De 144.000 en de schare die niemand tellen kon
1984-11-30
In 'Opbouw', 28ste jrg. nr. 3, blz. 18 kol. 2 vestigde ik de aandacht op Opb. 9 : 16,17, dat men m.i. zo zou moeten vertalen: "En het aantal van de cavalerie-troepen was 200.000.000. Ik hoorde hun aantal (noemen) en daarna kreeg ik in het visioen de paarden ook te zien, mèt hun berijders, die rossige, blauwe en zwavelkleurige harnassen droegen...").- Jaargang 28
- nummer 45
Eerst horen, dan zien: een vast patroon
Ik wees erop, dat we hier een geval hebben waarbij Johannes eerst een informatie te horen krijgt over iets dat hem daarna pas onder de ogen komt. Ik zag daarin een parallel met 1 : 10-12, waar hij aanvankelijk alleen maar iemand achter zich hoort spreken, dien hij vervolgens, als hij zich omdraait, ook te zien krijgt.
Achteraf bleek mij, dat we hier blijkbaar met een vast patroon te maken hebben, dat voor dit bijbelboek karakteristiek genoemd mag worden.
In 22 : 8 nl., waar de apostel de reeks hem gegeven openbaringen nadrukkelijk afsluit, zegt hij: "En ik, Johannes, ben het die dit hoorde en zag; en toen ik het gehoord en gezien had, liet ik mij neervallen voor de voeten van den engel die mij dat toonde, om te aanbidden".
Andere voorbeelden
Er zijn trouwens nog een aantal met 9: 16, 17 min of meer vergelijkbare gevallen uit het boek Openbaring te noemen. Ik noem .ze in een volgorde die gaat van 'min' naar 'meer'.
In hoofdstuk 6 lezen we over het gezicht ("En ik zag ... ", v. 1) van de opening van de zeven zegels van de boekrol uit hoofdstuk 5 (vv. 1 vlgg.). Bij de opening van drie daarvan, nI. van het eerste (vv. 1, 2), het derde (v. 5) en het vierde (vv. 7, 8) heet het: "Ik hoorde een van de vier dieren zeggen: 'kom!', en toen zag ik ... ". Men zou het zich zo kunnen voorstellen dat de vier paarden waarvan hier sprake is achter de coulissen staan opgesteld, en dat telkens een van de vier troon dieren aan één daarvan het commando geeft het toneel op te komen. 1) De meest nauwkeurige parallel van 9 : 16, 17 is echter - en die tekst geeft mij ook aanleiding tot het schrijven van dit artikeltjewat we lezen in 7 : 4-9. Een engel uit het oosten had de vier engelen die de winden aan de ketting houden luid toegeschreeuwd er nog even mee te wachten de vier winden op de aarde los te laten, "totdat wij de . knechten van onzen God aan hun voorhoofd zullen hebben verzegeld" (v. 3). En dan volgt: "En ik hoorde het aantal verzegelden (noemen): 144.000 verzegelden uit alle stammen van Israëls zonen" (v. 4; een totaal, waarvan vervolgens de componenten worden gespecificeerd voor elke stam, vv. 5-8). "Daarna zag ik ... nee maar! ... een schare zo talrijk, dat niemand ze kon tellen ... " (v, 9).
Hier doet zich, evenals in 9 : 16, 17, het geval voor, dat eerst misschien door den tolk-engel; in elk geval door iemand die, om zo te zeggen, 'achter de schermen' heeft gekeken - mondeling opgave gedaan wordt van het aantal van hen die Johannes straks te zien zal krijgen, als ze het toneel op komen.
Twee conclusies
Deze frappante parallelie tussen 9: 16, 17 en 7: 4, 9 geeft mij aanleiding tot twee opmerkingen.
In de eerste plaats: ze bevestigt mij in de overtuiging, dat houtoos in 9 : 17 is op te vatten in dezelfde zin als meta tauta (= 'daarna') in 7 : 9.
In de tweede plaats: ze bevestigt mij in de overtuiging, dat in hoofdstuk 7 'de schare die niemand kon tellen' uit v. 9 dezelfde is als 'de 144.000 verzegelden van Israël' uit v. 4.
Over de vereenzelviging van die twee grootheden bestaat nI. ernstig meningsverschil tussen de exegeten. Ik voor mij was destijds bij de bestudering van 'de zeven zegelen' reeds tot de conclusie gekomen, dat het hier inderdaad om dezelfde groep mensen gaat. Maar waarschijnlijk hebben de woorden die in v. 9 volgen op het hierboven door mij geciteerde begin van het vers veel exegeten op een dwaalspoor gebracht; deze: " ... uit alle volk en stammen en natiën en talen".
Men denkt dan al snel, dat hier sprake is van gelovigen uit allerlei volken der wereld, dus nièt uit Israël, zoals in v. 4 wèl het geval zou zijn.
Het punt is, denk ik, dat 'uit' hier niet betekent 'geboortig uit', maar 'terugkerend uit' de volken waarover de Israëlieten verstrooid waren. Op de vraag nl.
van een der oudsten "Waar komen zij vandaan?" (v. 13) blijft Johannes het antwoord schuldig.
Maar dan geeft die oudste zelf opheldering, gebruik makend van profetieën van Jesaja die betrekking hebben op Israëls terugkeer uit de babylonische ballingschap, t.w, Jes. 49: 10 (Opb, 7: 16) en Jes. 25: 8 (Opb. 7: 17b). Met name de context van het eerste citaat maakt dit duidelijk (Jes. 49: 11, 12): "En Ik zal mijn bergen tot een weg maken en mijn heerbanen zullen opgehoogd worden.
Zie dezen komen uit de verte, genen uit het Noorden en het Westen, weer anderen uit het land der Sinieten".
Waar de verdrukker van Gods volk als 'Babylon' wordt betiteld (vgl. 17 : 5, 6), behoeft het ons toch ook helemaal niet te verbazen, dat het volk van God dat uit die verdrukking wordt geleid (7 : 14) getekend wordt als het Israël dat uit de ballingschap terugkeert naar het beloofde land?
"Geschikt" lezen
Het tegenargument - waarmee tal van exegeten opereren - dat de grootte van de groep uit v. 4 nauwkeurig wordt opgegeven (144.000), terwijl van de schare uit v. 9 gezegd wordt, dat niemand die kon tellen, -welke bepalingen niet met elkaar te rijmen zouden zijn, getuigen m.i.
van weinig begrip voor de bijbeltaal, en met name voor de uitdrukkingswijze in visionaire passages.
De opgave '144.000' komt uit de hemel. En ze betekent niet meer - en niet minder! - dan dat God het getal van Zijn verlosten tot de heilige volheid heeft laten komen die Hij zich had voorgesteld.
Aan de andere kant: dat 'niemand die schare kon tellen' betekent, dat geen mens eraan beginnen kan te tellen, wie de Heere allemaal gered heeft.
Ik denk hier aan een soortgelijke uitspraak in 5 : 3: "niemand in de hemel noch op de aarde noch onder de aarde kon de boekrol openen". Dat wil zeggen: geen schepsel was daartoe in staat.
Maar wel de Leeuw uit de stam Juda.
Ik denk ook aan Jes. 40: 26, waar de Heere Zijn twijfelend volk oproept naar de sterrenhemel te kijken, en dan zegt, dat Hij elk van de sterren bij name roept, zoals een herder dat met zijn schapen doet; wat impliceert, dat Hij weet, hoeveel het er zijn, vgl. Ps. 147 : 4 "Hij bepaalt het getal der sterren, Hij roept ze alle bij name". Maar in een met dit gedeelte uit Jesaja duidelijk verwante passage zegt de Heere tot den twijfelenden vader van Israël, Abraham, het volgende: "Zie toch op naar de hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt" (Gen. 15 : 5), met de duidelijke ondertoon: "dat kun je niet!".
1) Anders ligt het geval in 5 : 11 en 8 : 13, waar niet de entrée van een nieuwe figuur wordt aangekondigd, maar waar de aandacht wordt gevestigd op een geluid dat een of meer reeds op het toneel aanwezige figuren produceren. Als daar staat "ik zag en ik hoorde". dan zouden we beter kunnen vertalen: "ik hoorde op het toneel".
Anders ligt het geval m.i. ook in 14 : 13, dat men moeilijk kan uitleggen als aankondiging van het gezicht dat in v. 14 volgt. Deze plaats laat zich veeleer vergelijken met 10: 4, waar Johannes ook - naar aanleiding van wat hij zojuist heeft gezien en gehoord - een bevel uit de hemel ontvangt betreffende zijn teboekstelling van het geopenbaarde.