Hij maakt het kwade goed
1986-10-24
We zagen de vorige week hoe God een domper zette op de blijdschap van Israël om hun kersverse koning. Maar wat moet Israël nu doen?- Jaargang 30
- nummer 41
Moeten ze nu tegen Saul zeggen: Ga maar weer naar je boerderij in Gibea, want zo rust er geen zegen op!? Maar waarom heeft Samuël dan toch meegewerkt aan de verkiezing van de koning?
Omdat Saul, boe vreemd het ook klinken moge, toch óók de koning is van Gods keuze. Hier heb je weer dat wonderlijke in elkaar verstrengelde van menselijk en Goddelijk handelen: mensen, die boze dingen doen, eigenzinnig, dwaas, verdorven ~ en God, die door dat handelen heen èn met gebruikmaking daarvan werkt aan zijn plan.
Denk aan de geschiedenis van Jozef - verkocht door zijn broers, slachtoffer van de listen van zijn meesteres, vergeten door de schenker.
Maar al met al is juist dit zijn weg naar de troon van Egypte om een groot volk in leven te behouden.
Wat mensen ten kwade dachten, heeft God ten goede gedacht.
Denk vooral aan het lijden en sterven van onze Heiland, het meest duistere kwaad ooit door mensen bedreven. Maar in Gods plan werd daardoor het heil gediend voor een menigte, die niemand kan tellen.
In 1 Sam. 12, 13 zien we als het ware zwart ·op wit voor ons hoe een menselijke en een Goddelijke draad worden samengeweven: Ziedaar de koning, die gij verkoren hebt, die gij begeerd hebt; zie, de HEERE heeft een koning, over u aangesteld. Dit ,is toch typisoh de God van het verbond, die als een liefdevolle Vader ons verzorgt met alle goed, alle kwaad van ons weert Of ons ten goede keert. Zelfs het kwaad, dat wij ons zelf aandoen!
Hoe verkeerd Israëls verlangen ook is, God weet het in te passen in zijn plan.
Voortaan zal Hij Israël leiden door middel van een koning.
Máár - laat het volk alsjeblieft niet denken, dat het er voor hen dus niet op aan komt hoe ze denken, hoe ze handelen. Dat God de boei.wel weer rechtbreit a's zij een steek laten vallen. Nee, zo zijn God en Israël bij de Sinaï niet getrouwd!
Het volk blijft verantwoordelijk voor zijn daden. En. daarover gaat het gericht van God. Daarover rolt de donder van zijn toorn (vs. 18).
Mogelijk kent u dat ook in uw eigen leven, dat in elkaar verstrengelde van onze zondig-menselijke wensen en verlangens en het streven naar hun vervulling enerzijds, maar ook het plan van God met ons leven 'anderzijds. We moeten niet aarzelen het licht van Gods Wóord te laten schijnen over ons leven. Misschien ontdekken we achteraf, dat we bepaalde dingen hebben bereikt of verkregen op een wijze, die God beslist niet kan goedkeuren. We hebben misschien eigenmachtig dingen gegrépen, die God ons had willen géven. Zoals Jakob gréép naar de belofte van het land omdat hij niet kon wachten tot God het hem gaf!
En toch ontdekken we misschien achteraf, dat het een plaats heeft ontvangen in Gods plan met ons leven. Als u dat ontdekt, loof en prijs dan de HEERE om zijn wijsheid en zijn liefde. Maar vergeet niet Hem te smeken om vergeving .van uw schuld. Laat de rollende donder van Gods toorn te Gilgal, waarvan de echo vandaag narommelt, u daartoe aansporen.
Wat heeft dat onweer indruk gemaakt op Israël. Hun feestvreugde is omgeslagen in een dodelijke benauwdheid (vs. 19). Is met deze God eigenlijk wel te leven? Laat Sámuël alsjeblieft voor hen bidden.
Ja, is er met God wel te leven? Is het verbond met Hem eigenlijk wel een begerenswaardige zaak?
'Want je wordt er voortdurend naar beoordeeld. Als lid van het verbond neemt God ons onze zonde en schuld extra kwalijk. En tegelijk komt juist in de nabijheid van God onze goddeloosheid, onze wezenlijke opstandigheid tegen God, des te zwarter in het licht.
Israël heeft het gewéten, dat het Gods uitverkoren volk was. Christus heeft het later eens zo gezegd: "De slaaf die de wil van zijn heer kende, maar er niet naar deed, zal vele slagen ontvangen. Maar die de wil niet heeft gekend en dingen deed die slagen verdienen, zal er weinige ontvangen" (Luk. 12, 47v).
Maar is het dan wel eerlijk, dat God ons zomaar tot leden van zijn verbond maakt? Zou God ons niet de keuze moeten laten? Zo hoor je wel eens mensen zeggen: Ik heb toch zeker niet om mijn doop gevraagd?
Maar dat zijn zaken waarvoor God zich tegenover ons niet verantwoordt.
Netzomin als God zich tegenover ons verantwoordt waarom Hij ons het leven schonk in het westen en niet in de derde wereld of als blanke en niet 'als kleurling.
Daar is Hij God voor, de Schepper, de Allerhoogste. Zijn diepste motieven gaan ons verstand te boven.
En het behoort tot de verhouding van de Schepper tot zijn schepsel, dat de laatste zijn plaats in het leven krijgt aangewezen. En daar hebben we maar te beantwoorden aan Gods bedoeling met ons leven. En aan het einde van ons leven zal God niet vragen: Had Je achteraf misschien liever een andere plaats gehad? Maar: Wat heb je op jouw plaats met jouw mogelijkheden gedaan om Mij te dienen?
Maar wat zouden we klagen over onze plaats in Gods verbond? Laten we liever klagen over onze zonden (Klaag!. 3, 39). Laten we .oppassen voor zelfmedelijden. Het past ons schuld te belijden. Maar net als Israël hebben we daar 'een ander bij nodig, een betere middelaar nog dan Samuël: Jezus Christus.
En dan blijkt het verbond met God helemaal niet knellend te zijn.
Want als wij uit zwakheid in zonde vallen, moeten wij aan Gods genade in Christus niet wanhopen en niet in de zonde blijven liggen.
Want de doop is een zegel en onwrikbaar getuigenis dat wij een eeuwig verbond met God hebben.
Samuël zegt het in vs. 22 zo: De HERE zal zijn volk niet verstoten, om der wille van zijn grote Naam.
Hij heeft zijn Naam aan ons ver-bonden. 0 ja, met deze God is zeker te leven. En Hij maakt dat leven tot een feest. Tot een ècht feest. Want ook al kan God spelbréker zijn, Hij is toch vooral spelmaker!