Arbeid en arbeidsmotivatie

1984-12-14
  • Jaargang 28
  • nummer 47

Het begrip arbeid

a. De roeping van de mens tot arbeid
Arbeid is een handelen, dat de mens verricht om persoonlijke verplichtingen tegenover God en de naaste na te komen. Het begrip arbeid is een complex begrip, omdat er een aantal aspecten aan te onderscheiden zijn, zoals het sociale-, het economische-, het politieke-, het ethische- en het religieuze aspect.
De mens heeft de opdracht van God ontvangen de Hof van Eden te bouwen en te bewaren (Genesis 2 : 15). Na de zondeval bleef deze opdracht, deze roeping gelden.
De Hof van Eden is echter veranderd in een aarde, die naast het vele goede ook "doornen en distels" voortbrengt.

b. De zin van de arbeid
De zin van alle arbeid is, dat God ermee gediend wordt en dat het geschiedt tot heil van de naaste. Voorts bevestigt de arbeid op deze wijze verricht, onze eigen identiteit omdat een ieder van ons daardoor de gelegenheid krijgt de van God ontvangen talenten te ontplooien. De
mens groeit geestelijk en lichamelijk in en door zijn/haar arbeid, schreef iemand eens. Arbeid bevordert ook de gemeenschapszin van de mensen. De zin van de arbeid mag nimmer verschraalt, herleid worden tot bijvoorbeeld uitsluitend het sociale-, het politiekedan wel het economische aspect, omdat arbeid dan alleen nog maar verricht wordt met het doel aanzien, macht en/ of bezit te verwerven.
De arbeid wordt in dat geval losgemaakt van onze verhouding tot God en mist dan alle zin. In Jezus Christus is onze verhouding tot God echter hersteld en daarmee de zin van de arbeid.
Om deze reden kunnen wij ook plezier hebben in onze arbeid.
Door onze arbeid helpen wij mee de schepping tot ontsluiting te brengen en de mogelijkheden, die daarin liggen tot ontplooiing te brengen. Wij kunnen daarin onze opdracht tot rentmeesterschap waarmaken.
Toen- God in het paradijs Adam opdracht gaf de dieren namen te geven, gebeurde dit in het kader van het medewerker-zijn van de mens van God. De mens moest de schepping leren verstaan, van de schepping studie maken, onderzoek verrichten. Ook dat was arbeid verrichten (van Adam).
Hieruit valt voorts af te leiden, dat wij niet alleen aan de bijbel (de schriftuur) maar ook aan de natuur (de schepping) normen hebben te ontlenen om God te leren kennen en de schepping tot ontplooiing te brengen. Studie van de schepping, van de werkelijkheid, is derhalve een goddelijke opdracht. De uitdrukking "uitgaan van bijbelse normen"
kan daarom wel eens verkeerd worden verstaan. Er zijn namelijk veel meer normen, die voor ons van (levens)belang zijn dan alleen de bijbelse normen.
Wat bijvoorbeeld te denken van de wet van de zwaartekracht. Zo zijn er vele wetten, normen te noemen, die wij ontlenen aan de natuur (of de schepping).

