Christusfeest 1984

1984-12-21
  • Jaargang 28
  • nummer 48
1 In den beginne was het woord,
op aarde is zijn stem gehoord
die spreken wil tot eik geslacht,
Hij werd geboren in de nacht.

2 Hij werd geboren in de nacht
die al het licht heeft voortgebracht,
aan zon en maan zijn teugel legt,
Hij is de Heer, Hij werd een knecht.

3 Hij is de Heer, Hij werd een knecht,
op Hem wordt alle last gelegd,
Hij woont temidden van het kwaad,
Hij troont in onze lage staat.

4 Hij troont in onze lage staat
waar al wat leeft verloren gaat,
Hij kwam toen niemand naar Hem riep,
dit licht dat zoveel luister schiep.

5 Dit licht dat in het duister sliep
is God die ons bij name riep,
Hij roept totdat Hij wordt gehoord,
in den beginne was het woord.

Tom Naastepad is de dichter van Gezang 150. De eerste regel is letterlijk het begin van het evangelie naar Johannes. Het is een van de mooiste kerstliederen die we nu bezitten. De meeste blijven steken in de stille nacht bij de kribbe en stal. Maar dit lied omspant het hele evangelie van het Woord dat vlees geworden is en onder ons heeft gewoond.
Weloverwogen heeft de dichter zijn woorden gekozen bij de sprekende, verhalende melodie van Ps. 134. In het Compendium (achtergrondinformatie bij de 491 Gezangen) geeft hij leerzame tekst en uitleg, belangrijk ook voor de beoordeling van andere kerstliederen. Hij vertelt: het werd "een lied van vijf strofen, waarbij de laatste regel van elke strofe tevens de beginregel werd van de volgende strofe, met een kleine, doch belangrijke variant van de 4e naar de 5e strofe. Om de laatste regel van de laatste strofe niet in de lucht te laten hangen maakte ik die weer identiek aan de beginregel van de eerste strofe: 'in den beginne was het Woord', zodat een gesloten kring ontstond als van kinderen die elkaar bij de hand houden.
Bij zult een streng gesloten vorm kon een tekst ontstaan die het tégendeel van een kringloop laat horen. Het gaat met Kerstmis ...
over de zelfopenbaring naar buiten van het Woord, dat niet rust voordat het wordt gehoord. Het gaat over een echte geschiedenis, een gebeurtenis, een geboorte, een lijn die voortgaat, en daarom staat in de 1e strofe: 'die spreken wil tot elk geslacht', en in de laatste: 'hij roept totdat Hij wordt gehoord'. Dat is een hele geschiedenis: van 'spreken' tot 'gehoord worden'.
Het is precies de geschiedenis van Golgotha en Opstanding; en daarin is vervat onze anti-geschiedenis van niet-willen-horen.
Vandaar dat in de strofen 2-3-4 gesproken wordt over een Heer die knecht geworden is en over die bittere vergeefsheid van zijn komst toen niemand naar Hem riep. Wij roepen Hèm niet, maar Hij roept ons. 'Ik ben gevonden door hen die Mij niet zochten' (Rom. 10: 20). 'In den beginne was het Woord': zijn Woord en niet het onze. Hij heeft het eerste en het laatste woord!". Zo Tom Naastepad - goede woorden om over na te denken bij onze, vaak romantische, kerstfeest-viering.

Het is weer kerstnacht Heer,
de kerstnacht heeft zijn plagen,
er werd in Rotterdam een straatmeid doodgeslagen, waaraan de wereld niet zo bijster veel verloor:
zoals zij leefde kon het er toch niet bij door.
Heb meelij met haar ziel:
Gij zijt toch niet gekomen
terwille van 't ontbijt en de versierde bomen?

Zo Anton van Duinkerken. Ik moet uit mijn geheugen citeren, want ik las het lang geleden, zo'n dertig jaar terug, in het kerstnummer van de Strijdkreet.
Juist: van het Leger des HeiIs.
Nog maar net hebben wij de aktie "Eén voor Afrika" achter de rug, of er glijdt een reclamefolder door de brievenbus, waarin "zeven bekende Nederlanders een 'hoorn van overvloed' aan ideeën en recepten voor een verrukkelijk feestdiner legen."
Kompleet met foto's van deze diners. En Pim Jacobs wenst u "een bijzonder smakelijke Kerst '84 toe!". Het doet mij denken aan die slager, die in zijn zaak deze kreet had opgehangen: Paastfeest - smulfeest!
Hindoe noch Islamiet zullen hierdoor van de christelijke feesten iets wijzer worden. Niet dat feesten een christen onwaardig zou zijn: Israël mocht tenslotte ook zijn feesten uitbundig vieren (vgl. Jes. 25 : 6 v.v.). Maar Anton van Duinkerken zag, waar de ontsporing toe leidde.
En het Leger stak de handen uit de mouwen, bekommerde zich om straatmeiden, daklozen, ontrechten, armen en hongerigen.
Lang voor marxistische, materialistische en feministische theologie populair werden en vóór el' blijf-van-mijn-lijf-huizen bestonden.
Als dat allemaal kan met het evangelie-op-een-stuivertje, wat kan er dan met het "volle" evangelie? Het Leger maakt in elk geval een uitzondering op de constatering van Jules de Corte: Want in de wereld is maar weinig te bespeuren van de aanwezigheid van het Koninkrijk van God, daarom wordt Jezus altijd weer geboren in een grot, terwijl wij zingen achter stijf gesloten deuren.

Ziit Gij waarop de wereld wacht
of wachten wij een ander?

Zo ver-dicht Muus Iacobse Johannes' vraag vanuit Herodes' gevangenis aan de Christus (Gez. 53 naar Matth. 11 : 2-6).
De vraag van de Doper was: zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten?
"Wij" is in Johannes' mond: Israël. Muus Jacobse breidt dat uit tot "de wereld". Daarmee transponeert hij de vraag ook naar de twintigste eeuw.
In het laatste couplet (net even anders dan het eerste) benadrukt hij dat nog eens:

Kom Heer, op wie de wereld wacht,
wij wachten op geen ander.

Wacht de wereld inderdaad op Christus, op deze Christus?
Maar dan wel "in den blinde" zoals Paulus het voor de Areopagus onder woorden bracht: of zij Hem (God) al tastende vinden mochten (Hand. 17 : 27).
En inderdaad, er is een onbestemd verlangen naar vrede en recht, een hunkeren naar veiligheid en geluk. Maar zo min als een christen zich gelegen laat liggen aaneen islamitisch feest, zo min bekommert zich een hindoe om het kerstfeest: hij zit er beslist niet op te wachten.
Eerst zal hem het evangelie verkondigd moeten worden, wil hij ook maar enigermate beseffen op wie wij, christenen, wachten. De lichtkring is beperkt tot die streken waar het Licht-dezer-wereld is ontstoken. Daar behoeft men niet in het duister te tasten. En daar kan men aan de weet komen, wie en wat deze Christus is, die verwacht werd en wordt.

Daarnaar ziet heel de schepping uit,
zij wacht reikhalzend van verlangen ...

Zo ver-dicht Ad den Besten Paulus "lied" van lijden, hoop en zekerheid (Gez. 89 naar Rom. 8 : 18-24a).
Heel de schepping: dat omvat meer dan alleen mensen. Daar hebben dichters en schriftgeleerden in de bijbel oog en oor voor: de heuvelen omgorden zich met gejuich, de landouwen zijn bekleed met kudden, de dalen tooien zich met koren: zij jubelen elkander toe, ook zingen zij (Ps. 65 : 13 v.). En: dat de stromen in de handen klappen, de bergen tezamen jubelen voor het aangezicht des HEREN (Ps. 98: 8 v.).
Waar God de Heer zijn schreden zet (Ps. 65 : 10; Gez. 305) is Gods Schepping in haar element, leeft zij op, bloeit zij op.
Gods komst brengt de elementen in hun element. Is het een wonder dat heel de schepping daar reikhalzend naar uitziet?
Toch is dat geen eenzijdig verlangen naar bescherming van het milieu. Er is meer aan de hand dan zure regen en vervuilde stromen. Er moet meer gebeuren willen de handen weer van elkaar gaan. Mens en "natuur" zijn door God zelf nauw aan elkaar verbonden. Heel de aarde lag klaar om de mens Gods beeld - te ontvangen (Gen. 1).
Maar wanneer de mens als God (aan God gelijk) wil zijn, sleept hij de schepping mee in zijn val.
Zij raakt "aan de vruchteloosheid onderworpen", verkeert in een staat van "dienstbaarheid aan de vergankelijkheid" (Rom. 8 : 20 v.). Zij leidt een onvruchtbaar slavenbestaan en vreugde en vrolijkheid zijn ver gevlucht.
De schepping zucht, wij zuchten, ja zelfs de Geest zucht (8 : 22-26).
Zijt Gij waarop de wereld wacht of wachten wij een ander?
Het wachten was en is op de Christus der Schriften. Op Hem, die héél de schepping heelt, her-schept. Reikhalzend wacht zij op "het openbaar worden der zonen Gods", d.w.z. op het aan het licht komen van "de heerlijkheid der kinderen Gods" (8 : 19 v.). Eerst wanneer de mens weer in zijn element is, kan héél de schepping weer juichen. Daartoe is Gods Zoon in de wereld gekomen!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief