Boekbespreking
1984-11-30
Wie voor de komende feestdagen zoekt naar een aardig boekje om zelf te lezen of aan anderen weg te schenken, kan goed terecht bij het hier te bespreken werkje van de onder ons bekende ds O. Mooiweer uit Enschede.- Jaargang 28
- nummer 45
In dit boek zijn verschillende artikelen gebundeld, die eerder in het weekblad 'Opbouw' en in het 'Gereformeerd Kerkblad' van Enschede-Noord werden gepubliceerd.
Verder zijn twee lezingen opgenomen die in het kader van de Theologische Studiebegeleiding werden gehouden.
'Geschenk en Opdracht', - zo heet het, met als ondertitel 'bijdragen over de prediking, de eredienst en het gemeente leven'.
Drs Mooiweer maakt deze titel geheel waar. Je merkt duidelijk dat het bezig zijn in de dingen van het ambt van dienaar des Woords voor hem een geschenk van Boven is. "Behartig deze dingen. leef erin", schreef Paulus aan Timotheüs en dat is bij ds Mooiweer niet aan dovemans oren gezegd. Tegelijk word je gewaar dat hij dit geschenk behalve als een voorrecht ook als een dure verplichting aanvoelt.
Hij tilt er niet licht aan. "Wij moeten af - ook in kerkeraadskringen - van een bepaald vanzelfsprekendheidsgeloof betreffende de ambtsdienst van de predikant.
Elke dienst is voor hem een gave en een opdracht! De kerkeraad mag hem daarbij steunen", zo lezen we op pag. 65 in verband met het konsistoriegebed.
Vanwege dat dubbele aspekt van voorrecht en verplichting is het boek blijmoedig en ernstig tegelijk.
Veel onderwerpen komen in de ruim honderd pagina's ervan ter sprake. Ook hete hangijzers zoals Politieke prediking (pag. 32 e.v.) en Liturgische beweging (pag. 51/52). Dat moet dan natuurlijk in dit bestek wel kort gebeuren, hetgeen ook betekent dat je met de schrijver nog wel eens wat door zou willen praten als deze zich al weer naar het volgende onderwerp heeft gespoed. Maar de interesse is dan toch gewekt, en wel op een onderhoudende manier. Bovendien dient de schrijver zijn lezers met verwijzingen naar bredere literatuur.
Leuk en tegelijk tot een zekere tegenspraak prikkelend vond ik wat ds Mooiweer op pag. 29 in verband met de prediking en de exegetische arbeid die daarvoor nodig is schrijft: "Ik heb eens gehoord dat een niet onvermaard gereformeerd predikant, die in de twintiger en dertiger jaren zeer hoog genoteerd stond in de gereformeerde wereld, het aandurfde om één- en andermaal een bruidspaar in het huwelijk te bevestigen met de tekst Genesis 22 : 8 het slot: 'Zo gingen die beiden tezamen'. Onvoorstelbaar vind ik het, dat iemand het gebeuren met en tussen Abraham en Izak waagt toe te passen op de geestelijke gemeenschap van pas getrouwde mensen".
Het kennelijke afgrijzen van de schrijver deel ik op dit punt toch niet. Er staan woorden in de Schrift die in al hun kortheid zo veelzeggend zijn, dat ze boven het niveau van de omgeving waarin ze staan uittorenen en daardoor om zo te zeggen los verkrijgbaar worden. M.a.w.: er zijn motto-teksten. En daarom zijn motto-preken niet altijd verwerpelijk.
Het valt ook niet moeilijk om uit het Nieuwe Testament voorbeelden te noemen waarin het Oude Testament motto-gewijs wordt aangehaald, soms zelfs dwars tegen de bedoeling van het oorspronkelijke tekstverband in.
"Dood, waar is uw overwinning?
Dood, waar is uw prikkel?", schrijft Paulus in1 Kor. 15 : 55 de profeet Hosea na.
