Eerbewijs aan Prof. Dr K. Schilder
1984-11-09
De geheel onbindbare- Jaargang 28
- nummer 42
In een vorige aflevering bleek dat èn filosofie èn (sociale) psychologie uitgingen van een geheel in zijn leefwereld opgaande en daarmee onscheidbaar verbonden mens. Wel waren nog vier niveaus van reageren op die leefwereld te onderscheiden, maar plaats voor buiten-aardse invloeden werd er niet gelaten, evenmin als voor een vijfde niveau van reageren die het mogelijk zou kunnen maken de mens te onder-scheiden van de dwang van zijn leefomgeving. Dat vijfde niveau werd gevonden in een opdracht van Christus aan Zijn discipelen, een opdracht zoals steeds door Christus éérst voorgeleefd, daardoor en daarná pas met drang door Hem afge-"eist".
De ermee verbonden belofte, evenals de konsekwenties van deze opdracht voor een leer over de mens (antropologie), waarin bezien dient te worden onder welke omstandigheden de grootste vrijheid te verwezenlijken is (Hegels probleem), tezamen met de konsekwenties voor psychologie, opvoeding en onderwijs werden bewaard voor een volgende keer.
DE NIET MEER BINDBARE(N)
Ook in het Oude Testament al heeft God rekening gehouden met de wens van de (gevallen) mens om zich te onderscheiden van zijn omgeving. Het zich onderscheiden van de natuur of de mede-schepselen zoals plant of dier was geen probleem, aangezien dat met de scheppingsstructuur al gegeven was.
Nee, bedoeld wordt de goede wens zich te onderscheiden van de vróégere leefwijze èn zodoende de dienstbaarheid van het individu even groot te laten zijn als de ambtelijke dienstbaarheid van door God geroepenen als de Hogepriester.
Aangezien maar één persoon tegelijk Hogepriester kon zijn en bovendien dat alleen maar iemand kon zijn uit het geslacht van Aäron, was voor het gros van de Israëlieten uit die tijd hoe dan ook de kans verkeken die dienstbaarheid ten toon te spreiden.
Nu is bij mensen meestal de (slechte) wens de vader van de gedachte en dus alleen maar verkeerde dingen barend, echter in dit geval was de werkelijkheid de wéns van de Vader en kon ieder individu zich wijden aan niet-ambtelijke dienstbaarheid en zich zodoende toch op één lijn stenen met de Hogepriester. Hij was daar geheel vrij in, kon zich niet beroepen op de dwang van de omstandigheden die in zijn leefwereld zich geldend wilden maken en steeg boven de in het vorige artikel genoemde wijzen van reageren in de eerste vier niveaus uit.
Nergens binnen de geschapen werkelijkheid was er een voorbeeld te vinden waaraan hij zich kon spiegelen.
Als teken van dit Nazireeërschap diende alles wat van de wijnstok afkomstig was: van de pitten van de druiven, de druiven zelf of de krenten tot aan de ranktoppen toe. Neen, Hegel had beter moeten lezen in Numeri 6 tot welke vrijheden het individu zich gerechtigd voelde?, neen, gerechtigd was door een bestaande, afgekondigde wet. Nu had het gros van de Israëlieten uit die tijd de mogelijkheid tot niet-ambtelijk (Hoge)-priesterschap.
Numeri 6 is contra-Hegel uit volle bloede en dat eeuwen voor hem!
De brug tussen leken en priester is gelegd.
Aan het recht van Jahweh wordt niet te kort gedaan.
Eerlijkheidshalve dient gezegd te worden dat tussen de Nieuwtestamentische kerk zonder (hoge)priesters en de kerk onder het Oude Testament géén is-gelijk-teken geplaatst mag worden. Er is hooguit sprake van gelijkenis, niet van gelijkheid!
De tekst uit Numeri 6 geldt dus niet rechtsstreeks voor ons. Er dient dan ook in het Nieuwe Testament sprake te zijn van gedeelten die de gelijkenis tussen Oud- en Nieuwtestamentische Nazireeërs grondvesten.
Die zijn er en ze zijn afkomstig van Degene die het recht had die nieuwe wet af te kondigen: Christus.
In onze bijbeltjes staan die gedeeltes vermeld onder de kopjes "De zuurdesem der Farizeeën en Sadduceeën", resp. "De gelijkenis van de twee zonen" en .Davids Zoon en Heer". Ze zijn te vinden in Matth. 16, 21 en 22.
