Een tobber in Christus

2011-06-24
  • Jaargang 55
  • nummer 13
Ds. Gerrit Zwarts gaat per 1 juli 2011 met emeritaat. Vervroegd, want de predikant uit Breukelen moet nog 53 worden.
Het is niet anders na zo’n acht jaar gevecht met de ziekte van Kahler. Gemakkelijk was het niet. Zijn laatste gemeente Breukelen had het graag anders gezien en in NGK-breed was hij een gewaardeerd voorganger. Maar het moeilijkst was de stap voor Gerrit Zwarts zelf. Een gesprek over werk dat hem lief was, zijn gezin, Zondag 10, de Puriteinen en de mussen.

‘Buikpijn heb ik gehad van de beslissing om emeritaat aan te vragen. Niet wetend dat zo’n beetje iedereen in mijn omgeving daar alle begrip voor had. Maar ik had het idee: ik moet van God zelf de ruimte krijgen. De omstandigheden wezen de laatste tijd wel steeds meer deze kant op…’

Met de dood voor ogen
Bijna een decennium leven met de dood voor ogen. Eerst acuut, omdat de vooruitzichten met deze vorm van kanker aanvankelijk niet best waren.
Inmiddels is de dreiging chronischer, maar onzeker blijft het door het verzwakte immuunsysteem en een ziekte, die zomaar weer actief kan worden.
Hoe onzeker en angstig word je daarvan?
Zwarts: ‘Ik heb meer angst gehad voor de weg voorafgaand aan de dood. En dan vooral voor de negatieve spiraal, waarbij je steeds hulpbehoevender wordt. Doodgaan zelf lijkt me niet het ergste - wel doodgaan zonder God.’ Meer nog dan de angst speelde de schaamte hem parten. Alleen al vanwege het feit dat hij ziek was en aan de kant moest staan. Maar ook om uiterlijke dingen, zoals kaalheid, een opgeblazen gezicht of het lopen met een rollator - ‘Ik was toch ijdeler dan ik altijd dacht’.

Afwezige vader
Veel wordt anders als je zo levensbedreigend ziek wordt. Dan is het zoeken naar houvast. Gerrit: ´Olga, mijn vrouw, is voor mij een rots in de branding en de kinderen hebben mij bij het leven gehouden.’ Het voordeel van ziek-zijn was wel, dat hij meer thuis was. In die zin was het voor echtgenoot en vader Gerrit ook wel een leerzame ervaring. ‘Ik kwam er achter dat ik vroeger veel van het gezinsleven heb gemist. Niet alleen door lijfelijke afwezigheid, maar ook door afwezig te zijn als ik er was.
Ik kon het werk maar moeilijk van me afzetten en dat was gewoon een groot mankement.’ Aan het begin van zijn ziekte vroeg hij zich vaak af waarom hij eigenlijk wilde leven en dan kwam hij toch steeds weer uit bij zijn gezin…
‘En nog wel meer hoor en dit bedoel ik zeker niet normatief, maar zo is het nu eenmaal.’

Diepgang
Ga je door zo’n ziekte ook anders aankijken tegen je leven en je werk en verandert het je geloof? Zwarts ziet geen schokkend grote verschuivingen.
‘Ziekte heeft in de regel een groei-effect qua geloof. Maar ik kan er bij mezelf maar niet opkomen waar dat dan in zit. Soms hoor ik wel van mensen, dat ze in mijn preken meer intensiteit en diepgang ervaren. Ik heb het zelf niet gemerkt, al geloof ik wel dat er door mijn ziek-zijn meer dynamiek in mijn omgang met God is gekomen.
Een wat levendiger verkeer, al zijn er ook de stille perioden.’ Een paar keer komt terug dat Zwarts ‘gelovigheid’ wantrouwt – vooral bij zichzelf. De geschiedenis van Petrus, die door het water zakt en door Jezus omhoog moet worden gehesen, heeft hem meer dan eens diep aangesproken.
‘Met je eigen gelovigheid kom je niet zo ver’.