Maar de profeet roept met die woorden de dood als oordeelsinstrument op, terwijl de apostel er een overwinningslied op de dood van maakt. Paulus verwijdert zich in dit voorbeeld duidelijk van het oorspronkelijke tekstverband, maar hij blijft met zijn aanhaling wei binnen het totale Schriftverband.
En ik denk dat in navolging daarvan de oudchristelijke exegese meer Schriftverbandelijk dan tekstverbandelijk was. Daar kunnen wij nog wel wat van leren, is mijn indruk. Let wel, ook ik vind het letten op het tekstverband als regel een goede zaak, maar acht die toch niet onder alle omstandigheden dwingend voorgeschreven bij het voorbereiden van een preek. Soms leidt het letten op het verband meer af dan toe. Af en toe zelfs lijkt het erop dat de prediker het tekstverband hanteert als een vulsel voor z'n overigens magere preek. Waarom geven we niet toe dat sommige teksten zo'n grote 'persoonlijkheid' hebben dat ze best alleen en los van hun direkte omgeving kunnen optreden?
Dat lijkt me ook het geval bij die geweldige woorden uit de geschiedenis van Abraham's offer. Ik zie er 'een niet onvermaard gereformeerd predikant' wel op aan daar een prachtige bijbelse huwelijkspreek bij te houden. Bedoelde man zal immers wel niet helemaal zonder reden vermaard geweest zijn.
En zo is er meer waarover ik met de schrijver best nog eens wat nader van gedachte zou willen wisselen. Maar ik beschouw dat als een teken dat hij met de onderwerpen die hij aansnijdt en met zijn onderhoudende schrijftrant de interesse weet te wekken. Hartelijk aanbevolen!
Drs O. Mooiweer,
Geschenk en Opdracht,
bijdragen over de prediking, de eredienst en het gemeente leven; Uitgeverij Van den Berg, Kampen, 1984 Prijs f 14,50.
H. de Jong, Amsterdam
Doelstellingen Christelijk geschiedenisonderwijs en beoordeling van enkele schoolboeken.
Werkgroep Christelijk Geschiedenisonderwijs.
Secretariaat: Stendermolenweg 1 7481 PR Haaksbergen.
Enkele jaren geleden schreef wijlen dr Hendrik Algra in het Friesch Dagblad een artikel onder de titel: Zo onderwijs men geschiedenis. Hij citeert hierin uit een boek, dat gebruikt werd op een school ergens in het land.
Het ging hierbij om een boek voor de brugklas en in dit boek werd onomwonden uitgegaan van de juistheid van de evolutie-theorie.
Andere opvattingen werden niet eens vermeld. Algra besluit dit artikel met een oproep aan de ouders zich eens te verdiepen in het leerboek voor geschiedenis, dat zij voor hun kinderen hebben moeten aanschaffen. Eerder pleitte hij al voor een nieuwe geschiedenismethode, geschreven vanuit en duidelijke, christelijke visie op de historie. Tot op heden ontbreekt voor zover ik weet, een dergelijke methode, wellicht met als uitzondering het boek van J. Knigge, uitgegeven bij De Vuurbaak, bestemd voor de eindexamenklassen.
Nieuwe methoden verschijnen er voldoende en het is voor de mensen, die er mee moeten werken, soms ondoenlijk zich goed te oriënteren en het kan je overkomen, dat je een nieuwe methode hebt gekozen, waarvan je na enige tijd moet constateren, dat je verkeerd gekozen hebt. Daarom is het werk van een groep geschiedenisleraren dat hier aan de orde is, een goede zaak. Men heeft in samenwerking met de stichting Bijbel en Onderwijs en aantal doelstellingen voor christelijk geschiedenisonderwijs geformuleerd, vervolgens een aantal methoden getoetst aan bepaalde criteria, o.a. het al of niet aanwezig zijn van een bijbelse visie op de geschiedenis. Uiteraard is de lijst van getoetste methoden niet volledig. Men heeft tien methoden beoordeeld, waarvan slechts één door een duidelijk christelijk uitgangspunt werd gekenmerkt, nl. het boek Historisch Perspectief van J. Knigge.
Ik vraag me overigens af, of het wel redelijk is van een methode, die niet van een christelijke visie op de geschiedenis uitgaat, een bijbelse visie te verwachten?
Moet je in zo'n geval al niet blij zijn, dat het boek niet een duidelijk anti-christelijke ademt en dat men op z'n minst enige aandacht schenkt aan zaken, die wij als christenen wat meer zouden willen accentueren? Of, zoals de werkgroep zelf enige keren tot de conclusie komt, dat een boek, omdat het redelijk objectieve informatie biedt, met wat aanvullende informatie en begeleiding best te gebruiken is. Het lijkt mij in dit kader niet juist inhoudelijk op de conclusies van de werkgroep in te gaan. Ik zou het willen laten bij een enkele opmerking.
Ergens in dit rapport, las ik de opmerking, dat wat de leerling in het leerboek leest, voor die leerling méér gezag heeft, dan wat de leraar daarover zegt tijdens de lessen. Zonder aan zelfoverschatting te doen, lijkt me dat toch niet juist. De persoon van de man of vrouw vóór de klas kan van enorme betekenis zijn voor de vorming van de leerlingen. Ze hebben dan ook een grote verantwoordelijkheid, want je kunt ook zoveel kwaad aanrichten. En als het goed is, zal ieder die op dit terrein bezig is, zich voortdurend moeten bezinnen over het vorm geven aan het geschiedenisonderwijs. Dat kan niet altijd meer als vroeger en de leden van de werkgroep hebben ook terecht bij hun beoordeling van de leerboeken gelet op de didactische aanpak. De leerlingen hebben geen behoefte aan iemand voor de klas, die zijn leerlingen "zelf laat kiezen" of ze opzadelt met zijn eigen twijfels, evenmin aan en leraar, die probeert te indoctrineren, d.w.z. het je leerlingen eenvoudigweg onmogelijk maken zelf een mening te vormen. Zoals dat nu gebeurt achter het IJzeren Gordijn en indertijd in Hitler-Duitsland.
Daarom ben ik blij met het feit, dat in de doelstellingen gesteld wordt, dat naast de aandacht voor de positieve invloeden van het christendom, ook het falen van de christelijke kerk duidelijk aangegeven dient te worden.
Dat is een zaak van eerlijkheid en ik denk, dat we vandaaruit ook met de leerlingen tot een verantwoord beeld kunnen komen van bijvoorbeeld het ontstaan van het marxisme, de jodenvervolging door alle eeuwen heen, de slavenhandel en zo zou er nog meer te noemen zijn. Zo moeten we als onderwijsmensen maar aan de slag. Geschiedenis is geen willekeurig en zinloos gebeuren, we gaan uit van de zin der geschiedenis, die zin is gelegen in het verlossingswerk van Jezus Christus en het komende Rijk van God. Dat is wat anders dan maar overal de "hand Gods" of de "vinger Gods" menen te kunnen aanwijzen. Het formuleren van doelstellingen is een goede zaak, maar hoe werken we het uit in de alledaagse praktijk? Die is vaak zo ontmoedigend en bovendien is het zo moeilijk te meten, in hoeverre je geslaagd bent in je doelstellingen.
Aangezien ik constateer, dat ik ongemerkt toch bezig ben in discussie te treden met de collega's van de werkgroep, wil ik deze bespreking maar besluiten. Ik denk dat veel collega's hun winst kunnen doen met deze uitgave en hoop, dat de werkgroep ook haar andere plannen, die nog op stapel staan, ten uitvoer kan brengen.
Degenen, die belangstelling hebben voor de besproken uitgave, kunnen die bestellen bij de secretaris van de werkgroep. Kosten f 3,50. Tenslotte collega's, die willen participeren in de werkzaamheden van de werkgroep zijn zéér welkom!
G. J. Oonk, Heerenveen
Dr W. H. Velema, Met het Woord aan het werk.
Prediking en praktijk.
Kok, Kampen. f 27,50.
Bovenstaande derde bundel preekschetsen van de hand van de bekende Apeldoornse hoogleraar dr W. H. Velema zou evengoed een bundel uitgebreide overwegingen of meditaties kunnen worden genoemd. Dat is geen opmerking ten nadele van dit boek. Maar juist ten voordele ervan. Het betekent dat niet alleen predikanten hier bij de voorbereiding van hun preken terecht kunnen, maar dat ook gemeenteleden deze bundel met vrucht kunnen benutten.
De auteur draagt dit boek op aan de nagedachtenis van zijn moeder, die in de dagen waarin het werd samengesteld overleed.
Reden ervan is dat zij haar kinderen steeds weer op het geheim van Gods genade wees, waarvan in het bizonder de schets over Rom. 8 : 18 spreekt. Deze schets vormt dan ook, volgens mededeling van de schrijver, de kern van deze bundel.
Natuurlijk spreekt de ene meditatie meer aan dan de andere.
Soms levert de verklaring niet veel nieuws, is die traditioneel te noemen. Over het geheel genomen zijn de stukjes fijn en pittig, hier en daar voor een preekschets wel aan de lage kant.
Boven elke schets staat de tekst voluit afgedrukt zowel in de Statenvertaling als in de Nieuwe. De zin hiervan ontgaat me. De teksten hadden niet afgedrukt behoeven worden, verwijzing ernaar was voldoende geweest.
Immers, ieder die voor een boek als dit belangstelling heeft, bezit zeker een bijbel om het aangegevene op te zoeken.
Voorts roept het feit dat wel de teksten helemaal zijn uitgeschreven terwijl elke aanwijzing van liturgische aard (opgave van ev.
te zingen psalmen en liederen) ontbreekt, de vraag op: waarom het ene wel en het andere niet?
Nog enkele kritisch opmerkingen mogen volgen: In schets 7, over Matth. 17 : 5 zou m.i. meer aandacht voor 2 Petr. 1 : 16-19 gewenst zijn geweest; in die over Jeremia 3 : 21-25 (schets 10) is de schrijver, dunkt me, voorbijgegaan aan het feit dat het tienstammenrijk, Israël (dat zich allang in Assyrische ballingschap bevindt, mogelijk al is ondergegaan), sprekende wordt ingevoerd en aan Juda tot wie de profeet zich richt, ten voorbeeld wordt gesteld: de spits van Jeremia's prediking ligt, dunkt me in Jer. 4 : 3, 4. De titel van no. 15 "Zalig wie verkoren is in Gods huis te wonen" belooft wat anders en meer dan geboden wordt. Tenslotte: of, zoals in schets 16 op pag. 80 staat, nu al "momenten in ons leven zijn dat we de vrede met God helemaal smaken" valt te betwijfelen. Het teveel van dit gezegde zit in het boven cursief gedrukte ene woord: helemaal. We komen ook in ons genieten van de zaligheid niet verder dan tot het beginsel van de eeuwige vreugde die we in ons hart gevoelen mogen, Zd. 22, antw. 58.
Zo zou nog wel wat meer kunnen worden opgemerkt waaruit blijkt dat deze bundel, hoezeer we die ook bij U aanbevelen, niet feilloos behoeft te worden toegestemd. Predikanten kunnen er zeker hun winst mee doen, gemeenteleden kunnen erdoor worden gesticht in de ware zin van het woord.
Zoals we van een boek van Kok gewend zijn is ook dit boek typografisch keurig verzorgd en stevig gebonden.
C. Bakker, Enschede