Eerst Matth. 16: 5 tot 12. Wat hield die "zuurdesem" nu eigenlijk precies in? Wel, dat is in het kort het volgende. Na de ballingschap nemen alle Israëlieten zich heilig voor nooit meer aan welke afgoderij dan ook te doen. Ze hebben zich er aan gehouden!
Dat dient tot hun eer gezegd te worden.
Helaas bleven er nog genoeg andere zaken over die de gelegenheid boden af te dwalen van wat de bedoeling van Gods aanwijzingen ten leven (de Thora van Mozes) was. Het verhaalde in Ezra 9 over gemengde huwelijken, in Nehemia 5 over de zorg voor de armen en 13 over zijn ijver voor de wet van Mozes spreken boekdelen. De afgodsbeelden van v6ór de ballingschap waren vervangen door afgodsdenkbeelden van ná de ballingschap. De wijziging van concrete naar abstracte symbolen had zich voltrokken! Zij het niet in positieve, dan wel in negatieve betekenis.
De angst voor herhaling van de straf zat er te goed in: g e e n tweede wegvoering werd gewenst en de benodigde barrière hiervoor werd opgericht: mensen die hun beroep ervan maakten de wetten van Mozes uit te pluizen en hun resultaten aan diegenen die niet in de gelegenheid waren de tijd daarvoor vrij te maken mede te delen (in navolging van Nehemia zelf) kwamen er steeds meer.
Tot nog toe is er niets verkeerds aan de hand.
Anders wordt het wanneer het karakter van deze noodmaatregel (die zelf tijdelijk had moeten blijven) niet meer als zodanig herkend wordt en een blijvende zaak gaat worden: een nieuwe stand is ontstaan, die van de Schriftgeleerden. Van de nood is op een verkeerde wijze een "deugd" gemaakt en de grondslag voor de latere verwording is gelegd.
Zonder dat iemand het gewild heeft of de negatieve bijeffecten vermoed heeft, is de brug tussen leken en priester(s), in Numeri 6 gelegd door God, verbroken! Na een periode waarin de Schriftgeleerden zich goed en dienstbaar van hun taak kweten, komt een periode waarin zij zich verheffen boven degenen die zij moeten dienen en waaraan zij hun bestaansrecht ontlenen: de nieuwtestamentische Schriftgeleerde met zijn 613 ge- en verboden en zijn verachting voor de schare die de wet niet kent, als ont a a r d ing van een type als Nehemia, is ontstaan: Hegel kan zijn kans krijgen!
Een tweedeling in het volk wordt gegrondvest en volgehouden op het kerkrechterlijke beginsel dat het volk van God te verdelen is in mensen die de wet wel en diegenen die de wet niet kennen. De vrijheid van de één wordt de slavernij van de ander: Farizeeën tegenover het volk. Nu krijgt het begrip leken een negatieve bijklank. Wie zou n i e t wenen?
Begrijpelijk wordt nu ook waarom Jezus in Zijn onderwijs in en vanaf de Bergrede steeds weer naar het begin (de afkondiging van de Leefregels van Mozes), vóór de verwording van het Schriftgeleerdenschap, teruggrijpt alsof Hijzelf aanwezig geweest is bij de afkondiging ervan op en bij de berg Horeb. In eigenlijke zin is dat ook het geval: de voor de mens Jezus als Engel des Heren bestaande wordt al genoemd in Exodus 23 : 20 en Richteren 2 : 1.
Begrijpelijk dan ook dat de scharen versteld stonden over Zijn leer, want Hij leerde hen als g e z a g hebbende en niet als hun Schriftgeleerden.
Wat het gevolg is geworden van die 613 geen verboden en dat kerkrechtelijke beginsel van volksdeling in clerus en leken is bekend: Golgotha.
De Bijbel spreekt dan ook niet meer over een bezoek van Christus aan Kajafas als Hogepriester ter bekering en winning van deze a m b t s drager voor de nieuwe kerk ná de Opstanding. Dat ambt is geworden niets-waard-ig, no sjem, nozem. Wel is in de Bijbel te lezen dat de af-scheid-ing tussen het Heiligende Heilige en het Heilige van Gód àf, pardon van bovenaf naar beneden scheurt: opruiming van een concreet symbool, zo u wilt: teken, dat aangeeft dat tegen de wet van de dienstbaarheid is gezondigd en die andere dienstbaarheid op grond van Numeri 6 krachteloos gemaakt is. Gold Romeinen 5: 1 tot 11 niet al van vóór de grondlegging der wereld af? Die basis van de schepping is toch niet te wijzigen? Recht gaat toch voor macht?
Begrijpelijk dan ook dat de volgelingen van Jezus de opdracht en het recht krijgen in hun leven de autoriteit (dat betekende zeggings k r a c h t toch?) van de Farizeese en Sadduceese zuurdesem te vervangen door de nieuwtestamentische wijziging van de zuurdesem van Numeri 6. Het nieuwtestamentisch Nazireeërschap is geboren: ieder gelovige heeft het recht elke verdeling van het volk van God in een meer- en een m i n d e r -WAARD- i g deel met meer en minder vrijheden en dus rechten te verwerpen op straffe van het ondergaan van het lot van Kajafas: gedoemd zijn tot nutteloosheid en verdwijning. Het recht van Numeri 6 is hersteld en de sinds een driehonderd jaar oudtestamentische gebondenen kunnen weer op het vijfde niveau van niet-meer bindbaren funktioneren.
De apostelen hebben de les van Jezus in Matth. 16: 12 begrepen, getuige het verhaalde in Hand. 5 : 29.
Hegel definitief weerlegd: de mogelijkheid tot niet-ambtelijke dienstbaarheid en dus tot vrijheid op één lijn met de ambtelijke dienstbaarheid van de enige, echte en ware Hogepriester (Hebreeënbrief!) is gewaarborgd en weer tot hèt kenmerkende van de schepping hersteld. Wie zou niet j u i c h e n?
Ook wij, 2000 jaar na het beschrevene, mogen in navolging van Luther, Calvijn, De Cock, Schilder e.a. van dit recht gebruik maken: Hegels probleem is definitief opgelost!
De gelijkenis van de derde zoon
De 13e eeuwse monnik die de Bijbel in leesstukken verdeeld heeft en boven elk stukje een toepasselijke titel heeft geschreven, heeft naast het verrichten van dit goede werk tevens ons de mogelijkheid ontnomen zelf en zelfstandig titels te bedenken.
Wie in het onderwijs werkzaam is, weet hoe titels verzinnen het inzicht van de kinderen in wat ze onder de knie moeten krijgen versterkt of sneller laat ontstaan.
Niet alle kopjes zijn even geslaagd te noemen: één daarvan is "De gelijkenis van de twee zonen".
Door deze titel te gebruiken, wordt aan het pericoopkarakter van de Bijbel voorbijgegaan.
Vóór Matth. 21 : 28-32 staat n.l. de vraag naar Jezus' bevoegdheid op grond waarvan Hij de tempel gereinigd heeft. Een vraag die door Jezus hoe dan ook beantwoord m6ét worden. Helaas voor de vragenstellers met een tegenvraag die zij niet wensen te beantwoorden, Jezus het recht gevend nee, niet het antwoord s c h ul d i g te blijven, als wel het antwoord voor binnengemeentelijk.
pastoraal en pedagogisch verantwoord, gebruik in een ander jasje gehuld te geven met een gelijkenis. Een gewoonte ontstaan na de tijd van Matth. 11, volhoudend.
Naast het licht van de schijnwerper gericht op de eerste zoon (ja-zeggend en nee-doend) en op de tweede zoon (nee-zeggend en jadoend) valt een diffuus licht op de derde Zoon, die ja zegt en dan ook ja doet: Christus Zelf. Als de tollenaars en hoeren al Johannes zien en in hem geloven, hoe veel te meer in Hem, Jezus?!
Jezus laat hiermee zien hoe de mens en de menselijke vrijheid door God bedoeld en dus de leer over de mens zoals door Hem voorgeleefd, voldoet aan de norm en de titel van Jesaja 9 vers 6: een Geweldenaar.
Nu zijn er in de Bijbel twee typen/soorten geweldenaars (Gibborim): de reuzen uit de voortijd en Nimrod (Gen. 6 : 4 en 10 : 8 en 9) tegenover die éne, unieke, nooit meer te evenaren goede uit Jes. 9 vers 6: de Goddelijke "Gibboor" Jezus.
Beide typen staan als water en vuur, doodswater en Geestesvuur tegenover elkaar?, nee, boven elkaar: een hem els breed verschil zogezegd.
Het ene type geweldenaar op dezelfde wijze als Adam in het paradijs wel de algemene regel beamend, echter niet die ene (ja-zeggen en nee-doen) en hoog uit komend tot een nee-zeggen en ja-doen onder het andere type Geweldenaar als "Samensmelting" 1) van de in de gelijkenis van de twee zonen geschilderde tegenstelling tussen zeggen en doen.
De vraag naar de bevoegdheid toch beantwoord
Na de niet-begrepen vingerwijzing in Matth. 21 : 31 ("tollenaars en hoeren gaan u voor ... ") en nog een gelijkenis, waarna de informeerders naar Jezus' bevoegdheid eindelijk begrepen dat Hij hen bedoelde, volgt in dezelfde situatie zonder dat er veel tijd verlopen zal zijn een derde gelijkenis, die van de koninklijke bruiloft en het besluit om Jezus te doden.
Na de eerste ronde tot uitvoering hiertoe ("het recht des keizers") en de tweede ronde ("de vraag naar de opstanding"), waarin resp. de Farizeeën en de Sadduceeën in hun de mogelijkheden en rechten van God beperkende probleem-stellingen weerlegd zijn, volgt de derde en laatste ronde voor Jezus' tegenstanders: "Wat wil God nu eigenlijk met de mens? Hoe is de mens bedoeld? Hoe verkrijgt de mens de hoogste en de grootste vrijheid?"
Het antwoord lag in de vraag opgesloten, was geen echte vraag en kon dus gemakkelijk beantwoord worden.
Daarna is de beurt aan Jezus: na de afgevuurde vragen beantwoord te hebben, krijgen de tegenstanders alsnog het buitengemeentelijke antwoord op hun vraag uit Matth. 21 : 23 te horen. Zij het via een vraagstelling die hun reeds 300 jaar durende verminking van het kerkrecht en splitsing in een minder- en een meerderwaardig van elkaar te s c h e i d e n deel van het BONDSvolk en daardoor de buitenaardse, eeuwen van te voren beloofde hulp om de mens weer aan zijn ware vrijheid en ware mens-zijn te kunnen laten voldoen in Christus, buiten het gezichtsveld en buiten hun systeem sluitend, aan de kaak stelt. Immers de Messias is enkel mens, vonden de Farizeeën en vielen daardoor continu over Christus' pretentie óók nog Gods Zoon te zijn, heen.
U kent het antwoord van hen dat de Messias poogde op te sluiten in het vierde niveau: wel mens, geen Godszoon (Matth. 22 : 42b).
Wel hulp aanvaarden, echter alleen op eigen voorwaarden om zodoende hun veilige machtspositie onaantastbaar makend volgens de leuzen: "God is macht" en "God is geld".
Hun eigen systeem verslaat hen, Jezus' antwoord voldoet aan de normen van Exodus 23 : 20 en Jesaja 9 : 6, 6ns Nazireeërschap veilig stellend door het Schriftbewijs te leveren dat Hij recht heeft ook in kerkrechterlijke zaken onderwerping aan Zich te vragen.
Dat Jezus' weerlegging de oversten van het volk bijzonder gestoken heeft (zoals de Nederlandse taal zo beeldend weet te vertellen) is al te concluderen uit de vermelding van vers 46 dat niemand meer Hem iets van die dag af durfde te vragen. Continue verliezen is niet leuk!
Wel wordt er op teruggekomen, dat wel!
Alleen wel op een plaats die verdergaand gezichtsverlies bij het volk weet te vermijden, zoals het mensen betaamt die hun eigenhandig bedacht denksysteem, hun eigenhersenig gefabriceerde afgodsdenkbeelden koesteren als was dat het belangrijkste door God aan de mensheid gegevene: prototype en hoogtepunt van alle situaties waarin een idee, systeem of welk eigenmachtig gekozene dan ook, gesteld wordt boven wat = Wie werkelijk tot onze vrijheid en ons mens-zijn gegeven is! (Matth. 26 : 63).
Hoe groot de opluchting is als Jezus de vraag beantwoordt, m6ét beantwoorden (ons ten voorbeeld Zijn opdracht niet verzakend "valt" in de hogepriesterlijke "valkuil", door de Schriften voorbereid in de in Matth. 22 : 44 aangehaalde Psalm 110 : 1) blijkt wel uit het vervolg uit de reaktie van Kajafas op het v i e r d e niveau, geheel in strijd met de Mozaïsche wetgeving waarop men zich beriep.
Hogepriesterlijke kleding diende volgens Lev. 21 : 10 een teken, zo u wilt: een symbool, te zijn van Gods heilige afkeer van dood en breuk in de relatie tussen God en mens.
Regels zijn leuk, regels zijn fijn, maar ze moeten alleen voor een Ander gelden! Nood breekt recht, ... eh, wet! Ja toch? Niet dan?
Een volgende keer graag verder.
1) letterlijke vertaling van het Hegeliaanse begrip "synthese" als de op een hoger niveau gebrachte stelling en tegen-stelling, waar zij niet meer als uitsluitende tegenstelling werken, maar in een hogere eenheid bewaard en levend gehouden worden