c. De vloek van de arbeid
Arbeid als het nakomen van onze persoonlijke verplichtingen tegenover God en de naaste is slechts mogelijk, indien deze verricht wordt in gebondenheid aan Gods geboden Hem lief te hebben boven alles en de naaste als onszelf.
Toen Adam en Eva in de Hof van Eden eigen wegen gingen bewandelen, maakten zij zich los van God, hun Schepper. De vloek van de arbeid deed daarmee zijn intrede in de wereld.
God strafte de mens door hem te veroordelen in het "zweet zijns aanschijns" het dagelijkse brood te verdienen. Vóór de zondeval behoefde de mens niet te werken met het doel in zijn levensonderhoud te voorzien. Hij ontving dat toen zonder arbeid uit de hand van zijn hemelse Vader. Nu, na de zondeval, hebben we echter ook te maken met de noodzaak arbeid te verrichten om in ons levensonderhoud te voorzien. De vloek van de arbeid komt tevens naar voren in het losmaken van de arbeid in zijn betrokkenheid op God en de naaste.
In onze cultuur, die zich in velerlei opzicht van God en Zijn Woord heeft afgekeerd, wordt de arbeid meer en meer als een vloek ervaren. Dat is geen wonder, want de arbeid wordt meer en meer losgemaakt van zijn religieuze zingeving en alleen maar meer betrokken op of herleid tot één of enkele (reeds genoemde) aspecten ervan. Dat moet dan wel tot wat Marx noemde, vervreemding leiden.
Deze vervreemding - het meest bedreigende kenmerk van onze cultuur - ontstaat dus wanneer de arbeid losgemaakt wordt van zijn betrokkenheid op God en de naaste. Vervreemding heeft betrekking op alle relaties, waarin de mens arbeid verricht en niet alleen op bijvoorbeeld de relatie arbeid/kapitaal (Marx) of op gebrek aan begrip voor de ander dan wel overheersing van de enkeling door het technisch industriële complex (Mitscherlich).
Ook daarin kan de vervreemding naar voren komen, maar deze gaat daarin niet op.
In de mate waarin de saecularisatie van onze cultuur verder voortschrijdt, zal de vervreemding in de arbeid toenemen. De mens wordt in onze cultuur steeds meer een vreemde van zichzelf, omdat leven zonder God en Zijn Woord tot ontmenselijking leidt.
De patrimonium-gedachte om gezamenlijk en in overleg te arbeiden tot Gods eer en tot heil van de naaste, wordt in onze cultuur meer en meer vervangen door allerlei vormen van individualisme: een ieder voor zich, terwijl God en Zijn Woord meer en meer uit het gezichtveld verdwijnen.
De vervreemding in onze cultuur - gevolg dus van de saecularisatie van onze cultuur - heeft tot op heden reeds tot allerlei ontsporingen geleid en daarmee de vloek van de arbeid vergroot, zoals bijvoorbeeld:

1) Het omgaan met geestelijke en natuurlijke hulpstoffen en -bronnen, dat in toenemende mate gekwalificeerd moet worden als roofbouw. Het rentmeester-
zijn van God's gaven en goederen is een gedachte, die bij vele mensen meer en meer naar de achtergrond is verdwenen.

2) Naar reeds aangeduid, wordt het begrip arbeid losgemaakt van zijn religieuze zingeving.
Het is verschraalt tot een sociaal dan wel een politiek of economisch begrip. Arbeid is voor vele mensen alleen nog maar meer van belang om aanzien, macht of bezit te verwerven en niet om God en de naaste ermee te dienen overeenkomstig Zijn Woord.

3) Omdat het veelal verschraald is tot een sociaal-, politiek- of economisch begrip, is funktieverlies van het begrip arbeid opgetreden met als een verder gevolg inkomensnivellering. Het inkomen, dat men meestal immers als de belangrijkste zinbepaling van arbeid ziet, moet dan de status van de ontvanger van dat inkomen verhogen dan wel zijn macht of bezit vergroten.

4) Daar waar in onze cultuur uitgegaan wordt van de fundamentele gelijkheid of gelijkwaardigheid van alle mensen, zal het streven naar in beginsel gelijkheid van inkomens prioriteit hebben. Aanhangers van deze gelijkheids- of gelijkwaardigheidsopvatting zien als hun voornaamste opdracht macht, bezit en kennis gelijk over de mensen te verdelen. Met behulp van het overheidsgezag wil men tot dat doel onder meer inkomensnivellering tot stand brengen en allerlei sociale- en economische rechten en plichten ordenen, struktureren. Dit blijkt echter alleen maar mogelijk te zijn indien de individuele vrijheid van de burgers wordt ingeperkt.
Bureaucratische strukturen zijn daarvan weer het gevolg. Eén en ander werkt de vervreemding in de hand. Gelijkheid of gelijkwaardigheid tast in beginsel de vrijheid van de mensen aan.
De inkomensnivellering de laatste decennia in ons land heeft de vervreemding in de arbeid dan ook eerder bevorderd dan helpen oplossen.
In politieke- en economische strukturen dienen ethische of religieuze waarden als goedheid, liefde en waarheid gerespecteerd, gewaardeerd te worden. Ze zijn echter niet met behulp van economische maatstaven te waarderen en daarom dus niet te ordenen, te struktureren. Ook niet door de Overheid.

5) Overwaardering van economische arbeid, van de technische en organisatorische vermogens van de mens in de techniek, de informatica en het systeemdenken leidt tot devaluatie van het begrip arbeid en dus tot vervreemding in de arbeid. Het berooft de arbeid van zijn culturele waarde en van zijn ethiek.
In socialistische landen viert men "de dag van de arbeid".
Ook daarin komt overwaardering van de arbeid naar voren.
In Nazi-Duitsland werd gewerkt met de slogan .Arbeit macht frei". De arbeid werd in Hitler-Duitsland vergoddelijkt; wat betreft de religieuze zingeving verkeerd gericht dus en daardoor overtrokken, waardoor alle andere aspecten ervan in de knel kwamen. Dat dit de mens niet vrij maakt, maar hem/haar juist in slavernij brengt, hebben we in het Derde Rijk op gruwelijke wijze gezien. De mens blijft gebonden aan God's scheppingsstrukturen.
Hij kan niet straffeloos het leven scheef trekken door één of meer aspecten ervan te vergoddelijken, te verabsoluteren.

6) Arbeid kan ook tot afstomping leiden en heeft in onze samenleving daartoe ook geleid.
De verregaande arbeidsverdeling en specialisatie heeft grootschalige produktieprocessen en bureaucratische organisatiestrukturen in het leven geroepen. De arbeid kan in dergelijke gevallen tot een vloek worden, althans de ontplooiing van de mens in de weg staan. Mensen leven dan permanent in een arbeidssituatie, die geen plezier in het werk geeft en dat moet deze wel beschadigen. Overigens wordt hieraan in de moderne arbeidssociologie en psychologie aandacht besteed.

7) De saecularisatie van onze cultuur heeft ook tot een steeds verdergaande afbrokkeling van de samenlevingsverbanden (gezin, school, kerk, onderneming) geleid en tot het overheersen van het ene samenlevingsverband door het andere zoals bijvoorbeeld in het geval van de Overheid, die zich op het ogenblik verregaand bemoeit met de interne struktuur van de verschillende samenlevingsverbanden.
Allerlei utopistische ethische wenselijkheden worden de verschillende samenlevingsverbanden door de Overheid afgedwongen dan wel opgelegd en dat werkt eerder ontbindend dan opbouwend.
Helaas heeft het zogenaamde nieuwe "christendom" Gods wet voor kerk en wereld krachteloos gemaakt, de kennis van Gods wil vervluchtigd en de ethiek losgemaakt van de liefde tot God. De verhouding ethiek en recht, die bepalend is voor de verhouding kerk en staat, krijgt daardoor een andere invulling, een andere inhoud.
Nu de kerk als culturele faktor meer en meer uit het openbare leven verdwijnt en de ethiek los van God door haar wordt bedreven, ontvangt de staat niet meer van de kerk, wat zij nodig heeft aan ethische waardenwaarheid, goedheid, kennis van zonde en vergelding en inzicht in het eigensoortig karakter van onder meer het recht. Geen wonder, dat de staat haar rechtstaak niet meer goed ziet en in de verleiding komt de grenzen van haar taak te overschrijden, bemoeial wordt en het recht met een aan de wereld ontleende ethiek te bestellen. Dit zogenaamde nieuwe "christendom" werkt met Gods- en mensbeelden, die over de relatie God en mens steeds minder reëels te zeggen hebben, omdat bij dit "christendom" de bijbel niet meer Gods onfeilbaar Woord is. Het begrijpt van de bijbel steeds minder.
Daar waar ethische waarden verloren gaan, devalueert ook het recht. Want het recht vindt zijn ontsluiting in de ethiek.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief