Joodse uitleg van het Nieuwe Testament (3 - slot)
1984-12-21
- Jaargang 28
- nummer 48
Causerie voor het Ned. Geref. Jongerencontact in Amsterdam over Lapide's laatste boek: 'De Bergrede', utopie of program?, Ten Have, Baarn, 1984
Nadat we het hebben gehad over Lapide's kijk op Jezus, over zijn mensbeschouwing en zijn uitleg van het goddelijke gebod, willen we tenslotte nog naar een vierde punt toe: hoe ziet Pinchas Lapide de Schrift? Het antwoord moet zijn: eigenlijk op roomse wijze, in die zin dat hij beide, Schrift en traditie, 'met een gelijk gevoel van eerbied' benadert.
Er heerst op dit punt bij Lapide een onduidelijkheid die mijns inziens kenmerkend is. Dat blijkt uit zijn uitleg van Jezus' woorden in de Bergrede: "Gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is... , maar Ik zeg u... " (Mattheüs 5). Lapide schrijft: ,,'Gij hebt gehoord' of 'Er is gezegd', gevolgd door 'En ik zeg u' vormen (... ) een bij elkaar horend paar vaste uitdrukkingen uit het basis-vocabulaire van de rabbijnse retorica. De eerste uitdrukking wil zeggen: Iullie hebben dit schriftwoord tot nu toe als volgt geïnterpreteerd, waarop dan of de letterlijke tekst, de gebruikelijke uitleg of de opvatting van de tegenstander wordt geciteerd.
Daarop staat er dan: 'En ik zeg u', waarop de nieuwe verklaring van de proponent volgt" (pag. 46).
Maar op pag. 76 worden óók die termen 'gij hebt gehoord' en 'dat er gezegd is' aangehaald, met de toevoeging dat die in het spraakgebruik van de rabbijnen "altijd tot inleiding dienen, voor een woord van God uit de Tora".
Terwijl we op pag. 84 weer lezen: " ... omdat de beide inleidingen 'gij hebt gehoord' en 'er is gezegd' zowel in de Bergrede als in de rabbijnse geschriften dienen ter introductie van bijbelse tradities". Ik kan het niet anders zien dan dat in deze uitspraken Schrift en traditie, de Bijbel en de uitleg van de Bijbel, door elkaar worden gehaald.
In mijn boek over de Bergrede ('Maar Jezus zegt .. .', Kampen, tweede druk, 1982, pag. 41) heb ik uiteengezet dat Jezus' woord 'gij hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is' slaat op de mondelinge overlevering van de joden. Bedoelde Hij immers de Schrift zelf, dan zou Hij gezegd hebben: 'gij hebt gelezen dat er geschreven staat' (vergelijk Lukas 10 :26). Zo zei Jezus bij de verzoekingen in de woestijn tot drie maal toe tegen de satan: 'er staat geschreven' (Mattheüs 4 : 4, 7, 10). Als Hij dus in de Bergrede zegt 'maar Ik zeg u...', dan keert Hij zich volstrekt niet tegen de Schrift, maar tegen de mondelinge overlevering van de joden waarin het Schriftwoord door verkeerde uitleg (hetzij door kombinatie met een ander Schriftwoord, hetzij door eenzijdige nadruk, hetzij door weglating of toevoeging) schade geleden had en derhalve verminkt werd doorgegeven. Jezus onderscheidt dus juist heel scherp tussen 'er staat geschreven' en 'er is gezegd', getuige ook het verwijt dat Hij de Farizeeërs maakt: "Gij verwaarloost het gebod Gods en houdt u aan de overlevering der mensen" (Markus 7 : 8). Bij Lapide vervaagt dit verschil, omdat in het jodendom de mondelinge overlevering op hetzelfde niveau staat als het geschreven woord van de Bijbel.
Bij Lapide worden ze beiden onder één term gevangen: 'bijbelse tradities' (pag. 84).