Wachten op God
Zwarts vindt zichzelf maar een heel langzame leerling. ‘Wat eindelijk een beetje tot me begint door te dringen is dat God na soms ijselijk lange tijden van afwezigheid (zoals ik dat dan ervoer) altijd weer terugkomt. Langzaam begin ik erop te vertrouwen dat Hij mij er wel doorheen sleept. Wachten op God, is een belangrijk thema.’ De ziekte heeft ook hier wel wat met hem gedaan: ‘Ik ben meer onthecht geraakt, meer gericht op de eeuwige toekomst. Als ik verlangens heb dan is dat naar een ontmoeting met Jezus. Ik ben zo benieuwd hoe Hij zal zijn, hoe Hij op mij zal reageren, al weet ik er al wel iets van. Dat onthecht zijn vind ik wel eens lastig. Vooral in preken heb ik het idee me
daarin te moeten inhouden, want velen staan zo volop in het leven.’

De mussen
Zwarts vond het, terugkijkend op zijn predikantswerk, niet gemakkelijk om te aanvaarden dat hij op geestelijk gebied dingen niet had, die anderen wel hadden. En dan als dominee nog wel!!
‘Ik heb daarover vaak met de Geest overhoop gelegen.’
Hij voelde zich daarin ook wel eens teleurgesteld, want God kon hem toch gemakkelijk meer van dit of van dat geven? ‘Maar ik heb ook wel weer gedacht: als God mij zodanig zou vernieuwen, dat ik ver voor de gemeente uit zou gaan lopen, dan liever maar niet al teveel vernieuwing voor mij.
Want ik zou voor geen goud de tobbers willen kwijtraken, de twijfelaars, de tragen, de zogenaamde gewone gelovigen.
De mussen in de tempel. Ik ben er ook zo eentje.’

Voor mezelf preken
Vaak voelde ds. Zwarts zich ook achterblijven bij de werkelijkheid, waarover hij preekte. ‘Ik heb altijd geprobeerd om niet betweterig te preken of uit de hoogte. Misschien wel vooral, omdat ik thuis toch door de mand zou vallen. Ik herinner mij één keer dat mijn gezin zei: doe nou zelf eens wat je hebt gepreekt. Dat ging over vreugde…’.
Het besef dat hij geroepen was om te preken, was voor hem al die jaren een steun in de rug. Zwarts: ‘Wat verder hielp was dat ik niet mijn geloof hoefde te preken, maar het Woord.
Steeds vanuit het volle bewustzijn dat ik zelf in de dingen die ik preekte soms ook maar een stumper was. Ik was altijd erg ontdaan als mensen mij op grond van mijn preken meer heiligheid toedichtten dan ik had. Hoor je dan niet dat ik er zelf ook naar haak?
Ik preek altijd tegen mezelf. Of voor mezelf, dat klinkt wat aardiger. En het is fijn als anderen er ook wat aan hebben.’

Predikant worden?
Hoe komt een mens op het idee om predikant te worden, denk je dan.
Voor Gerrit Zwarts begon dat in de laatste fase van de middelbare school.
Belangrijk was het kerkelijk betrokken gezin, waarin hij opgroeide. En ds. Postma, zijn predikant in Eindhoven.
‘Maar ook het feit dat ik me, vanuit een qua geloof geïsoleerde positie op school, redelijk vaak moest verantwoorden, was een stimulans. Ik heb de studietijd wel nodig gehad om aan de gedachte van het predikant-zijn te wennen, voor zover ik daar ooit aan gewend ben.’ Sterk vormend waren vervolgens de jaren, dat hij pastoraal medewerker was bij ds. Gert van den Brink in Rotterdam-Overschie. Zwarts: ‘Zijn manier van preken sprak me erg aan en op mijn manier heb ik geprobeerd hem na te volgen. Sterk thematisch, puntsgewijs, beginnen met waar je in je voorbereiding geëindigd bent (duidelijk maken dat de woorden uit de Bijbel bedoeld zijn voor onze situatie) en Jezus centraal. Dat laatste heb ik ook heel nadrukkelijk
vanuit Apeldoorn meegekregen en dat heeft me bij allerlei soorten teksten veel winst opgeleverd.’

Puriteinen
Van den Brink zette zijn pupil ook op het spoor van Martyn Lloyd-Jones en de puriteinse traditie. Later waren Amerikaanse theologen, zoals Packer en Piper voor hem een ontdekkingstocht in “meer van het gereformeerde”.
‘Ik heb mij altijd goed thuis gevoeld in het klassieke gereformeerde denken, maar ook het idee gehad: is dat in ons eigen verleden niet wat versmald geworden?
Al veel eerder, in de Eindhovense tijd, deed ik mijn eerste evangelische indrukken op via het kinderwerk van de stichting Timoteüs. Ik heb zulke evangelische invloeden in onze kerken als noodzakelijk gezien, noodzakelijk om bij het Woord te blijven.
Al heb ik persoonlijk het meest met de ernst van de puriteinen’.

Verwondering
Maar niettemin kan hij altijd nog verbaasd zijn als hij zichzelf op de preekstoel terug vindt. De publieke kant van het predikantschap gaat voor zijn gevoel tegen zijn natuur in. Zwarts: ‘Maar het heeft me ook over teveel verlegenheid heen geholpen. Het ambt is ook een duwtje in de rug. Ik heb teveel fouten gemaakt door te denken: ze zitten toch niet op mij te wachten?
Nee, niet op mij, maar wel op de dominee.
Verwonderd ben ik dat God mij zo heeft willen gebruiken.’

Tobberig
‘Ik vind dat ik het getroffen heb met de drie gemeenten, die ik mocht dienen.
Niet dat het altijd makkelijk was, maar dat lag aan mij. Ik heb een grote gave om bezorgd te zijn, ondanks de dringende oproep van Jezus om dat niet te doen. Het zwaartillende en onzekere in me was een voortdurend energielek. Ik vind dat de gemeenten daar erg begripvol mee zijn omgegaan.
Aan de andere kant heeft het misschien ook wel wat: een tobbende dominee.
Want er zijn ook veel tobbende gemeenteleden.
Dat ik gevoel voor humor heb heeft me gelukkig vaak de nodige ontspanning en relativering bezorgd. Waarbij ik de uitspraak van Bomans koester, dat humor overwonnen droefheid is.’ Als mensen zijn preken wel eens te somber of te ernstig vonden, dacht hij op den duur: gelukkig maar, dat er ook vele andere predikers zijn. ‘De mensen zouden schrikken als ik opeens blij en luchtig ging preken. Ikzelf ook trouwens.
Mijn ziekte zal ook invloed hebben.
De thema’s die ik kies beslaan zeker niet meer het hele gemeenteleven.
Het zij zo. Dit is nu even mijn inbreng in het (gelukkig) grotere geheel.’

Coproductie
Gerrit Zwarts liep in zijn predikantschap vaak tegen de vraag op of hij het wel goed had gedaan. Het kostte hem moeite om meer van God uit te denken. ‘Meer vanuit Gods genade en zijn belofte bij mijn doop. Vanuit zijn liefde voor mij, vanuit de eeuwigheid.
Dan is de gang van mijn leven een coproductie geweest. Zoals het nu is, dat heeft mijn leven met Hem opgebracht.
Alle dingen heb ik uit zijn Vaderhand ontvangen. En dit is het resultaat. “Alleen dankzij Zijn genade ben ik wat ik ben.” (1 Korintiërs 15:10). Ik praat daarmee eigen zonden en traagheid en hardnekkigheid niet goed. Daar is Hij niet verantwoordelijk voor. Ik wel. Maar ik honoreer zijn weg met mij. Inclusief mijn psychische en lichamelijke en sociale en geestelijke gesteldheid.
Meer of iets anders zat er dus niet in.
Ook niet minder! Ik mag dan een tobber zijn, maar dan wel een tobber in Christus!’

Gods hoge zorg
Vooral sinds zijn ziekte houdt Gerrit Zwarts zich veel bezig met vragen rond Gods voorzienigheid. ‘Een vroege gedachte in mijn ziek-zijn was: Zondag 10 van de Catechismus moet waar zijn, maar hoe? De hoge zorg van God in mijn leven is het enige waardoor ik vrede met mijn ziekte zou kunnen vinden. Hoog in de zin van: te hoog om er bij te kunnen. Er zijn een hoop raadsels, maar het loopt Hem niet uit de hand. Afgezien van het feit dat dat volgens mij de waarheid is, geeft het ook diepte aan de omgang met God en het leven met tegenslag.
Ik wantrouw mensen die aan Zondag 10 tornen. Het kan vast wel anders qua formulering, maar dan denk ik: heb je zelf wel eens wat ergs meegemaakt? Wat heb ik aan een machteloze God, die meelijdt en de dingen maar laat gaan in de wereld?
Zo ben ik er ook van overtuigd, dat we de uitverkiezing moeten koesteren.
Om de genade veilig te stellen. Maar vooral ook om mijzelf te kunnen troosten: Hij bidt wel voor mij dat mijn geloof niet zal bezwijken. Het hangt niet van mijn gelovigheid af.’

Hoe werkt het?
Ondanks dat hij zo diepgaand bezig was met deze thema’s, vond ds. Zwarts de theologie vaak moeilijk om doorheen te komen. En ook de pure exegese is nooit zo aan hem besteed geweest. Maar wel de vragen die daar achter liggen. ‘Bijvoorbeeld dat de vrede van God mijn hart en gedachten in Christus behoedt (Filippenzen 4:7)?
Wat is dit nu eigenlijk, wat hier staat?
En hoe werkt dat? Commentaren geven daar zelden uitsluitsel over, dus dan moet je zelf aan het denken. En als ik dan ontdek wat dat is, waarom werkt het bij mij of bij anderen dan niet altijd? Wat is er moeilijk aan? Hoe is dit van
belang in mijn dagelijks leven? Zulke vragen boeiden me.’

Mysterieus onvermogen
Als Gerrit Zwarts vooruit kijkt met de Westerse kerk, waarin hij als voorganger gewerkt heeft, is hij niet optimistisch: ‘In mijn toekomstverwachting voor de kerk denk ik wel in de richting van een oordeel over de christenheid in het Westen. Het lijkt alsof er een mysterieus onvermogen is neergedaald om nog rekening te kunnen houden met boven. Ik hoop dat we God kunnen verbidden zodat de mist, die ons het geloven zo moeilijk maakt, opklaart. Ik kan niet-westerse christenen soms jaloers bewonderen.’ Of het groeiend missionair elan een keer ten goede zal brengen, betwijfelt Zwarts. Hij geeft toe, dat het missionaire niet zijn sterkste kant is en hij herkende zich vaak in het opgejaagde gevoel van gemeenteleden, die wat verlegen waren met weer een nieuw missionair project. ‘Ik heb bewondering voor de vele nieuwe initiatieven, maar ik koester ook stiekem de traditionele gemeente. Stiekem, omdat het eigenlijk not done is om dat te doen.
Maar ik zie iets conserverends in de ouderwetse gemeente, als een soort reddingslijn naast alle andere pogingen om kerk te zijn. Daar kunnen we altijd nog op terugvallen. Ik ben daar niet zelfbewust of dapper in, maar ik hoop dat het zo mag werken.’

Onverwachte vernieuwing?
Tegelijk ervaart hij tot op het bot de verlegenheid van het marginale van de kerk. En de neiging tot inkeer en terugtrekken. Zwarts vindt het moeilijk om missionair gemeente te zijn en tegelijk de ‘volle raad Gods’ te behouden.
‘Als ik in mijn preken probeer aan niet-gelovigen te denken voel ik de onbedwingbare neiging in me opkomen om dingen achter te houden. Maar op den duur bouwt dat niet op. Stug doorgaan met Christus preken, dat zie ik voor mezelf als enige weg. Ik ben bang voor vervlakking, voor het vervagen van Jezus in de kerk. Ik word wat heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees. Altijd weer opgepept als ik zie hoe jongere predikanten nieuwe wegen zoeken.
God kan ons verrassen door onverwachte vernieuwing, dat heeft Hij meer laten zien.‘

Ds. Gerrit J. Zwarts diende vanaf 1988 de kerken van Katwijk, Amsterdam-
Centrum en Breukelen. Vanaf 1 juli 2011 is hij emeritus-predikant van laatstgenoemde gemeente.

Drs. Freddy Gerkema is predikant van de NGK van Amersfoort-Noord en lid van de redactie van Opbouw.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief