Feest in Abrahams tent
1984-11-16
Lachen en lachen is twéé - Jaargang 28
- nummer 43
't Was feest in de tent van Abraham: de kleine Izaäk was zo groot geworden, dat hij niet langer bij zijn moeder aan de borst hoefde te drinken: dié tijd was nu definitief voorbij, en dat moest gevierd worden!
Iedereen in Abrahams "huis" - en dat waren er heel wat!feestte mee.
Iedereen - op één na. Sara zag het: de zoon van Hagar, de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spotte. De verteller is in feite nog veelzeggender: hij ... LACHTE. De lach kwam al zo vaak ter sprake: bij Abraham, bij Sara èn bij hun zoon: dit woord gaf Izaäk zijn naam - hij/men zal lachen.
Ismaël lachte dus ook. Maar blijkbaar niet omdat hij in de feestvreugde deelde. Hij zag het hele gedoe aan en lachte, spottend, meesmuilend: wat een toestand, wat een drukte - en dat om zo'n kleine snotneus met zo'n stokoude vader en moeder ...
Sara zag het en ze reageerde onmiddellijk: Abraham, jaag die slavin met haar zoon weg. De namen komen haar niet over de lippen. En de daad is aan Abraham: weliswaar is Hagar weer Sara's slavin (Gen. 16 : 6), maar Ismaël is Abrahams zoon.
Een kinderachtige reactie van Sara? Ingegeven door platvloerse, nauw verholen jalouzie? In de commentaar van dr A. van Selms heet het: "Sara is jaloers, hard en heerszuchtig". Meestal wordt dan ook nog even Gen. 16 erbij gehaald: de voorbarigheid van Abram en Saraï, die God een handje meenden te moeten helpen bij de vervulling van de belofte. Oftewel Abram en Sarai op een dieptepunt van ongeloof - de zwarte bladzij uit het leven van de vader (en moeder) aller gelovigen... En de tragiek is dan, dat Hagar en Ismaël er tenslotte de dupe van worden ...
Om te huilen ...
Ja, weet u: wanneer iemand aan de hand van de langdurige kinderloosheid van Abraham en Sara of van Izaäk en Rebecca beweert: je moet maar veel bidden en sterk geloven - dan komen de kindertjes wel, dán zijn we terecht verontwaardigd. Maar we maken een even grote blunder als we bladzij na bladzij de vader en moeder aller gelovigen (Rom. 4 : 16 v.v.; Hebr. 11 : 11) op hun geloof aan het keuren zijn (met welk recht??) en als we pagina na pagina niet gespitst zijn op G6ds werk, op zijn heilsgeschiedenis, waar wij uiteindelijk zelf bij betrokken zijn!
Abraham en Sara - om ons daartoe te beperken - zijn een mensenleven lang kinderloos geweest, tot het menselijkerwijs gesproken volslagen hopeloos was. Ze leefden in een vreemd land waarvan ze geen vierkante meter in eigendom hadden.
Ze taalden niet naar de vruchtbaarheidsgoden van Haran en Ur (vgl. Hebr. 11 : 15) noch naar die van Kanaän. Ze sleten hun dagen en jaren in hun tent, en ondanks Gods beloften (een gr66t volk), bleven ze kinderloos.
Wat zullen ze daarover gepraat en daaronder geleden hebben... En hoe moesten ze hun emigratie, sterker nog: hun God verdedigen alleen al tegenover hun personeel? Die zullen er wel geen heil meer in hebben gezien! En God liet dat al die jaren zo... zèlf zette Hij Zijn goede naam op het spel.
Onnavolgbaar?
Abraham en Sara probeerden God te volgen.
Eerst wordt de vaderloze Lot halfwees - door God uitgeschakeld als mogelijke erfgenaam (Gen. 13 : 14 v.v.).
Oppert Abraham later, dat Eliëzer, zijn major domus, zijn erfgenaam zal worden, dan zegt God hem: deze zal niet uw erfgenaam zijn, maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn (15 : 4).
Een laatste mogelijkheid is Hagar: misschien zal ik uit haar gebouwd worden, zegt Sara.
Wat een geloof, wat een liefde toont Sara hier: zelf treedt ze terug ten behoeve van Abraham en Gods belofte. Maar nee, zegt God, uw vrouw Sara zal u een zoon baren (17: 19). Je moet zoiets maar geloven als je 99 respectief 89 jaar oud bent ...
Drie mogelijkheden afgesneden, één onmogelijkheid beloofd.
Maar dat is wel de uitzonderlijke weg, die God in dit uitzonderlijke geval gaat. Of liever: waarop Hij Abraham en Sara doet gaan. Een weg die zij gaan in onwrikbaar geloof.
De weg van het wonder
Een wonderlijke weg koos God - de weg van het wonder.
Het ging Hem er blijkbaar om, dat zelfs de mensen van nu zouden zien en weten, dat de geboorte van Izaäk. van het volk Israël, van de Messias, en daarmee ook de geboorte van de gemeente van Jezus Christus zijn scheppingswerk is, en geen mensenwerk.
Dat geeft moed en ver trouwen tot op vandaag: de geboorte van de kerk is Gods werk. En daaraan is het leven van Abraham en Sara ondergeschikt gemaakt, ook al hebben ze daardoor het grootste gedeelte van hun leven moeten lijden.
In één van zijn dictaten (hij heeft ze zelf niet meer kunnen doornemen en uitgeven) schrijft wijlen professor B. Holwerda: "Daarom laat God dan ook ... de vader in Abraham en de moeder in Sara versterven. Wanneer ze nu, ná hun versterving, dus na de ondergang van hun creatuurlijk vermogen, in de volmaakte steriliteit... een kind ontvangen, dan wordt het openbaar, dat dit kind zijn aanzijn dankt alleen aan het herscheppend wonder Gods ... Juist terwille van zijn vaderschap in de kerk, legde God eerst zijn vaderschap stil.,; Abraham... heeft zijn versterving moeten lijden terwille van zijn kerk-vaderschap, terwille ook van mij. Het was bij hem niet een particuliere geloofsbeproeving, maar hij heeft die nood moeten ondergaan (samen met Sara, P.) terwille ook van mij; ik was daarbij betrokken; daarin legde God de fundamenten waarop ook mijn geloof moet rusten." (Dictaat Historia Revelationis I, pag. 23 v.) Z6 de Schrift lezen verdiept het inzicht in dat ontzag-wekkende: dit is van den HERE geschied!
Maar het is uitgerekend dit wonder van God, waar Ismaël spotlachend de draak mee steekt. ..