Joodse uitleg van het Nieuwe Testament (2)
1984-12-14
Causerie voor het Ned. Geref. Jongerencontact in Amsterdam over Lapide's laatste boek: 'De Bergrede', utopie of program?, Ten Have, Baarn, 1984.- Jaargang 28
- nummer 47
We stellen nu een volgende vraag: hoe ziet Lapide het gebod in de Bijbel? Het gebod dat de mens van Boven wordt aangereikt en dat hij nodig heeft om met de hulp van God een goed mens te worden?
Om zichzelf te verlossen? Hoe beoordeelt hij dat gebod zèlf? Dan moet geantwoord worden dat hij het gebod ziet als menselijk, niet goddelijk. Wat ik daarmee bedoel, zal in het volgende duidelijk worden.
Bij de woorden uit de Bergrede: "Weest dan gijlieden volmaakt, gelijk uw Vader die in de hemelen is, volmaakt is" (Mat. 5 :48), tekent Lapide aan: " ... voor het normatieve jodendom... doet (dit) bijna blasfemisch (d.i. 'godslasterlijk') aan, want 'allen hebben gezondigd' (1 Kon. 8 : 46); 'allen zijn afgeweken, er is niemand die goed doet' (Ps. 14 : 3) en 'geen vlees kan voor God standhouden' (Jes. 40 : 6), zodat 'volmaaktheid' een goddelijke eigenschap is, die ons allen hier beneden ontzegd is" (pag. 116).
Dit laatste kan Lapide toegestemd worden. Toch is er 'hier beneden' Eén geweest, die wèl volmaakt was en Hij is het die deze eis van volmaaktheid stelt.
Met deze inderdaad zeer ver gaande eis laat onze Here Jezus zien dat het gebod van God niet menselijk is, niet afgestemd op onze mogelijkheden, maar goddelijk, dat wil zeggen vasthoudend aan Gods oorspronkelijke eis aan ons. En dat we dus voor de gehoorzaamheid aan het gebod bij Christus en zijn Geest moeten zijn. Pas dan geldt dat het juk der geboden zacht is, zoals Jezus zegt (Mat. 11 : 30).
Bij Lapide merken wij een vermenselijking van het gebod op, dat wil zeggen: een aanpassing van het gebod aan het menselijk mogelijke. Op pag. 10/11 signaleert Lapide twee basis-kenmerken van Jezus' prediking "die als een dubbele rode draad door heel zijn geloofsleer heenlopen: het feit dat hij God volkomen serieus neemt, waardoor hij wordt bezield door heilzame ontevredenheid ten aanzien van alle halfheden en compromissen - èn zijn realisme; hij is iemand die de mensen door en door kent en die weliswaar een radicale theopolitiek bedrijft, maar wel op een pragmatisch-uitvoerbare manier, zodat er van goedwillende mensen als medearbeiders van God niet teveel gevergd wordt".
Het goddelijke gebod wordt hier tot het menselijk haalbare gereduceerd.
Niet door de Heiland, maar door Lapide.
Dat blijkt heel duidelijk bij de uitleg die Lapide geeft van het gebod 'heb uw naaste lief'. In het hebreeuws is dat volgens Lapide "een combinatie van woorden die in onze taal alleen maar omschreven kan worden: wend u in liefde naar hem toe!
Of: bewijs hem daden van liefde!
Of: oefen aan hem de liefde uit! Dat wil zeggen: geef hem het lief en niet het leed! Omdat Jezus noch een dweper, noch een utopist was, maar wel een wereldwijze mensenkenner, eist hij geen bovenmenselijke onzelfzuchtigheid, geen gevoelens, die van vrijwel ieder mensenhart teveel zouden vergen, maar praktische bewijzen van liefde, zoals bijvoorbeeld: het bezoeken van zieken, het heimelijk geven van aalmoezen, hulp in nood, het troosten van hen die treuren, het delen van brood met de hongerigen, en al die 1001 effectieve weldaden die vertrouwen scheppen, vijandschap ondermijnen en bevorderlijk zijn voor de liefde" (pag. 95).
Mijn kommentaar hierop is toch dat op deze manier de diepte van het gebod wordt ingeruild voor de breedte, hoe indrukwekkend die breedte dan ook mag zijn.
Maar wat is dan de diepte van het gebod 'de naaste lief te hebben'?
Wel, Jezus zegt: "Dit is mijn gebod dat gij elkander lief hebt, gelijk Ik u heb liefgehad.
Niemand heeft grotere liefde dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden" (Joh. 15: 13). En in 1 Joh. 3: 16 staat: "Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten". Hier eisen Jezus en Johannes zeer duidelijk 'bovenmenselijke onzelfzuchtigheid'.
Maar Lapide zou dit kunnen noemen "een dweperig prijsgeven van het eigen ik dat in strijd is met de bijbelse waardigheid van de mens" (pag. 97).
Hoe kómt de Bijbel er ook toe de eis tot naastenliefde zo radikaal te stellen? Is dat niet over dreven? Staat er niet geschreven: "Gij zult uw naaste liefhebben als uzel]''? Dat wil toch zeggen dat deze naastenliefde haar natuurlijke grens vindt in de liefde tot jezelf? Dat er een compromis gesloten moet worden 'tussen legitieme eigenliefde en bijbelse naastenliefde' (pag. 118)?
Heeft het jodendom dus geen gelijk als het zegt dat de naastenliefde 'menselijk' moet blijven?
Toch niet. Want in de eerste plaats kun je niet zeggen dat in het gebod 'de naaste lief te hebben als zichzelf' de liefde tot de naaste wordt afgegrensd van de zelfliefde. Er loopt geen grens tussen beide liefdes, zodat je zou kunnen zeggen: hier verlaten we het gebied van de naastenliefde en hier betreden wij het gebied van de zelfliefde. Beide gebieden immers liggen niet naast elkaar, maar - om zo te zeggen - op elkaar en zijn even uitgestrekt.
De naastenliefde en de zelfliefde worden in het bekende gebod niet tegen elkaar afgewogen, als ging het om een konflikt van plichten, ze worden slechts met elkaar vergeleken. En de uitkomst van deze vergelijking is dat de naastenliefde door de zelfliefde gekwalificeerd wordt: even spontaan, even vanzelfsprekend en even verregaan als de zelfliefde dient de naastenliefde te zijn. Of, om het in Jezus' eigen kommentaar op dit gebod te zeggen: "Alles nu wat gij wilt dat de mensen u doen, doe gij hun evenzo, want dat is de wet en de profeten" (Mat. 7: 12), welk woord beslist duizelingwekkend is te noemen. Het echter zo voor te stellen dat de zelfliefde de naastenliefde begrenst, zou de bedoeling van het gebod precies teniet doen, omdat de zelfliefde steeds haar natuurlijke voorrang op de naastenliefde zou nemen.
In de tweede plaats is het Jezus zelf die ons metterdaad is voorgegaan in de vervulling van het gebod tot naastenliefde tot het uiterste toe. Wij lezen bij Paulus in Rom. 5 : 7: "Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven - maar misschien heeft iemand nog de moed om voor een goede te sterven - God echter bewijst zijn liefde jegens ons doordat Christus, toen wij nog zondaars waren, voor ons gestorven is". De van God afkomstige naastenliefde van Christus ging zover dat Hij voor ons stierf toen wij nog vijanden waren (Rom. 5: 10). Dat laat het menselijk mogelijke ver achter zich. Maar wie Christus echt liefheeft, die komt hier toch niet meer van los. Die zoekt niet langer zijn leven te behouden - om het dan juist te verliezen, zoals Jezus zegt (Mat. 16 : 25)maar die zal het om Christus' wil kunnen prijsgeven, zelfs voor de vijand, om 't juist zo te vinden.
Dit is bovenmenselijk, het is waar. En toch is het christendom langs deze bovenmenselijke weg geworden tot wat het is. Ik denk hier aan de eerste tijd, toen christenen niet maar zieken bezochten, heimelijke aalmoezen gaven en hulp in nood verstrekten, maar tijdens pestepidemieën de lijdende stakkers met gevaar voor eigen leven opzochten en verpleegden, ongeacht of het mede-christenen waren of niet.
Ik denk evenzeer aan de velen die hen daarin de geschiedenis door zijn nagevolgd. De Heilige Geest, de Geest van Christus, bewerkte dat in hen. Aan Hem dan ook de eer daarvan!
Lapide zoekt het bij het gebod van de naastenliefde in de breedte en heeft het kenmerkend joods (en eveneens kenmerkend rooms, en al evenzeer kenmerkend oekumenisch!) over 1001 goede daden. Jezus daarentegen zegt uitleggend: één ding is nodig, maar Hij raakt met dat ene precies de bovenmenselijke kern van het gebod.
Het jodendom hanteert bij de uitleg van het gebod het begrip 'omheining der wet'. Lapide zegt dat daarmee de verscherpte preventievoorschriften bedoeld zijn tegen iedere overtreding van de geboden en verboden (pag. 51).
Om het gebod heen wordt om zo te zeggen een voorportaal gemaakt van voorschriften die de strekking van het gebod intact moeten laten. Lapide licht het begrip 'omheining' toe met een woord uit de Talmoed dat als een verklarende gelijkenis bedoeld is: 'Er is gezegd: een omheining van de wijsheid is het zwijgen'. Dat wil zeggen, zo kommentariëer ik: als je niet wijs bent, behoef je daarom nog niet dwaas te zijn. Je zou op z'n minst je mond kunnen houden.
Zoals Salomo zegt: "Zelfs de dwaas die zwijgt, gaat door voor wijs" (Spr. 17 : 28). Het zwijgen beschermt zo de wijsheid. Evenzo beschermt de joodse uitleg het gebod.
Maar nu valt volgens mij uit deze gelijkenis op te maken dat die 'omheining om de tora' niet bestaat uit verscherpte voorschriften, maar juist uit verzwakte en meer veruiterlijkte. Het lijkt mij dus een methode om met het mindere genoegen te nemen omdat men aan het meerdere toch niet kan toekomen.
Men vergenoegt zich met het zwijgen omdat de wijsheid te hoog gegrepen is.
Ik ben het dan ook niet met Lapide eens dat Jezus gebruik zou hebben gemaakt van dit oud-rabbijnse principe van de 'sejag ha-ttora', zoals het in het hebreeuws heet, bij zijn uitleg van de geboden. Ten bewijze daarvan wijst Lapide op Jezus' behandeling van het gebod 'gij zult niet doodslaan', waarbij de Heiland het in toorn leven tegen de broeder en het schelden als vormen van doodslag opvoert.
Dit lijkt mij echter juist het tegenovergestelde van het principe van de 'omheining'. Wel verre immers van het gebod zelf door het noemen van andere ermee verband houdende voorschriften te ontzien, gaat Jezus hier door middel van enkele voorbeelden op de wezenlijke strekking van het zesde wetswoord in: niet pas dan ben je een doodslager als je een lijk gemaakt hebt, maar reeds dan als je in haat leeft tegen je broeder.
Samenvattend: bij Jezus is het gebod goddelijk, bovenmenselijk.
Maar als je in de mens gelooft, dan móet je op de diepe strekking van het gebod wel afdingen.
Dat is wat bij Lapide gebeurt.
Dat is wat ook in een humaniserend christendom plaatsvindt.
(wordt vervolgd)