Het grootste in het kleinste
1984-12-21
Zou God dan waarlijk op aarde wonen? De hemel, zelfs de hemel der hemelen, kan u niet bevatten ...- Jaargang 28
- nummer 48
Salomo's gebed in 1 Koningen 8 vers 27
... met Christus, want in Hem woont de volheid der godheid lichamelijk.
Paulus in Kolossenzen 2 vers 9
Van buiten of van binnen
Ondanks hun verbeten strijd worden de kinderen in de richting van de stal gedreven. In die stal bevindt zich het afzichtelijke monster, dat door de vijanden als godheid wordt vereerd. Niets is erger dan door die deur naar binnen te moeten gaan!
Tenslotte valt aan dat lot niet meer te ontkomen. De vijandelijke overmacht dringt hen die deur binnen, maar wat een wonder!
Volkomen anders dan ze vermoedden is die stal van binnen géén stal .. Er is een hele wereld daarbinnen:' bomen, bloemen, dieren, koningen en koninginnen. En er is geluk!
(Tiriaan) "keek opnieuw om zich heen en kon zijn ogen bijna niet geloven. Er was een blauwe lucht boven hem, en zover zijn oog kon zien strekte zich grasland onder zijn voeten uit. En al zijn vrienden om hem heen, lachend. "Het lijkt wel", zei Tiriaan, "dat de Stal, zoals je hem van binnenuit ziet en de Stal, zoals je hem van de buitenkant ziet, twee verschillende plaatsen zijn."
"Ja", zei heer Digory, "zijn binnenkant is groter dan zijn buitenkant."
"Ja", zei koningin Lucy, "Ook in onze wereld had een Stal eens iets in zich dat groter was dan onze hele wereld." Het was de eerste keer dat ze het woord nam en uit de tinteling in haar stem begreep Tiriaan nu waarom. Ze had alles nog dieper ingedronken dan de anderen. Ze was te gelukkig geweest om iets te kunnen zeggen ...
Je denken voorbij
Een episode uit The Last Battle, het laatste doel van C. S. Lewis' onvolprezen Narnia-serie. Zeven boeken over een sprookjeswereld, waarin een paar kinderen terechtkomen.
Zelden lees je in (kinder)boeken zoveel theologie; zelden ook kun je de kwaliteit van boeken zo ondubbelzinnig bevestigen.
De door mij gecursiveerde zin bevat immers theologie, christelijke theologie, Een korte, maar kernachtige zin, over de Incarnatie, de Vleeswording van Christus.
Daar heb je het wonder! Iemand die het hele heelal vervulde met Zijn heerlijkheid viel op te zoeken en te vinden in een schameIe kribbe, in een vast niet bijzondere stal.
Inderdaad, "zijn binnenkant is groter dan zijn buitenkant", om het voorafgaande nogmaals te citeren.
Daar raak je niet over uitgedacht.
De Oude Kerk raakte er niet over uitgezongen. Als men in het Credo de woorden hoorde: "homo factus est" (Hij is mens geworden), knielde de gemeente neer. Het gebeurt in bepaalde delen van de Roomskatholieke Kerk nog, tot op de dag van vandaag. Het gaat hier om een onuitsprekelijk wonder; daarbij past slechts lofprijzing en knielen.
Irenaeus
De eerste die echt een poging doet het wonder van Christus' geboorte theologisch te doordenken is Irenaeus. Hij heeft Polycarpus nog gekend, de eerbiedwaardige bisschop van Smyrna, die op hoge leeftijd ter dood werd gebracht voor zijn geloof; zo ongeveer de eerste bekende martelaar na Stefanus.
En Polycarpus had de Evangelist Johannes nog gekend, volgens de overlevering. En die had op zijn beurt Christus nog gekend!
Drie generaties bij Christus vandaan schrijft Irenaeus over dat grote wonder: Christus, Gods Zoon is mèns geworden, echt mens.
Irenaeus was bisschop - zeg maar: voorganger - van de gemeente van Lyon, in het Franse Rhênedal. Ook al was de stad toendertijd nog geen schaduw van de miljoenenstad die wij nu, voortsnellend op de Autoroute de Soleil, zien liggen, er was een belangrijke gemeente. Ze hadden behoefte aan een goede voorganger. En die kregen ze, al moest hij van ver komen.
Want Irenaeus kwam uit het tegenwoordige Turkije. Dat over de internationale betrekkingen in de kerk van toen. Ook in de tijd dat de Kerk slechts een gedulde minderheid was, werd al gestaan op contacten die wereldwijd waren.
Tussen 180 en 190 van onze jaartelling, nu dus 18 eeuwen geleden, schrijft Irenaeus zijn dogmatisch levenswerk: Tegen de Ketterijen. (In de literatuur wordt er vaak naar verwezen onder de latijnse titel Adversus Haereses, wat hetzelfde betekent; het oorspronkelijke werk werd overigens in het Grieks geschreven. ) Naast vele andere dingen die aan de orde komen (zo wordt uitvoerig ingegaan op de sacramenten, die Irenaeus direkt in verband brengt met zijn theologie van de Incarnatie) gaat het hem om de werkelijkheid en het centrále van de Vleeswording, Christus is in het vlees gekomen; de Bijbel leert het zo. Het is ook nódig! Voor ons en voor onze verlossing.
Als al die opvattingen voorkomen in een boek dat, naar eigen zeggen, "tegen de ketterijen" is gericht, dan moeten we feitelijk wat méér weten van de ketters in die dagen. En daar wéten we nogal wat van; er valt een heel leven aan studie van Gnostiek en Docetisme te wijden, gezien de grote hoeveelheid literatuur van en over hen.
Wellicht is het onwijs om in dit verhaal stil te staan bij de Griekse filosoof Plato, bij Basilides en Valentinus of bij Marcion (hoewel deze laatste wordt genoemd in de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 9; hij wordt daar geciteerd als een van degenen die men niet moet geloven!) Slechts een paar opmerkingen mogen hier voorlopig volstaan:
Een schijn van menselijkheid
We moeten beseffen dat er in Irenaeus' dagen een totaal ander denk- en gevoelsklimaat heerste dan tegenwoordig het geval is.
Centraal in het wijsgerig denken van die dagen stond het grote verschil, de klóóf, tussen het geestelijke en het stoffelijke. Het geestelijke was uit God, de Bron van Licht, de eindeloos Verhevene, die niet voor het ontstaan van deze stoffelijke werkelijkheid kon worden verantwoordelijk gesteld. Dat laatste was in het leven geroepen door een veel lagere godheid, veelal “Dimiurg" genoemd, die haast een "tovenaarsleerling" mocht heten. Hij had - buiten en boven zijn competentie - een stoffelijke werkelijkheid geschapen. Had hij het maar nooit gedaan!
Gezien dit alles vonden sommige denkers over deze stoffelijke wereld bijna niets goeds te zeggen.
Ook over het lichamelijke was alleen maar met kommer te spreken. De Kerk is door dat denken meer dan eens - en dieper dan men soms denkt - gestempeld geweest.
In elk geval werd God op geen enkele manier in verband gebracht met het lichamelijke.
Velen vroegen aandacht voor een heel bóvenzintuiglijke, goddelijke, Jezus.
Was Hij ooit mens geweest? Absoluut onmogelijk, oordeelden zij. Zoals een lichtstraal door een ruit valt en er niet door veranderd wordt, evenzo is de "Logos" Jezus door de Maagd heengegaan - Hij heeft er niets menselijks aan "overgehouden".
(Zulke mensen noem je Doceten, naar het Griekse woord voor "schijn" .) Als een buitenaards wezen in een science fiction film, die alleen ogenschijnlijk mens is, zo was ook Hij iemand van Buiten.
Om niet tezeer op te vallen, leek Hij mens, maar Hij was het niet.
Een soort "God incognito".
Eveneens vonden Gnostici dat het niet echt belàngrijk was of Hij echt, historische aantoonbaar, uit de doden was opgestaan. Het ging tenslotte, suggereerden ze, om een opstanding in onze ziel!
Het ging om een tijdloze ervaring.
Het was toch veel te banaal te denken dat de komst van een soort Lichtwezen, een godheid, in een categorie viel waarin men kon zeggen (met permissie): "Ik stond erbij en ik keek ernaar"?
Waarneembaar
Maar dat is nu precies wat de discipelen, die apostelen geworden waren, wèl zeiden dat het geval was geweest! "Hetgeen was van den beginne, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze eigen ogen, hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens ... " Zo begint de Eerste Brief van Johannes. Thomas heeft zijn vingers ècht in de wonden gestoken! "Wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels gevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit..." (2 Petrus 1 vers 16).
Wij hebben erbij gestaan, wij hebben gezien, gevoeld, gehoord, ervaren. Het is ècht historisch!
Tegenover alle okkulte nevels spreekt de Apostolische Geloofsbelijdenis over Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon ... die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven ... " Niet zomaar in een tijdloze "hogere werkelijkheid", maar concreet - in die en die tijd. Het is een historisch feit, gebonden aan een bepaalde plaats en aan bepaalde gebeurtenissen.
Geen tijdloze ervaring, zoals je die in sommige gnostieke werken van deze tijd kan terugvinden, zowel in de literatuur als in de beeldende kunst.
Hoe anders ...
Hoe ànders lijkt dat in onze tijd te zijn. In onze tijd ligt het accent niet op een (al te) goddelijke Christus, maar juist op een maar al te menselijke Jezus. Een "partijganger der armen" is hij genoemd, "de waarachtige mens". Hij heeft te maken met een "weerloze God", die er niets aan kan doen, "als het kwaad goede mensen treft."
Heel ànders, denk ik, maar toch - even onevenwichtig! Evenzeer te bestrijden. Dat vond de vroege Kerk. Dat vond Irenaeus ook.
Niet hoe, maar dat ...
Voor alle duidelijkheid, Irenaeus bestreed deze gedachten niet door te zeggen hoe God mens was geworden. Nee, hij zei dat God mens geworden was. Geen mens weet hoe dat heeft kunnen gebeuren. Het is een ontzagwekkend geheimenis. Maar de Schrift leert dàt het is gebeurd.
En dus zegt Irenaeus het na.
En om het onzegbare te zeggen, bedient hij zich van de paradox.
Wie de grenzen van de taal en het denkend vermogen voorbij wil gaan, kan óf de weg van de poëzie op, óf van de paradox, de schijnbare tegenstelling.
Paulus doet al iets dat er wat op lijkt. " ... als niet bekend en toch wel bekend; als stervend en zie, wij leven ... ; als bedroefd.
maar altijd blijde; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend, maar alles bezittend." (2 Korinthiërs 6 vers 8 tot 10). Of, over Christus: "Gij kent immers de genade van onze Here Jezus (Christus), dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede rijk zoudt worden." (2 Korinthiërs 8 vers 9).
Irenaeus gaat in dat spoor verder: "Het onzichtbare wordt zichtbaar.
Die niet in staat is tot lijden lijdt en wreekt zich niet. De rechter wordt berecht. De onsterfelijke sterft. Hij die niet aangeraakt kan worden, wordt met handen aangeraakt en toornt niet." (Adv. Haer, 111, 16, 6)
Dan komt er een uitspraak, die we wel goed moeten opvatten. "God werd mens, opdat wij goddelijk zouden worden." (Adv.Haer, 111, 19, 1) De Duitse theoloog Helrnut Echternach, uit wiens voortreffelijke en goed leesbare boek Kerkvaders, Ketters en Concilies ik deze dingen citeer, vervolgt dan: "Deze zin vat de kern van zijn nalatenschap samen. Voor deze zin leeft en strijdt hij. Van deze zin hangt alles af: dat het geheim van Kerstmis, Gods komst in de reële, lichamelijke werkelijkheid van deze wereld, doorgegeven en geloofd wordt, dat erom gebeden en eruit geleefd wordt, zonder aan de waarheid ervan te kort te doen of die te verzwakken.
In de grond van de zaak gaat het in de geschiedenis van de Kerk om deze zinsnede, om het mysterie van de Incarnatie.
Steeds weer gaat het verloren; nu eens wordt aan het goddelijk, dan weer aan het menselijk aspect te kort gedaan. Juist daarin wordt het goddelijk geheimenis openbaar. . . Gedurende alle eeuwen in de geschiedenis der Kerk is men bezig deze zin te begrijpen en te verdiepen." (a.w., p.20).
Natuurlijk kan men zich in paradoxen verliezen. Iets later dan Irenaeus schrijft de kerkvader Tertullianus: "De Zoon van God werd aan het kruis geslagen. Hij schaamde zich niet, want het was een schande. De Zoon van God stierf; het is geloofwaardig, want het is ongerijmd. De Dode stond op; het is zeker, want het is onmogelijk. "
Ik weet niet of het hier niet een soort verlustigen in paradox als zodanig is. Het lijkt haast een literair gegeven, een spel met woorden.
Waar het om gaat
Bij Irenaeus treffen we, mijns inziens, niet zoveel van zo'n spel met woorden aan. Het gaat om het hàrt van de zaak. Wat bedoelen we ermee, als we belijden dat "Hij in alle dingen aan zijn broeders gelijk" geworden is, "in alle dingen op gelijke wijze (als wij) is verzocht geweest, doch zonder te zondigen", dat Hij, "hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen Hij heeft geleden."
(Hebreeën 2:17; 4:15 en 5:8) Wijzen woorden als de volgende niet op zijn volkomen mensheid?
"Hij nam toe in wijsheid en grootte bij God en mensen".
(Lukas 2 vers 52).
Ter afsluiting wat woorden van de bekende Roomskatholieke kunsthistoricus en theoloog Professor Frits van der Meer. Die zegt in z'n Catechismus (editie 1941, p. 123): "Tegen hen - de gnostici en alle doceten - heeft de Kerk de dramatische en aangrijpende echtheid van de mens Jezus als haar enige hoop verdedigd.
Niets heeft zij overgelaten van dit vervluchtigde ... Christusbeeld: en nog altijd leert zij met een echo uit die tijden dat Christus' verheerlijkte toestand vóór Zijn verrijzenis niet de regel was, maar de uitzondering. Niet degene die op de golven liep en schitterde als de zon, maar die doodmoe sliep in het schip en steunde op het kruis heeft ons de grootte van Zijn liefde en de waarachtigheid der menswording geleerd."