Gedienstige geesten

1984-11-09
  • Jaargang 28
  • nummer 42
Engelen zijn gedienstige geesten, uitgezonden ten dienste van degenen die de zaligheid zullen beërven. Zo leert ons de brief aan de Hebreeën op overtuigende wijze. De mededeling is namelijk als een retorische vraag gesteld en dat geeft er een uitdaging aan. 1) De lezer wordt uitgenodigd om ja te zeggen, als zijn zaligheid hem lief is.

Had de schrijver van deze brief een Goddelijke openbaring gehad?
Misschien wel - maar hij ging er toch blijkbaar van uit dat de Hebreeën voldoende algemene kennis van de engelenwereld hadden, om daar een beroep op te kunnen doen. En inderdaad reikt de Bijbel ons zoveel engelen-gegevens aan, dat ook wij er ons niet van af kunnen maken. Al die gegevens bevestigen dat de engelen dienaren zijn, boodschappers, in dienst van de God van hemel en aarde, ten behoeve van de mensheid die naar Zijn beeld is gestempeld.
Wie in de Bijbel een speurtocht maakt naar engelen zal merken, dat de mens vroeger veel meer open stond voor de onzienlijke wereld; dat hij naast het gewone het ongewone verwachtte; dat hij boodschappers van buiten deze wereld een maaltijd van brood en vlees kon voorzetten. Onze generatie echter. die na eeuwen van materialisme, rationalisme en technocratie eigenlijk alles ontdekt en geregistreerd heeft, is blind en doof geworden voor boodschappen van "om de hoek". En die term "om de hoek" is de populaire zegswijze voor: uit de vierde dimensie.

Het woord dimensie is gevallen.
Bij het spreken over de onzienlijke wereld, als waartoe de engelen behoren, kunnen we daar niet om heen. We weten immers allemaal, dat de afstanden tussen sterrenstelsels in lichtjaren worden gemeten; dat zijn afstanden waarover het snelle licht een jaar zou doen. Indien we de hemel inderdaad "boven ons" zouden moeten zoeken, is deze nameloos ver weg, zo niet onbereikbaar.

Maar we moeten de hemel, beter de hemelen, veel dichter bij zoeken: onder ons, in onze directe nabijheid, maar wel liggend in een hogere dimensie dan de onze.
Het woord dimensie betekent iets als afmeting of eenheid. Wij mensen leven tijdens ons stoffelijk bestaan in drie dimensies: in lengte, breedte en hoogte.
Een primitief wezentje, een zeeanemoon bijvoorbeeld, blijft altijd op zijn eigen plekje, zit aan een punt gekluisterd. Maar een iets hoger ontwikkeld wezentje, een krabje misschien, leerde van zijn uitgangspunt naar een ander punt te schuifelen en terug.
Het leeft op een lijn en die lijn vormt een eerste dimensie.

Een nog hoger ontwikkeld dier, een mier bijvoorbeeld, leerde diverse lijnen op de grond te trekken, van hot naar her. Het kent lengte en breedte, leeft in twee dimensies.

Maar neem nu een spin. Die kan zich langs een draad heen en weer bewegen, kan langs draden omlaag en omhoog klimmen, naar rechts en naar links, leerde de derde dimensie kennen.
Zo leeft ook de mens in drie dimensies.
Loopt zijn weggetje van huis naar werk en terug. Doorkruist de stad bij het boodschappen doen. Beklimt torens en bergen, vliegt tien kilometer hoog en komt precies op het juiste plekje op aarde terug.
Zelfs de ruimtereiziger kan de datum, het uur en zijn landingspiek vooraf weten. Alleen ... de onzichtbare wereld is voor hem beangstigend want daar kan hij niet mee werken. Die heeft hij daarom uit zijn denken weggeschakeld.

Voor een mier is de hoogte een even beangstigende zaak. Wanneer een vogel zich uit de lucht op een mier stort, is het diertje op ondoorgrondlijke wijze van de aardbodem verdwenen. Het binnendringen van een vlucht vogels in een mierennest moet voor de slachtoffers even onbegrijpelijk zijn als het binnenvallen op aarde van een groep hemelse strijders voor ons zou zijn.

Toch zegt de wetenschap dat er boven onze drie dimensies nog ettelijke ander dimensies bestaan.
Toch stappen gedienstige geesten van tijd tot tijd zo maar bij ons binnen. Uit de vierde dimensie? Waarschijnlijk wel.
Want blijkbaar leven die engelen gedurig en ten volle met ons mee; ze zijn vlak bij, maar slechts weinigen zien ze. De profeet Elisa zag ze, bij massa's.
Emanuel Swedenborg zag ze, regelmatig.
Toy Snell, een Engelse verpleegster, zag de aartsengel Rafaël in 1918 herhaaldelijk bij ziekbedden staan. Ze merkte op dat zijn verschijning altijd het herstel van de zieke inhield; zijn naam luidt trouwens: de Heere geneest.
Ook vandaag zien en ervaren diverse mensen meer dan anderen.
Ze zwijgen er meestal over, bang om voor onwetenschappelijk of abnormaal te worden aangezien.
Alleen onder gelijkgezinden spreken ze er over. Laat me u een paar voorbeelden van engelenhulp mogen geven - uit deze tijd.

Bekend is het voorbeeld van een zendeling, die door ongelovige vijanden in een val zou worden gelokt. De opzet ging niet door omdat men naast de zendeling twee lichtgevende personen zag meewandelen. Dit verhaal, dat in diverse landen speelt, wordt door de schrijver dr Moolenburgh te Den Helder gelocaliseerd, omdat een betrouwbaar getuige daar het hem uit de eerste hand vertelde.

In dit blad schreef ik al eens dat ik een avond lang vruchteloos had gezocht naar de bijbelplaats, waar staat dat Mozes op de rots slóeg in plaats van er tegen te spreken. (We hadden in die jaren Trommius nog niet).
Eindelijk vroeg mijn Vrouw: waar zoek je toch al die tijd naar? Ik biechtte het op. Ze nam de bijbel, sloeg die open en las binnen een seconde de zin uit Numeri 20: 11 voor.

In dit blad vertelde ik ook, dat ik eens per auto van Vierhouten naar Nunspeet reed; snelheid werd in die jaren nog niet beperkt.
Bij een kruising naderde een andere auto, die mijn weg voorrang moest geven. De auto stond dan ook netjes stil. Toch kreeg ik een duidelijke ingeving: "let op die auto, hij kan gek doen". Meteen nam ik mijn rechtervoet van het gaspedaal en plaatste die boven de rem. Terwijl ik doorreed dacht ik: "als hij dan toch gek wil doen zou hij nu moeten optrekken". En op dat ogenblik trok de wagen inderdaad op, reed naief de voorrangsweg binnen. Had ik mijn voet niet al boven het rempedaal gehad, dan zou ik dit verhaal wellicht niet hebben kunnen vertellen.

Een van mijn familieleden stapte met haar vriendin in een Parijse ondergrondse trein. Zoals u weet staan die treinen maar zeer kort stil. Terwijl ze samen twee zware koffers inlaadden (en een handtas met de passen, reisbiljetten en geld nog op het perron stond) klapten de deuren dicht en weg waren ze. In paniek, dat wel. Een jonge man in de trein zag hun wanhoop, klopte mijn familielid op de schouder en zei rustig: "bij de volgende halte uitstappen en direct terug - ik zal u helpen".
Zo gebeurde. Spoedig reed een andere trein hen terug naar het vertrekstation, ze gingen een tunnel door, kwamen op het vertrekperron, worstelden zich door de menigte heen en ... daar stond een andere jonge man, met de verloren tas omhooggeheven!
Toen ze al weer in de trein zaten drong het tot haar door, dat de jongeman bij het overhandigen gezegd had: "et tous les papiers, madame!".
Hoe had hij kunnen weten vroegen ze zich af - dat al hun papieren, geld en passen in die handtas zaten?

Dr Moolenburgh vermoedde, toen hij zijn onderzoek begon, dat in vroeger tijden engelen wel werden gezien, sinds lang echter niet meer. Na de enquête wist hij echter: "engelen worden minstens evenveel als vroeger gezien, maar niemand praat er meer over" (p. 32). Daarom zegt hij: "ik zou willen pleiten voor een levenshouding van het religieus realisme. Een houding die met de mogelijkheid rekening houdt, dat het onmogelijk-geachte en de realiteit van alledag inderdaad gelijktijdig kunnen voorkomen" (p. 34).

"Wij zijn in deze eeuw iets heel essentieels kwijtgeraakt, namelijk de eerbied voor datgene wat ons (verstand) te boven gaat" (p. 40). "Er blijkt, dat wij de engelen wel vergeten kunnen, maar zij ons niet. Ze blijven springlevend in de menselijke geschiedenis en verschijnen nog net zo als vroeger in tijden van nood" (p. 41).

Daarom nog een voorbeeld van onze schrijver. Een jonge vrouw was verdwaald geraakt in een onverlichte griebusbuurt van Los Angelos. Ze werd angstig en merkte bovendien dat ze door drie ongewenste kerels werd gevolgd. Maar toen ze een vierde man tegenkwam die ze ondanks de duisternis goed kon zien (!), ging ze vol vertrouwen naar hem toe en vroeg hulp.
Deze bracht haar terug in de bewoonde wereld en noemde bij het afscheid haar voornaam. Ze zat al in de bus toen het tot haar doordrong, dat hij haar naam genoemd had. Maar de man was al terug naar de plaats vanwaar hij gekomen was.

Wilt u ook hier een paar weken over nadenken? Engelen zijn geen nummertje sensatie, maar spelen een van God gegeven rol in ons leven.

1) Hebr. 1 : 14.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief