Een lange traditie van afzondering en toewijding

2008-04-25
  • Jaargang 52
  • nummer 9
‘Kunt u ook voor onze Katholieke plattelandsvereniging een toespraak houden over het kloosterleven?’ Met verbazing drong de vraag langzaam tot mij door: een aantal rooms katholieken willen graag een kloosterlezing horen van iemand die lid is van de Nederlands Gereformeerde Kerk! Alleen al om die reden heb ik het aanbod aangenomen. De toespraak is bewerkt tot drie artikelen over het klooster - toegesneden op onze kerken.

Voor veel protestanten is het klooster iets dat ver van hun beleving afstaat.
Niet in het minst omdat het iets rooms is. En tussen Rome en Reformatie gaapt een diepe kloof. Maar in die visie is de laatste decennia wat verandering gekomen. Steeds meer beseffen we dat onze gezamenlijke geschiedenis drie keer zo lang is als onze afzonderlijke ontwikkeling. En dat we, ondanks duidelijke verschillen, toch veel in elkaar herkennen en weten te waarderen. Zichtbaar is dat onder andere in de belangstelling van protestanten voor het klooster. In de twintig jaar waarin ik vooral het Trappistenklooster in Berkel-Enschot heb bezocht, waren er dikwijls meer protestantse gasten aanwezig dan katholieke. Het klooster voegt voor deze gasten kennelijk iets toe aan de protestantse traditie. Na een paar dagen vertrekken ze weer geïnspireerd en voldaan naar hun eigen gemeente.
In drie artikelen hoop ik uit te leggen wat mij als protestant zo boeit in het klooster. Dit eerste artikel is vooral informatief van karakter. Het tweede bevat een sfeerbeeld van een kloosterdag.
De reeks eindigt met de vraag welke betekenis de kloostertraditie zou kunnen hebben voor ons als Nederlands Gereformeerde Kerken.

Imponerend
Mijn belangstelling voor het klooster dateert nog uit mijn jeugd. Op ruim een kilometer van mijn huis stond een klooster. En telkens als ik dat donkerbruine gebouw zag, vroeg ik mij af hoe zo'n 'gevangenis voor heiligen' er van binnen uit zou zien. Pas bij de sloop zag ik voor het eerst de mysterieuze kapel van binnen. Ik vond het prachtig. Tijdens mijn studie in Velp (nog wel in een voormalig kloostercomplex !) bezocht ik voor het eerst een klooster waar nog 'echte' monniken woonden. Het was imponerend: het statige gebouw, de lange, symmetrische gangen, de indrukwekkende kerk en het plechtige gezang van de monniken.
Bijna alles leek anders dan in mijn eigen kerk. Vreemd en vroom tegelijk.
Toch waren er ook enkele verrassende overeenkomsten, zoals het zingen van de psalmen, sommige gezangen, het credo en het 'Onze Vader'. Bij elk volgend bezoek maakte het nieuwe en bijzondere meer plaats voor het bekende en vertrouwde. Maar het behield zijn aantrekkingskracht. Wat dat precies is, valt moeilijk uit te leggen.
Het heeft te maken met het 'onbenoembare' geheimenis van het geloof. En in het klooster krijgt dat voor mij beter gestalte dan in onze kerken.

Twee hoofdstromen
Ons land telt nog veel kloostercomplexen, maar het aantal bewoonde kloosters is aanzienlijk minder. Wie zulke bewoonde kloosters bezoekt, merkt dat er onderling grote verschillen zijn. Ik bedoel hier niet de verschillen tussen kloosters voor mannen (monniken) en vrouwen (monialen), maar meer de wijze waarop kloosters hun rol in de samenleving vervullen.
De actieve kloosterorden zoals de Franciscanen zoeken buiten het klooster hulpbehoevende mensen op. De Benedictijnen en Trappisten zijn contemplatieve (beschouwende) kloosterorden die zich vooral richten op gebed. Ze komen vrij weinig buiten het klooster maar staan wel open voor bezoekers die tot bezinning willen komen. Ze dragen vaak een habijt (pij) terwijl de actieve orden vooral in burger gekleed zijn.

Benedictus van Nursia
De eerste christelijke kloosters zijn vanaf de derde eeuw na Christus ontstaan door mensen die hun leven volledig op God gingen richten. Om dat te bereiken trokken ze naar eenzame plaatsen zoals Christus dat ook vaak deed. Daar leefden de monniken (afgeleid van het Griekse monachos, dat 'alleen-levend' betekent) als kluizenaars.
Later vormden zich kleine gemeenschappen van monniken, die in geheel ommuurde bouwwerken leefden, de kloosters. Het woord klooster is afgeleid van het Latijnse woord 'claustrum', dat muur betekent.
Van grote invloed voor de organisatie en ontwikkeling van de contemplatieve orden is de (leef)regel van Benedictus van Nursia (480-547) geweest. Die 'Regel voor monniken' bevat 73 hoofdstukken en bestrijkt vele aspecten. Eén daarvan is het bekende 'ora et labora', dat Benedictus verwoordt in de regel: 'dan zijn zij pas waarlijk monniken als ze leven van het werk hunner handen'.
Een andere regel, waar ik dankbaar gebruik van maak, gaat over het ontvangen van gasten. Die moeten namelijk worden ontvangen als Christus zelf, want Hij zal eens zeggen: ”Ik kwam als gast en gij hebt Mij opgenomen” (Mat.25: 35). Wie denkt dat de Regel van Benedictus inmiddels wel achterhaald is, heeft het behoorlijk mis: er is veel belangstelling voor boeken en cursussen over het toepassen van de Regel in het dagelijks leven. En zelfs in het moderne management heeft men Benedictus' Regel ontdekt!

Trappisten
De kloosterorde van de Trappisten staan in de Benedictijnse traditie.
Eigenlijk staan ze vrij dicht bij onze kerken omdat ze ook tweemaal 'gereformeerd' zijn. De eerste reformatie vond in de 11e eeuw plaats, toen de Benedictijnse kloosters van de Regel afgeweken waren en in verval raakten.
In de Franse plaats Citeaux werd toen een klooster gesticht dat weer volgens de Regel van Benedictus ging leven.
Voor deze Cisterciënzer orde is in theologisch opzicht Bernardus van Clairvaux van grote betekenis geweest.
In praktische zin, hebben de cisterciënzers van de 12e tot 15e eeuw enorm veel bijgedragen aan de ontginning en bedijking van Noord-Nederland. Het eiland Schiermonnikoog is zelfs vernoemd naar de 'schiere' ofwel grijze pijen van deze monniken. Maar ook deze orde raakte geleidelijk in verval.
Dit leidde tot een tweede reformatie, die begon in de Normandische plaats La Trappe. In 1881 kwamen de eerste Trappisten in ons land en vestigden zich ten oosten van Tilburg in een voormalige schaapskooi. Binnen vijftien jaar verrees toen een imposant kloostercomplex, gemaakt voor 150 monniken. Tijdens de oorlogsjaren was het klooster vol, maar daarna werd het steeds leger. Momenteel zijn er nog zestien monniken. Ons land telt nog vijf andere trappistenkloosters, waarvan één voor vrouwen (Trappistinnen).

Stilte
De Trappisten zijn sober, streng en stil.
Als gast merk je van die stilte nog het meest. Wie de stilte niet gewend is kan het als beklemmend of zelfs bedreigend ervaren, maar wie met de stilte vertrouwd is geraakt wordt er door geraakt. De stilte is dan aanwezig, zoals rust ook aanwezig kan zijn, en dat is veel meer dan alleen de afwezigheid van geluid of drukte. Wie in de stilte verblijft, beseft dat die stilte niet zomaar doorbroken kan worden met een 'nietszeggende' opmerking. Het spreken moet wel opwegen tegen de stilte: zo leer je in een klooster zorgvuldiger te spreken. Die zorgvuldigheid is ook kenmerkend voor het spreken van de monniken. Het is wonderlijk te ontdekken, dat je met mensen die relatief weinig praten zo goed kunt spreken. Zoiets verwacht je niet.
En even onverwacht merk je in het gesprek dat de monniken met hun leven in afzondering niet vervreemden van mensen, maar juist dichterbij komen. Alsof de afzondering ze toegankelijker maakt voor anderen. Zulke schijnbare tegenstrijdigheden intrigeren mij enorm. In het volgende artikel krijgt de spiritualiteit in het klooster meer aandacht.

Robert van Lente is lid van de NGK van Nijverdal. Hij heeft uit interesse HBO-theologie gestudeerd en drie jaar bijvakken gevolgd aan de ThUK (Oudestraat) in Kampen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief