwijl men in zijn hart heiden bleef.

Overigens blijft het natuurlijk de vraag, in hoeverre de staat werkelijk neutraal optreedt tegen haar onderdanen. Overheden, die christenen vervolgen zijn al evenmin neutraal als christelijke overheden, die heidenen onderdrukten.
Van beide situaties zijn uit de geschiedenis voorbeelden te over.
En is de Praeambule van 1948 werkelijk neutraal, als ze met bewuste afwijzing van Gods Naam humanistisch getuigt van de inhaerente waardigheid van de mens? Is dat soms geen gevulde geloofs-belijdenis? Humanistisch gevuld?
Ik ben bang dat Aad Kik in zijn sympathieke boek daar toch te weinig oog voor heeft en dat hij net even te enthousiast oproept tot een christelijke inbreng bij de verwezenlijking van de rechten van de mens.
Hoe is dat nog mogelijk bij een zo niet-christelijk vertrekpunt, waar Kik zelf zo duidelijk op gewezen heeft?

Dat neemt niet weg, dat juist bij ons, christenen, verwacht mag worden; niet instemming met de Praeambule, maar wel inzet van alle krachten en hulp voor verdrukte minderheden in de wereld en voor de vele delen van de wereld, waar ten hemel schreiend gebrek heerst aan de allereerste levensbehoeften.
Wij kunnen, zoals wij zagen, onze verantwoordelijkheid rechtstreeks uit Gods Woord aflezen.
Maar dan weten we ook, dat aan de rechten van de mens voorafgaat Gods recht op de mens.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief