Bidden met Luther (slot)

1984-11-30
  • Jaargang 28
  • nummer 45
Het klein verschil?
In de voorgaande artikelen hebben wij een poging gedaan om een indruk te geven van Luthers wijze van bidden en van de aanwijzingen voor het gebed die hij ons in zijn geschriften heeft nagelaten. In dit slotartikel besteden we aandacht aan enige punten waar Luthers opvattingen over het gebed botsen met ideeën die vandaag in zwang zijn. We doen dat in de hoop dat deze confrontatie corrigerend en stimulerend mag inwerken op onze eigen gebedspraktijk.

Kort bidden
"Een goed gebed moet niet lang zijn, ook niet langgerekt: we moeten vaak en vurig bidden".
De weg tot het gebed die Luther wijst loopt via de overweging van het Woord van God of van de Apostolische Geloofsbelijdenis.
Die weg kan, al naar gelang er tijd of gelegenheid is, de ene keer langer zijn dan de andere.
De eigenlijke gebeden van Luther zijn in de regel echter kort.
Als overtuigd voorstander van een kort en krachtig gebed neemt Luther een standpunt in dat niet iedereen maar zo met hem delen zal. Er zijn christenen genoeg die er juist vurig voor pleiten om toch vooral veel tijd uit te trekken voor het bidden. Een uur of langer in gebed gaan, alvorens iets te gaan ondernemen (bijvoorbeeld op het vlak van de evangelisatie), is bij hen geen uitzondering. Dat laat niet na indruk te maken. Maar verdient het daarom ook zonder meer navolging?
Hoewel lang bidden ook in de dagen van Luther al bewondering afdwong, kunnen wij toch niet om een woord van de Here heen, dat Luther in zijn Grote Catechismus ter sprake brengt met het oog op de lengte van het gebed.
"En gebruikt bij uw bidden geen omhaal van woorden, zoals de heidenen; want zij menen door hun veelheid van woorden verhoord te zullen worden" (Mt. 6: 7).
Wie nu anderen jaloers maakt op de kwaliteit van zijn geestelijk leven, door hoog op te geven van de tijd die hij voor het gebed reserveert, die suggereert dat er toch een verband bestaat tussen de lengte van het gebed en de verhoring, terwijl de Here dit verband in de Bergrede uitdrukkelijk ontkend heeft. Wanneer wij het doen voorkomen alsof een christen lang moe t bidden en elkaar dat als plicht opleggen, dienen we ons in alle ernst af te vragen of wij niet in heidens vaarwater terecht gekomen zijn.

Het 'amen' sterk maken
Telkens wanneer hij het gebed ter sprake brengt onderstreept Luther het grote belang van het woordje 'amen'. Dat moet krachtig klinken, als een geloofsbelijdenis.
"En houd niet op met het gebed zonder te hebben gezegd of gedacht: 'Kom, dit gebed is bij God verhoord, dat weet ik heel zeker'. Dàt betekent: 'Amen'."
Onze gebeden kunnen ook (te) lang worden, doordat wij moeilijk 'amen' kunnen zeggen. We vervallen dan in herhaling omdat er twijfel is in ons hart. Zal de Here wel doen wat ik vraag?
Moet ik het Hem niet nog eens onder de aandacht brengen? Als we ons gebed rekken omdat we bang zijn niet verhoord te worden, bevinden we ons op de verkeerde weg. Onze Vader weet immers wat wij nodig hebben nog vóór wij Hem bidden? (Mt. 6 : 8). Hij laat zich niet - zoals de heidenen denken - tot verhoring dwingen door een veelheid van woorden.
Daarom moet iemand die bidt ook van ophouden weten door zijn gebed te besluiten met een krachtig 'amen' om vervolgens met goede moed weer aan de slag te gaan.

Het Woord als 'tegenover'
Bidden was voor Luther onbegonnen werk buiten het Woord van God om. Daarom had hij de gewoonte om, voordat hij ging bidden, een gedeelte uit dat Woord hardop te lezen. Eerst moest de stem van God klinken, dan pas nam Luther zelf het woord.
Omdat hij zoveel waarde hechtte aan het gesproken woord, zou Luther naar alle waarschijnlijkheid nooit op het idee zijn gekomen om de tijd die hij uittrok voor Schriftlezing en gebed te typeren als 'stille tijd'. Deze benaming, die bij een aantal christenen ingang heeft gevonden, legt een te eenzijdige nadruk op de inkeer, terwijl bidden voor Luther was een - letterlijk - roepen tot de Here, een zich uitstrekken naar Hem. Daarom bad Luther ook niet in gebogen houding maar rechtop staande.
Wanneer Luther een Schriftgedeelte gelezen had, was het eerste wat hij wilde weten "wat het op zichzelf genomen is" ("wie es denn an im selber ist"). Daarmee moet alles beginnen: met het respecteren van het 'tegenover' van Gods Woord. Want als Luther van één ding diep doordrongen was, dan wel hiervan: het Evangelie is niet naar de mens. Het strookt niet met onze denkpatronen. Wij moeten het eerst op ons af laten komen zoals het is. Wie het zich te snel wil toeëigenen, loopt de kans dat hij God voortijdig in de rede valt en de eigenlijke boodschap niet meer hoort.
We moeten het Woord ook niet overhaast toepassen op onze eigen situatie zoals wij die ervaren.
Wij hebben immers vaak maar een gebrekkig zicht op Gods Woord, bijvoorbeeld de Tien Geboden of het Onze Vader, opent ons de ogen voor onze werkelijke nood.
Dat betekent niet dat we het verlangen niet zouden mogen hebben om persoonlijk te worden aangesproken door het Woord van de Here. Dat verlangen krijgt bij Luther alle ruimte. Het mag zich alleen niet op de voorgrond dringen. Want dan gaat een mens zomaar over het Woord heersen. Dan projecteert hij zijn eigen wensen en verlangens in de Schrift en tast daarmee in feite de bijbel als Gods Woord aan.

Woord en Geest
Kenmerkend voor onze tijd is de roep om ervaring. Voor een deel verklaart die de aantrekkingskracht die de Pinksterbeweging heeft. Mensen verlaten de kerk, omdat de mening bij hen heeft postgevat dat de Geest daar niet werkt. Maar ook kerkleden, die de leer van de Pinksterbeweging op principiële gronden afwijzen, blijven niet zelden zitten met de gedachte: en toch missen wij iets. Zij gaan gebukt onder gevoelens van (geestelijke) minderwaardigheid, wat de kracht van hun geloof verzwakt.
Maar missen wij dan echt iets?
Dat valt inderdaad te vrezen.
Het is goed om verkeerde opvattingen over de heilige Geest af te wijzen en te weerleggen. Maar als we het daarbij laten en het spreken over het leven door de Geest uit de weg gaan, leveren we daarmee het bewijs van eigen armoede.
Wat ons bij Luther zo treft is enerzijds zijn onverzettelijke houding tegenover de geestdrijvers van zijn dagen, maar anderzijds een - voor ons gereformeerden vrijwel ongekende - vrijmoedigheid in het spreken over de heilige Geest.
Zijn wij op dit punt niet ver bij Luther achterop geraakt?
Laat één ding echter duidelijk zijn. Luther heeft de kracht van de Geest nooit gezocht in uitzonderlijke manifestaties. Hij heeft de heilige Geest daar gezocht waar Hij zich laat vinden: in het Woord. Daar heeft hij Hem gevonden, keer op keer.
We geven hier nog maar eens dat citaat uit 'Hoe men bidden moet'. "Het gebeurt me dikwijls, dat ik in één stuk of bede (van het Onze Vader) terecht kom in zo'n rijkdom van gedachten, dat ik de andere zes allemaal laat rusten. En wanneer zulke rijke, goede gedachten komen, dan moet men de andere gebeden laten varen en zulke gedachten ruimte geven en in stilheid toehoren en ze vooral niet storen: want daar predikt de heilige Geest zelf. En van zijn prediking is één woord heel wat meer waard dan duizend van onze gebeden. Ik heb zo ook dikwijls in één gebed meer geleerd dan ik uit veel lezen en nadenken tevoorschijn had kunnen halen".
We raken hier aan het hart van de Reformatie: de eenheid van Woord en Geest, beleden èn beleefd.
Het Woord gelezen vanuit het geloof dat de Geest de Auteur en Uitlegger van dat Woord is.
Juist daar, waar wij het 'tegenover' van Gods Woord respecteren, waar wij eerbiedig afstand bewaren, daar komt Hij ons door zijn Geest het meest nabij.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief