Onze stammoeder

1984-12-07
  • Jaargang 28
  • nummer 46
Over stambomen gesproken

Het uitzoeken van je stamboom is voor veel mensen een boeiende bezigheid. De wereld van het verleden gaat voor je open en je ontdekt hoe je zelf daar in geworteld bent. Vage familieverhalen krijgen een aanknopingspunt en worden vaak helderder. Namen. karakters. familietrekken worden steeds meer herkenbaar: een stukje geschiedenis wordt blootgelegd.
Het is bijna een vorm van archeologie: weliswaar blijven er détailvragen genoeg over, maar de contouren zijn duidelijk.

Voor een Jood was (en is) het hebben van een naam en de kennis van je afkomst een zaak van levensbelang. Als de Messias verschijnt moet er toch iemand zijn, die je naam kan aandragen?
Het ergste is dan ook de dreiging dat je náám wordt uitgeroeid.
Trouwens: door het leviraatshuwelijk wilde God zelf voorkomen, dat een geslacht op dood spoor kwam te staan.
Paulus heeft er overigens de uitwassen van gezien: "fabels en eindeloze geslachtsregisters" (1 Tim. 1: 4), samengaande met "dwaze vragen, twist en strijd over de wet" (Tit. 3 : 9). Dat weerhoudt hem echter niet, aan de Galaten een vér gaande stamboom voor te leggen: jullie die onder de wet willen staan - wie is jullie stam-moeder?

De linie der slavenkinderen
Paulus levert er het antwoord bij: zó zijn jullie van slavenafkomst.
Onmondigen ... En dan nog een stap verder: waar vind je die vernederende, kleinerende, slaafse situatie? Wat hij nu neerschrijft moet onthutsend zijn geweest: in Jeruzalem ... , de trots der Joden ...
Jazeker, aldus Paulus: Hagar, ha-har, de berg Sinaï in Arabië(!) staat op één lijn met het huidige Jeruzalem. Däär, in dat Jeruzalem, zijn de Joden nog steeds onafgebroken en onstuitbaar doende met hun "slaafse", onmondige eredienst. Ze houden zich angstvallig aan alle door "de wet" aangebrachte beperkingen.
Als ware dat kleinerende het enige, het laatste dat God zich voorgenomen had. Als ware de onmondigheid "het einde" ... (Onmondig, onvrij - dat zijn de kinderen van die stammoeder: eigen kinderen van... Hagar!
Ze hebben immers, toen hun de vrijheid in Christus werd aangeboden (om niet!), zich verklaard voor de slavernij ... Maar de consequenties zijn dan ook duidelijk.
Want wat zegt het Schriftwoord?
Zend de slavin weg met haar zoon, want de zoon der slavin zal in geen geval erven met de zoon der vrije! Wie zich verklaart voor de onvrijheid, loopt de erfenis mis. Ook hier gaat op: alles of niets ...

Gods generatie
Het tegenwoordige Jeruzalem is met zijn "kinderen" in slavernij.
Maar: . .. er is een ánder Jeruzalem; het is 'boven', hemels i.t.t. het aardse (geografisch te bepalen) Jeruzalem. En dat hemelse Jeruzalem is (niet slaafs maar) vrij. Dát is onze moeder, aldus Paulus. Anders en toch hetzelfde gezegd: wij zijn "kinderen" van de vrije (Sara) en niet van een slavin (Hagar).
Opnieuw beroept Paulus zich op een Schriftwoord: Jes. 54: 1.
Geschreven staat immers: verheug u, gij onvruchtbare, die niet baart, breek uit en roep, gij die geen weeën kent; want talrijker zijn de kinderen der eenzame dan van haar, die een man heeft.
Luidkeels is er gejuicht - de lach breekt door - in Sara's tent. De onvruchtbare werd moeder van het kind der belofte, Izaäk.
Door zijn geboorte kreeg de belofte aan Abraham een begin van vervulling: Ik zal u tot een groot volk maken.
Onmogelijk, onbegonnen werk?
Dat dacht Israël in ballingschap ook. Eenzaam, leeg, woest als een woestijn, onvruchtbaar, op dood spoor - zo voelde Israël zich. En als een woestijn was hun verwoeste land. Maar ook aan dit Israël, deze verlatene worden kinderen in menigte belooft.
God komt zijn belofte aan Abraham na: maak de plaats voor uw tent wijd ... want naar rechts en naar links zult gij u uitbreiden en uw nageslacht zal de volken in bezit nemen en de verwoeste steden bevolken (Jes. 54: 2, 3).

Uit Christus geboren
De lach, die God wekt, draagt ver - tot in Babel toe. Het is een wonder, ja, Gods eigen werk.
Hij creëert wat Hij beloofd heeft, Hij voert uit wat Hij zich voorgenomen heeft. Geen eigen verworvenheden, geen eigen verdienstelijkheid, geen eigen natuurlijk vermogen is de scheppende kracht (vgl. Jes. 54 : 5 want uw man is uw Maker!).
Wanneer de Galaten Gods handelen met Abraham en Israël nagaan, kunnen ze weten hoe hun afstamming en wie hun (stam)moeder is. Dat zij zich zonen van Abraham en Sara, ja zonen van God (Gal. 4 : 6) mogen noemen, is aan het voornemen van Abrahams God te danken en niet aan hun eigen verdiensten.
Dat zij daar op aangevochten worden, hoeft ook geen verba zing te wekken. Want, zegt Paulus, zoals destijds hij die naar het vlees (krachtens natuurlijk vermogen) verwekt was, hem, die naar de Geest (die wat dood is levend maakt) vervolgde, zo ook nu. Daarvoor behoeven ze de geschiedenis van Ismaël en Israël maar na te gaan, te beginnen bij het door een spotlach verstoorde feest in Abrahams tent (Gen. 21). Gods voornemen, dat naar de maatstaf van (ver)kiezen en niet op grond van "werken" wordt uitgevoerd (Rom. 9 : 11), vraagt om eerbiediging van Zijn souvereiniteit.
Wie dat accepteert, zal 't bijna niet geloven: daar staan ze Jood èn niet-Jood, slaaf èn vrije, man èn vrouw - bij het kruis van Christus om te horen dat zij allen door de verdienste van Christus Gods 'zonen' mogen heten.
Het kruis haalt een streep door alle voorrangs-situaties, door alle vroegere (belemmerende) voorwaarden om tot God te kunnen gaan, door alle (beperkende) voorschriften. De bedeling van de vrijheid is aangebroken: delen in het heil ongeacht wie of wat je bent. Vrijheid: wij zijn geen kinderen van een slavin, maar van de vrije! Werden bijv. vroeger alleen de (Joodse) jongetjes besneden, nu worden ook de meisjes gedoopt - teken en zegel van het verbond met God!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief