De Godsbrigade op weg naar het getto? (2)
1985-11-15
3. Het technicisme- Jaargang 29
- nummer 44
Het technicisme is volgens Schuurman één van de trekken van wat hij noemt de Babelcultuur. In het technicisme komt de beheersingdrift of -macht van de mens naar voren. De mens
wil het leven beheersen, onder controle hebben. De humanistische grondmotieven zijn die van natuur en vrijheid of, zoals vermeld, het beheersingsmotief (macht, hebben over de schepping ten eigen bate tegen de normativiteit van de schepping in) en het vrijheidsmotief (de mens wil helemaal vrij zijn, autonoom zijn, los van Gods wil over zijn leven).
Beide motieven staan haaks op elkaar; vandaar de gigantische vraagstukken, waarmee de wereld te maken heeft gekregen. Volledige beheersing van het leven door middel van
een verkeerd gebruik van wetenschap en techniek vormt een bedreiging van de (absolute) vrijheid van de mens. Deze tegenstrijdigheid, deze spanning voelt de humanistische mens natuurlijk ook, al heeft hij deze zelf door zijn afvallige grondmotieven in het leven geroepen. Een eenvoudig voorbeeld daarvan is het volgende.
Op stationreclameborden was onlangs de volgende tekst te zien: “Computertaal is dictatuur, is tirannie, is doctrine. Leve de revolutie. Voor de Apple Macintosh (computer) hoef je geen enkele computertaal te leren”. Met de laatste zin van deze reclame tracht men aan u over te brengen, dat, wat de computer betreft, aan het beheersingsmotief (aan de vrijheidsbedreiging, dictatuur, tirannie, doctrine) dat u van de computer vreest, te ontkomen is door een computer van het genoemde merk aan te schaffen. De verzelfstandiging van wetenschap en techniek betekent volgens Schuurman reductie en verzakelijking van de menselijke verhoudingen, alsmede een verbrokkeling van de maatschappij. Revolutionaire stromingen protesteren daar wel tegen, maar deze zijn volgens hem gedwongen evenzeer de macht van wetenschap, techniek en organisatie in dienst te nemen; daarom treedt bij deze stromingen weer noodzakelijk een elite op; anders hebben deze namelijk geen schijn van kans om een culturele revolutie op gang te brengen.
De schepping vertoont, aldus Schuurman, vele aspecten, die in een zinvolle samenhang zijn opgenomen. Erkent men deze zinsamenhang niet, houdt men er geen rekening mee, dan leidt dat noodzakelijk tot ontwrichtingen. In onze cultuur wil men steeds meer de aspecten der werkelijkheid, van de geschapen werd nivelleren. Men let steeds minder op de verschillen in kwaliteit, in hoedanigheid van de verschijnselen, maar men heeft alleen maar oog voor het kwantitatieve, voor de uitgebreidheid der verschijnselen, bijvoorbeeld in de computertechnologie. Het zicht op het geheel komt daardoor in de verdrukking, het zicht ook op de zinsamenhang der verschijnselen. In navolging van zijn leermeesters onderscheidt Schuurman twee werelden: de (naïeve) ervaringswereld (de eerste wereld) en de wetenschappelijke-technische wereld (de tweede wereld). De tweede wereld is steeds meer gaan heersen over de eerste wereld, omdat men steeds meer in de illusie is gaan leven, dat de wetenschap de ene ware, volle en concrete kennis van de werkelijkheid, van de geschapen wereld geeft. De eerste wereld, de volle ervaringswereld wordt door de tweede wereld gereduceerd tot wetenschappelijke abstracties en deze reductie heeft volgens Schuurman uiteindelijk destructieve gevolgen. Het machtsegoïsme in de technocratische maatschappij neemt steeds verder toe ten koste van de liefde. De tweede wereld vervreemdt zich op deze wijze van de volle werkelijkheid; het negeert vanwege de abstracties de zinsamenhang der verschijnselen. Volgens Schuurman is dat dus geen wetenschappelijke-technische kwestie, maar een religieuze kwestie. Wetenschap en techniek hebben normatief een dienende taak; ze hebben niet de taak om als verzelfstandigde machten ongenormeerd het leven te beheersen en hun abstracties op de eerste wereld te drukken. Dat is namelijk onchristelijk omgaan met de werkelijkheid, de geschapen wereld.
Daar moeten we van af, want alleen dan kunnen wetenschap en techniek weer de diende plaats krijgen, die ze hebben, aldus Schuurman. Ik geef zijn opvatting sterk verkort weer. Van de losmaking van wetenschap en techniek komen brokken en zijn brokken gekomen. Nu lijkt het mij niet gemakkelijk om hier concrete normen te formuleren. Wat is deze in allerlei situaties bij toepassing van wetenschap en techniek? Het beheersingsmotief is religieus gezien geloof in de wetenschap en techniek, schrijft Schuurman. Dit geloof dient echter plaats te maken voor een gebruik van wetenschap en techniek, die ruimte laat aan creativiteit en verantwoordelijkheid. Dit ligt in het verlengde van wat Prof. K. Schilder schreef in zijn bekende boek “Openbaring van Johannes en het sociale leven” (1951). “Het boek der Openbaring schuift voor onze ogen de sluier weg, die de toekomst voor ons verborgen hield en doet ons zien, dat de historie uitloopt op deze ene ontzaggelijke tegenstelling; die van hemel en hel. Deze twee zullen het einde zijn van de wegen der mensen”(blz. 36). Volgens Schilder draagt cultuur zonder God de dood in zich. Een dergelijke cultuur wordt beheerst dooi" de werkingsmacht der ontbinding, schrijft hij. Schuurman is van mening, dat de mens van vandaag meer dan ooit voortgedreven wordt, door het Babelmotief. De mens wil als sterveling zijn eigen maat te boven gaan (Gen. 11 : 6). Met een beroep op het cultuurmandaat (Gen. 1 : 28 en 2 : 15) hebben christenen volgens hem zich al te, gemakkelijk naar de bestaande gangbare cultuurtrend gevoegd. Openbaring 11: 18 leert ons, aldus Schuurman, dat zelfs Jeruzalem verworden is tot Babel. Dat moet ons veel zeggen, schrijft hij. Is de Westerse lange tijd christelijke cultuur niet zo geseculariseerd, dat de hoofd tendens in deze cultuur bepaald wordt door het eigenmachtig denken en doen? Schuurman citeert met instemming Schilder, maar Schilder heeft de positie van de christenen in onze cultuur echter nimmer getypeerd als die van ballingen.
4. Het cultuurmandaat De “schatten van Egypte“
In Openbaring 13 wordt volgens Schuurman de samenballing van cultuurmachten, waarvan het kenmerkende is, dat godloosheid samengaat met een gigantische technische ontwikkeling (de Babelcultuur) beschreven. In Openbaring 13 wordt volgens hem voorts geprofeteerd, dat in de eindtijd het beest van de politieke macht zich sterk zal maken met het beest uit de aarde, het beest van de wetenschappelijke-technische macht. (Zie ook 2 Thess. 2:9). In Openbaring 18:11 tot 14 wordt duidelijk, dat de ondergang van Babel het einde betekent van het rijk van delfstoffen, het plantenrijk, de dierenwereld en de wereld der mensen, schrijft hij. Wie alleen op de feitelijke ontwikkeling let, loopt het gevaar steeds weer aan te passen. Maar wie zich oriënteert op het in genade geschonken perspectief van het Koninkrijk van God, miskent niet de weerstanden, maar aanvaardt niettemin zijn verantwoordelijkheid in het gaan van de normatieve weg. De Bijbel geeft ons hier volgens Schuurman lichtende voorbeelden: Jozef in Egypte, Daniël in Babel, maar ook de twee getuigen uit Openbaring 11. Schuurman wil tegenover een overspannen cultuurmandaat niet kiezen voor wereldmijding, voor cultuurpessimisme, schrijft hij. Niettemin ontkomt hij er volgens mij niet aan.
Ik heb reeds op het feit gewezen, dat wij in de Bijbel nergens ballingen worden genoemd, maar daarin steeds als rentmeesters worden aangesproken. Ik heb ook reeds een viertal kritische opmerkingen gemaakt bij het verhaal van Schuurman.
(slot volgt)