Bidden met Luther (2)

1984-11-09
  • Jaargang 28
  • nummer 42
Luther heeft een overbezet leven gehad. Hij wist uit eigen ervaring hoe de bezigheden en zorgen van elke dag de opdracht om te blijven volharden in het gebed onder zware druk kunnen zetten. Hoe heeft Luther over dit gevaar gesproken en op welke wijze heeft hij zich er tegen teweer gesteld?

Bidden en werken
Wie zich voor zijn nalatigheid in het bidden verontschuldigt met een beroep op zijn drukke werkzaamheden, kan in de regel wel rekenen op begrip. Dat begrip gaat soms zelfs zover, dat een beroep op een druk bezet leven als een geldig excuus wordt beschouwd voor het nalaten van het gebed. Was het niet de broer van Godfried Bomans, de monnik, die tegen de schrijver zei: het gebed - daar komen jullie in de wereld toch niet aan toe.
Je hebt je gezin, je werk, duizend en één verplichtingen.
Daarom bidden wij in het klooster in jullie plaats. Op deze manier verdedigde hij een soort van taakverdeling tussen geestelijken en leken. De één mag zich volledig in beslag laten nemen door zijn werkzaamheden, terwijl de ander zich – plaatsvervangend - wijdt aan het gebed.
Hoewel Luther zelf uit het klooster kwam, heeft hij een dergelijk dilemma nooit aanvaard. Wanneer hij in zijn boekje 'Hoe men bidden moet' gepleit heeft voor regelmaat in het bidden, voegt hij daar aan toe: "Er kunnen zich echter heel wat werkzaamheden voordoen, die evengoed of beter (!) zijn dan het gebed, vooral als de noodzaak dat vereist; dan geldt een spreuk waaraan de naam van de heilige Hieronymus is verbonden: 'al het werk van de gelovigen is gebed', en ook een spreekwoord: 'wie trouw zijn werk doet bidt dubbel'." Luther maakt geen tegenstelling tussen bidden en werken, laat staan dat hij het gebed van een hogere orde acht dan het dagelijks werk. Wie zijn werk verricht vanuit ge vreze des HEREN maakt van zijn werk een gebed en een dankoffer.
Dit betekent niet dat Luther ons hiermee een argument in handen geeft waarmee wij nalatigheid in het bidden zouden kunnen goedpraten.
Luther bindt ons op het hart om er toch vooral op toe te zien "dat wij niet ontwend raken aan het rechte gebed en ons tenslotte verbeelden dat allerlei werken nodig zijn, die het in werkelijkheid niet zijn, en daardoor uiteindelijk traag en lui worden, koud en onverschillig ten opzichte van het gebed.
Want de duivel is niet lui en traag om ons heen, zo is ons vlees maar al te levendig en fris tot de zonde en tegen de geest van het gebed geneigd".

Bidden en dezorgen der wereld
Het boekje 'Hoe men bidden moet' begint met de openhartige bekentenis van Luther, dat ook hij de momenten kent dat zijn hart door afleidende bezigheden en gedachten koud is geworden en hem alle lust om te bidden is vergaan. Hoewel we misschien de neiging hebben om dit Luther, gezien het vele wat op hem af kwam, niet al te zeer kwalijk te nemen, heeft Luther zelf hierin een groot gevaar gezien. We kunnen zo traag worden in het bidden, dat het ons tenslotte onverschillig laat. Let wel, Luther denkt dan niet aan het opschorten van het gebed als gevolg van diepe twijfel of ongeloof. Hij bedoelt het sluipende proces waardoor wij, als gevolg van de vele dingen die ons in beslag nemen, van lieverleden niet meer tot bidden komen. Luther schroomt niet om in dit verband de duivel ter sprake te brengen. Het is eigen aan ons vlees en aan de duivel om ons zoveel mogelijk van het bidden af te houden, zodat wij het gevoel krijgen dat we er eenvoudig niet meer aan toe komen.
Deze hindernis op de weg van het gebed is zo bekend en zo voor de hand liggend, dat we hem schromelijk onderschatten.
De Here heeft er zijn volgelingen echter scherp voor gewaarschuwd.
Bij herhaling heeft Hij hen gewezen op 'de zorgen der wereld' of 'de zorgen des levens', die het leven uit het geloof kunnen remmen of zelfs lam kunnen leggen. De Here heeft dan niet het oog op vreeswekkende verzoekingen of vervolging, maar op de zorgen van alledag.
De zorg om brood op de plank te krijgen, de zorg voor een huis, de zorg in verband met de gezondheid van jezelf en van hen die je lief zijn. Is het niet logisch dat wij ons om dergelijke dingen zorgen maken? Maar Jezus zegt: als iemand zich door zijn zorgen volkomen in beslag laat nemen, dan gaat het met hem als met het zaad dat tussen de dorens wordt gezaaid: zijn leven wordt na verloop van tijd door die zorgen verstikt (Mt. 13: 7 en 22). Zo iemand hoort het Woord nog wel, maar het kan geen beslag meer leggen op zijn hart: hij is immers in de ban van zijn zorgen. Deze verstikkende werking van de dagelijkse zorgen wordt daar acuut, waar we verslappen in het gebed.
De zorgen van alle dag ketenen een mens vast aan het heden en ontnemen hem het uitzicht op het komende koninkrijk. Jezus heeft ook daarvoor gewaarschuwd.
"Ziet toe op uzelf, dat uw hart nimmer bezwaard worde door roes en dronkenschap en door zorgen voor levensonderhoud, met het gevolg dat die dag plotseling over u komt, als een strik" (Luk. 21 : 34). Zorg voor levensonderhoud: voor ons gevoel een uiterst vanzelfsprekende zorg. Even vanzelfsprekend als de zorg om te overleven in een tijd waarin de atoombewapening wordt opgevoerd. Maar Jezus zegt: wanneer je je leven door die zorg laat bepalen, zul je blind worden voor de toekomst: de jongste dag zal je overvallen omdat je er niet op rekent. Waar de dagelijkse zorgen alle aandacht naar zich toe trekken, verdwijnt het gebed om de komst van het koninkrijk naar de achtergrond.

Gebed en gebod
Als we willen weten waar Luther zijn steun heeft gezocht tegen alles wat een mens van het gebed wil afbrengen, dan is er maar één antwoord mogelijk.
Hij zocht en vond die steun in Gods gebod. "Dit is het eerste wat we dienen te weten: dat wij op grond van Gods gebod moeten bidden". In zijn Grote Catechismus beroept Luther zich daarbij uitdrukkelijk op het derde gebod: Gij zult de naam van de HERE uw God niet ijdel gebruiken.
Een gebod dat ons impliciet gebiedt om God aan te roepen in alle nood. "Dat wil Hij van ons hebben en het mag niet van ons eigen goeddunken afhangen, maar wij moeten bidden, willen wij christenen zijn, zoals wij ook vader en moeder en de overheid gehoorzaam moeten zijn. Want door het aanroepen en bidden wordt Gods naam geëerd en goed gebruikt. Vóór alle dingen moet u dit goed bedenken, om daarmee tot zwijgen te brengen en uit te drijven zulke gedachten, die ons daarvan willen terughouden en afschrikken".
Luther doet geen enkele moeite om het gebed te 'verkopen', om het op de een of andere wijze voor de mensen aantrekkelijk te maken door er de voordelen van te laten zien. Als Luther mensen wil brengen tot het gebed, dan plaatst hij hen voor het gebod.
Dat lijkt weinig pedagogisch. En het verbaast ons ook, die nadruk op het gebod, voor een man die zo hartstochtelijk het "door genade alleen" heeft gepredikt.
De kwestie is echter, dat Luther het gebod om te bidden heeft verstaan als een onmiskenbaar bewijs van Gods genade. De redenen om te bidden hoef je niet uit jezelf te putten. Die liggen buiten jezelf in Gods gebod. En wanneer je innerlijk koud geworden bent en niet meer tot bidden bent te bewegen, hoef je niet bij jezelf te rade te gaan.
Dan staat je maar één ding te doen: je kracht zoeken bij Hem die je geboden heeft om zijn naam aan te roepen.
Het gebod is heilzaam. Het stelt een grens aan onze neiging om maar met onszelf in de weer te zijn, het legt aan ons redeneren over het gebed een zwijgen op en het plaatst ons in de ruimte van Gods tegenwoordigheid.
Door middel van het gebod neemt de Here eveneens onze twijfel aan de zin van het gebed weg. "Wat en waarvoor wij bidden, moeten wij verstaan als door God geëist en in gehoorzaamheid tegenover Hem gedaan; en wij moeten denken: Wat mij betreft zou het niets zijn, maar het heeft waarde omdat God het geboden heeft".

Gebed en belofte
Het gebod is voor Luther de grond voor het gebed. Maar als hij het gebod ter sprake brengt, kan hij over de belofte niet zwijgen.
De Here heeft ons zo streng geboden om te bidden, omdat Hij aan onze gebeden hecht en ze graag wil verhoren. Hij heeft immers zelf gezegd in Psalm 50: "Roep Mij aan ten dage der benauwdheid en Ik zal u redden"; en Christus zegt in het Evangelie (Mt. 7: 7): "Bidt en u zal gegeven worden". Deze beloften moeten ons er toe aanzetten om aan het gebod uit liefde gehoorzaam te zijn.
Laten we dit artikel afsluiten met een gebed van Luther zelf, waaruit blijkt hoezeer gebod en belofte voor hem met elkaar verweven waren.
"Ach hemelse Vader, lieve God, ik ben een onwaardige, arme zondaar, niet waard dat ik mijn ogen of handen tot U ophef en bid. Maar omdat U ons allen geboden hebt te bidden en ons ook verhoring hebt beloofd en bovendien zelf ons beide, woord en wijze, hebt geleerd door uw lieve Zoon, onze Here Jezus Christus, daarom kom ik, op dit gebod van U, om U gehoorzaam te zijn en ik verlaat mij op uw genadige belofte ... ".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief