Gods keuze
1984-12-14
Gekozen worden voor een bepaalde taak - Jaargang 28
- nummer 47
Zo ongeveer eens in de zes weken hebben we een kerkdienst, aangepast aan de (kleinere) kinderen. De aanpassing schuilt grotendeels in het taalgebruik van preek en lied. En daarnaast maken we, waar mogelijk, gebruik van visuele hulpmiddelen. Dat zou je eigenlijk in elke dienst moeten (kunnen) doen - maar het vereist veel vindingrijkheid.
De kinderen hebben er plezier in- fijn om zo later aan een kerkgang te kunnen terugdenken. Ze mogen ook meedoen: ze helpen de diakenen bij het collecteren. En graag! Maar niet allemaal tegelijk: elke keer wordt er een aantal uitgekozen. Maar dat betekent wel, dat de anderen voor die keer worden gepasseerd!
Kiezen, een keuze maken moeten wij dagelijks, ons leven lang: dat is niets vreemds. Maar ook in de Heilige Schrift komen we dit kiezen (en "passeren") vaak tegen. God kiest Abraham met voorbijgaan van alle anderen.
Hij kiest Israël en "passeert" voorlopig alle andere volkeren.
David blijkt de man van Gods keuze en niet Isaï's zeven oudere zonen: die werden "verworpen"
(1 Sam. 16 : 7) of wel "niet verkoren" (16: 10). Eenzelfde gegeven in Ps. 78 : 67, 68: "Hij versmaadde de tent van Jozef en verkoos Efraïms stam niet, maar Hij verkoos den stam van Juda, den berg dien Hij lief heeft" (vgl. vs. 70). Niet uit Jeruzalem komt de Messias voort, maar uit Bethlehem, Vrijwel parallel hiermee lezen we: Jacob heb Ik liefgehad (op de eerste plaats laten komen) maar Ezau heb Ik gehaat (op de tweede plaats laten komen, passeren), Mal. 1 : 3).
Gods voornemen
Tegen diezelfde keus lopenwe ook aan bij Ismaël en Izáäk, Ismaël was de zoon "naar het vlees", d.w.z. hij was krachtens natuurlijke vermogens verwekt.
Maar bij Izaäk lag dat anders.
Zijn geboorte was eigenlijk een onmogelijkheid. Maar God had het beloofd en ook al lachten Abraham en Sara er eerst om, het (belofte)woord van God was niet "vervallen": het was niet zo dat "Gods Woord niet (zou) zijn uitgekomen" (D. Holwerda, o diepte des rijkdoms, pag. 47).
Izaäk is "de zoon der belofte".
Iets dergelijks zien we later bij Izaäk en Rebecca: twintig jaar kinderloos - wat komt er terecht van Gods belofte? Maar God dóet wat Hij belooft, en na twintig jaar wordt een tweeling geboren: Ezau en Jacob - in die volgorde ..
En opnieuw (ver)kiest God: nog vóór de kinderen geboren waren, nog vóór zij goed of kwaad hadden gedaan. Gods keus werd dus niet bepaald door aard, karakter, geschiktheid, gedrag. Hij kiest Jacob en "passeert" (term van D. Holwerda, a.w., p. 50) Ezau, de eerstgeborene.
Goed - dat weten we dus uit de H. Schrift. Maar wat doé je er mee, wat héb je aan die kennis?
Daarover heeft Paulus het in Rom. 9 en eigenlijk in heel die brief. Hij brengt daar in geding Gods "voornemen", dat wat God vooropgesteld heeft, Zijn (bekendgemaakte) voornemen, plan, besluit.
Dat voornemen is zijn zaak. Wij kunnen dat niet beïnvloeden.
Maar we dragen er wei kennis van. We weten uit het evangelie, hoe God zijn voornemen in de geschiedenis van het heil ten uitvoer brengt. Hij handelt bij die uitvoering "naar de maatstaf, naar het principe der verkiezing" (B. Holwerda, Hist. Rev. V.T., pag. 34). Hij zegt: Ik ga mijn besluit uitvoeren door het doen van een keuze.
De maatstaf
Maar hoe kiest God dan? Willekeurig en zo dat sommigen daar de dupe van worden? Wat is de maatstaf der verkiezing? Telt daarbij geboorte, werk, natuurlijke aanleg, deugd, status? Nee, zegt Paulus, het is zo, dat het gekozen worden nooit te danken is aan menselijk "werk", maar alleen aan het roepen Gods.
Gods keus gaat tegen de menselijke verwachting in.
Dat bleek bijv. bij Ezau en Jacob: "om te zorgen, dat het duidelijk wordt. dat slechts zijn roeping de beslissing bracht, daarom sprak Hij dit plan reeds uit vóór de geboorte der kinderen nog voor ze iets hadden kunnen doen."
Als God straks Jacob roept, dan is dat niet dank zij Jacobs "werken".
God maakt Zijn voornemen bekend: Ik roep (straks) Jacob.
En in Rom. 9 gaat het dan ook over Israël en niet Edom-Ezau.
Over Israël dat zó veel voorrechten had genoten (9: 4, 5).
Maar Israël moet nu zien, dat "heidenen" (andere volken) vóór gaan. Komt Gods Woord niet meer uit, is het vervallen?
Néé. Want Israël leeft, gedraagt zich als... Ezau. Het zegt: ik ben de eerstgeborene, ik heb een natuurlijk recht, ik ga voor want: "ónzer is de aanneming tot kinderen... (9: 4, 5). Het beroemt zich op zijn afkomst en meent aan het "wij zijn Abrahams kinderen" rechten te kunnen ontlenen. Het acht zich "gerechtvaardigd" door "de werken": geboorte, afkomst, wetsvolbrenging.
Maar échte kinderen van Abraham weten zich gerechtvaardigd door geloof. Geloof in het herscheppend Woord van God.
Datzelfde Woord dat Izaäk tot leven riep.
Eén weg voor allen
Dat is ook het thema van Paulus' brief: het evangelie is een kracht Gods voor een ieder die gelooft, eerst voor den Jood, maar ook voor den Griek (niet-Jood). Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: de rechtvaardige zal uit geloof leven (1 : 16,17).
Het is dus een zaak van alleen en een en al geloof, niet van "werken" .
Eerst de Jood, zegt Paulus toch ook? Ja, als hij geloofd in Jezus Christus als zijn verlosser: daarvan, van Hem alleen moet ook hij het hebben.
Niemand kan en mag aan natuurlijke kwaliteiten de grond van zijn rechtvaardiging ontlenen.
Dat ware remonstrants. Door genáde zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme.
Want zijn maaksel zijn wij ... (Ef. 2 : 8 v.). De grondslag van ons behoud en dus van houvast is Gods her-scheppend Woord.
Naar Petrus: het zaad der wedergeboorte - en dat is het evangelie dat u verkondigd is (1 Petr. 1 : 22 v.).