Let hierop, want ook in de oekumenische theologie van onze tijd grijpt dit vervagende denken om zich heen. In plaats van de Schriften van Oude en Nieuwe Testament bij hun duidelijke naam te noemen spreekt men vandaag van 'de joods-christelijke tradities'. Je weet dan niet meer of men de Bijbel bedoelt dan wel de overleveringen van joden of/en christenen. Zoals gezegd, dit is behalve joods ook rooms. Die twee raken hier aan elkaar, en geen protestant - zo lijkt het wel - die het ziet!
Bij Pinchas Lapide tref je verder de opvatting aan dat wij de evangelies helaas slechts in griekse vertaling hebben. En dat we ze, om ze in hun ware betekenis en strekking te verstaan, eerst terug moeten vertalen in het hebreeuws. Nu worden daar door het boek heen verschillende voorbeelden van gegeven, waarvan er mij echter niet één heeft overtuigd.
Zo wordt (om nog eens op Mattheiis 5 terug te komen) ten aanzien van de vier griekse woorden die vijf maal in dat hoofdstuk voorkomen, te weten ego de lego humin, dat is: 'maar Ikzeg u', op grond reeds van het grieks, maar nog veel meer op grond van het daarachter liggende hebreeuws, de vertaling bepleit: 'en ik zeg u', om zo, door vermijding van het woordje 'maar', het kontrast van Jezus' onderwijs met de joodse leermeningen van zijn dagen minder scherp te doen zijn. Jezus zou met zijn afwijkingen nergens het grondgebied van het pluralistische jodendom verlaten, aldus Lapide (pag. 45 e.v.).
Maar ik vind dat het griekse persoonlijke voornaamwoord ego ('ik'), versterkt door het element de (op zichzelf inderdaad slechts een licht 'maar'), met elkáár iets sterker tegenstellends opleveren dan het hebreeuwse wa'ani ('en ik') uit de rabbijnse diskussies, omdat in het hebreeuws dat persoonlijke voornaamwoord 'ani ('ik') voor de grammatikale konstruktie niet gemist kan worden, wat met het griekse ego ('ik') wèl het geval is. Zie bijvoorbeeld in Mattheüs 19: 9, waar Jezus in een licht 'tegenover' tot Mozes staande, zegt: lego de hum in, dat is: 'en Ikzeg u', of: 'Ik zeg u evenwel', zonder het persoonlijke voornaamwoord ego te gebruiken.
Het griekse zinsdeel ego de lego humin blijf ik derhalve sterk kontrasterend vinden: 'Ik daarentegen zeg u', - nog afgezien van het feit dat wat Jezus inhoudelijk tegenover de rabbijnse leermeningen stelt ten volle het oordeel rechtvaardigt dat Mattheüs aan het slot van de Bergrede neerschrijft: "Hij leerde hen als gezaghebbende en niet als hun schriftgeleerden" (7: 29). Wel degelijk plaatste Jezus zich met zijn leer buiten de diskussies der rabbijnen. Dat is ook precies de reden waarom zijn Schriftuitleg nergens in de Talmoed aangehaald wordt - iets wat Lapide zou moeten verklaren als hij zo buitengewoon sterk beklemtoont dat Jezus als leraar met zijn beide voeten op joodse bodem staat (pag. 11 e.v.). Temidden van al de leraars van het jodendom die in de Talmoed uit vroeger of later tijd worden geciteerd (Lapide had ze trouwens bij zijn aanhalingen wel eens mogen dateren, zoals in het bekende werk van Strack-Billerbeck zo minutieus gebeurt!) ontbreekt Jezus kenmerkend.
Waarom eigenlijk, als Hij toch zo helemaal joods is?
Ikben er dus nog niet zo van overtuigd dat we in het grieks van het Nieuwe Testament eigenlijk een gebrekkige tekst van de evangelies vóór ons hebben. (Zie hiervoor nader: S. Greijdanus, Het Grieksch de authentieke tekst voor de exegese van het Nieuwe Testament, Kampen 1940, - opeens weer een aktueel geschrift!). Dit is evenwel nog niet de belangrijkste kwestie.
Heel anders wordt het evenwel wanneer het hebreeuws en het grieks niet langer als talen maar als denkwerelden worden opgevat.
Wat er dan wel niet sneuvelt bij het 'terugvertalen' van het 'grieks' naar het 'hebreeuws'!
Zo lezen we ergens bij Lapide: "Dit alles is door de Griekse redacteur (van het evangelie) geschrapt, naar alle waarschijnlijkheid om" een "anti-joodse uithaal in een uitspraak van Jezus binnen te smokkelen" (pag. 77).
Aha, hier is dus de latere 'vertaling' in het grieks van het hebreeuwse of eigenlijk aramese oer-evangelie afgeschilderd als een gebeuren met antisemitische trekken! Daarmee schaart Lapide zich in het koor van degenen die van antisemitisme in het Nieuwe Testament durven te spreken.
Misschien weet je dat dit behoort tot het laatste van de theologische mode.
Ik zou op het boek van Lapide nog meer kritiek kunnen leveren.
Ik denk dan aan het verpolitieken van de figuur van Jezus, waaraan het zich schuldig maakt.
Weliswaar lijkt de Jezus van Lapide op Menno Simons die de politiek roerige Dopers van de zestiende eeuw tot bedaren heeft gebracht (zie pag. 99 e.v.), maar af en toe komt vanachter de gematigde gestalte van Menno Simons de radikale figuur van Jan van Leyden onmiskenbaar te voorschijn (zie pag. 101 e.v.) precies als in zoveel kerkelijke bevrijdingstheologie. Maar ik zal dat nu niet verder uitwerken. We gaan er een punt achter zetten.
Verbaasd heeft mij het boek van Lapide over de Bergrede niet.
Joods geloof is joods geloof en het is het mijne niet. Wat me wel verbaast is dat christenen hier zo mee weglopen. Ik schrijf dat grotendeels toe aan het identiteits-verlies van de christelijke gemeente tegenover het jodendom.
Het joodse oefent vandaag een grote bekoring op veel christenen uit. Dat wordt bevorderd door het feit dat christenen tegenover joden een slecht geweten hebben, na al die miljoenen doden in de concentratie-kampen.
Kritiek op het jodendom is nu onwelkom geworden en staat zelfs onder verdenking van antisemitisme.
De neiging is aanwezig om het christendom en zelfs het Nieuwe Testament voor dat verschrikkelijke kwaad verantwoordelijk te stellen. Dat is echter onjuist. De grote getuigen van het christelijke geloof hebben (met uitglijdingen, dat is waar) steeds getracht het verschil met de synagoge geestelijk te benaderen, in navolging van hoe het Nieuwe Testament dat doet. Zij zouden zich met verontwaardiging hebben afgekeerd van de antisemitische conclusies die nachristelijke heidenen daaruit getrokken hebben.
Het is ook volstrekt niet zo dat het verschrikkelijke antisemitisme uit die geestelijke bestrijding als noodzakelijke konsekwentie wel moest volgen. Stel je voor!
Dan zou elk diep geestelijk verschil tussen mensen verdoezeld moeten worden uit vrees voor een ongeestelijke verwerking ervan.
Alleen onverschilligen kunnen daar belang bij hebben. En een vriendelijkheid naar de joden toe die op zulke verdoezeling berust zullen wij in onze levenstijd nog weer zien omslaan in haar tegendeel, is mijn overtuiging.
Tekenen daarvan zijn reeds aanwezig.
Daarom zeg ik: hou het verschil met de synagoge geestelijk. Dan zul je het ook kunnen beperken en vrijwaren van emotionele vertroebeling.
Dan word je behoed voor ophemeling en verguizing van de joden, want die konden wel eens elkaars keerzijden zijn.
Hou het verschil geestelijk, dan zullen jullie nazaten zijn van die gereformeerden die in de tweede wereldoorlog beslist nee zeiden tegen het joodse geloof en die even beslist nee zeiden tegen het antisemitische heidendom van Adolf Hitler en die vervolgde joden met gevaar voor hun eigen leven in hun huizen hebben opgenomen.