De Jacobsladder van Maarten 't Hart
1986-11-07
Tallozen hebben over het calvinisme een vernietigend oordeel uitgesproken, vooral wie het niet of nauwelijks kenden. Tallozen hebben een louter op gevoelens of gevoeligheden gebaseerd vonnis geveld.- Jaargang 30
- nummer 43
Want vooral ten aanzien van het calvinisme schijnt het onnodig te zijn zich nauwgezet en met begrip en inlevingsvermogen in de feiten te verdiepen en het oordeel op te schorten tot men zich door 'studie en overpeinzing een van eenzijdigheden gezuiverd beeld heeft gevormd".
Dat schreef L. Strengholt in een publikatie over het bekendste gedicht van Revius: "Hij droeg onze , smarten". Toen ik die woorden kortgeleden weer onder ogen kreeg, had ik net de laatste roman van Maarten 't Hart gelezen: "De Jacobsladder", en ik bracht die regels daar prompt mee in verband.
Opnieuw zullen velen een vernietigend oordeel over het calvinisme uitspreken als ze dit boek gelezen hebben. Wellicht zullen ze menen tot oordelen bevoegd te zijn want dit boek is toch maar door iemand geschreven van wie bekend is dat hij in de calvinistische wereld thuis is en zich daarin verdiept beeft, ook door studie. Dat de lezers van deze roman niet beseffen dat de schrijver, ondanks zijn studie (en overpeinzingj) geen beeld geeft dat van eenzijdigheden 'gezuiverd is, dat is die lezers niet kwalijk te nemen. Maar het kan de schrijver, Maarten 't Hart, wel verweten worden dat' hij opnieuw een beeld schetst dat meer heeft van een karikatuur dan van een tekening waarin de werkelijkheid te herkennen is.
Een meesterwerk?
Rudy Kousbroek noemt De Jaoobsladder in de NRC een "meesterwerk", overigens zonder daarvoor argumenten te geven. Van Deel spreekt in Trouw van "een in alle opzichten geslaagde roman".
Ik begrijp niet hoe' men tot zulke uitspraken komt. Het is in feite een brokkelig boek en het verband tussen het één en het ander doet kunstmatig aan. Is het nu een roman met één thema of is het een verzameling verhalen die via de ik-figuur in het boek aan 'elkaar geknoopt zijn? lik heb allerlei bezwaren tegen dit werk: de constructie is te gezocht, de contrasten zijn te gemakkelijk, door de overdrijving wordt het geheel ongeloofwaardig en vooral: het doet schade aan het Evangelie.
Drie titels
Kerkscheuringen vormen een belangrijk onderwerp in het boek De grootvader van de ik-figuur is er tuk op: "Ik heb nu twee kerkscheuringen meegemaakt, één in '26" en één in '44, en alle goede dingen komen in drieën, dus ik zal er nog wel één meemaken."
Die scheuring komt er dan ook ,inderdaad, de' aanleiding is lachwekkend: de éne dominee plenst bij het dopen drie keer water over het kind, de andere sprenkelt één keer. De gemeente valt in een aantal groepen uitéén, een aantal leden geeft gehoor aan de oproep van Jacob Ruygveen en vormt "Een noodwoning voor God". Dat is de titel van het eerste deel. Het tweede' deel heet: ;,Een markgrond voor roerdompen". Dezelfde Ruygveen komen we dan weer tegen, maar nu in Sint-Joris, een inrichting voor patiënten met geestelijke, stoornissen. Ruygveen is een "zware", één van de zwartekousenkerk, Hij is aan' het einde slachtoffer van godsdienstwaanzin.
Twee zoons van hem hebben zelfmoord gepleegd, één dochter is hoer geworden, de andere dochter is met een Roomse jongen getrouwd (dat is nog het ergste van alles) en zijn vrouw is overleden.
Dat laatste lis de reden waarom hij afgetreden is als voorganger: immers: zo iemand moet "én er vrouw man" zijn. De ik-figuur werkt in Sint-Joris, evenals het meisje dat aan het begin van het boek zo'n indruk op hem heeft gemaakt en dat hij tegen het einde weer ontmoet (Ja ze krijgen elkaar) Ruygveen zegt tegen die twee: "Ach kinderen, wat moet er van jullie worden in deze wereld?
Wijd immers staat de deur open voor het Zwijn des Wouds. Deze wereld wordt een erve der nachtuilen, een markgrond voor roerdompen."
Daar hebben We dus de titel van het tweede deel. Binnen het kader van de godsdienstwaanzin wordt dan ook nog de titel van het hele boek geplaatst. Ruygveen is ervan overtuigd dat God hem, net als Elia, met een vurige wagen en vurige paarden zal halen. De ik vertelt dan gedroomd te hebben dat .hij Ruygveen een ladder zag beklimmen die tot in de hemel reikte. Maar Ruygveen zegt: "De ladder van Jacob? Ach jongetje, wat heb je nog veel te leren, een Ladder, dat kan toch' nooit, dat zou betekenen dat ik zelf zou moeten' klimmen terwijl ik nog geen zucht kan toedoen aan mijn behoud."
Geven die drie titels samen nu de hoofdlijn van het boek aan? Nee, ze dekken niet wezenlijk de inhoud, ze hebben maar betrekking op één aspect ervan, vertegenwoordigd door Ruygveen,
Contrasten
Ruygveen is de man van de extreem-zware richting, de groep waar een dominee wordt afgezet omdat zijn zoon op zondag is wezen vissen, maar waar de mannen regelmatig naar de hoeren gaan omdat zoiets toch niets uitmaakt als je toch verloren gaat of als Je toch uitverkoren bent. Zie hier zo'n typisch cliché-contrast, de afgezaagde voorstelling van de vromen die aan de éne kant zo zwaar heten te tobben en aan de andere kant de katjes in het donker knijpen.
Ruygveen maakt zich als voorganger druk over anderen, maar heeft geen oog voor wat in zijn eigen gezin gebeurt. Zijn tegenpool lis de grootvader van de ik, de man die alles relativeert, die de draak steekt met al dat serieuze gedoe. Hij is de sympathieke wijze oude man, maar ook hij heeft wat het geloof betreft, niets te bieden.
Bij Ruygveen is het één en al ernst, grootvader ziet overal het betrekkelijke van in en maakt grapjes erover, Het is zo simpel!
Overdrijving
Als er één ding is dat mij vooral tegenstaat, dan is het de overdrijving, IJk noemde al het bezoek aan de hoeren. Ik denk aan de incest in het gezin van Ruygveen: beide broers "doen het" met hun zus.
Daar is de beschrijving van het dopen door een 'dominee die zó veel water gebruikt dat het kind begint te gorgelen, aan twee plantengieters met water heeft hij nauwelijks genoeg. Daar is het stompzinnig optreden van dominees, net zo overdreven en onwaarschijnlijk als we uit vorige boeken al .kennen van 'ouderlingen. Daar is het taalgebruik dat de indruk wekt van deskundigheid maar dat bij het weergeven van de "Tale Kanaäns" opnieuw ongeloofwaardig wordt.
De schrijver houdt blijkbaar veel van woorden die niet direct algemeen bezit zijn. Ik kom "vaktermen" tegen als: spanvijzel, komschijf, inroulerén, bakboodswalegang.
De ik vertelt over zijn tijd op de L.T.S.: "Vier jaar leek het of ik in een tempel van goesting verkeerde". Maar geeft dat de belevingswereld aan van een jongen tussen twaalf en zestien jaar? En gebruiken ze in Maassluis het woord "goesting"? Grootvader zegt ergens dat de' meeste jonge mensen pas, als ze een jaar of zestien, zeventien zijn, "aan de wereld-as willen morrelen". Maar dat is geen uitdrukking voor deze grootvader, dat is een uitdrukking van Maarten 't Hart! Grootvader trekt ook te vaak "vergenoegd" aan zijn sigaar die trouwens helemaal te veel in het verhaal voorkomt, ook als ‘komisch" element: grootvader heeft niet naar Amerika willen emigreren "want daar hebben ze zulke slechte sigaren" en als het over een luchtballon gaat, zegt hij dat het daarboven zo koud is en "je sigaar zou er uitwaaien". Eén dominee staat altijd met zijn zakbijbel te hannesen: "Hij haalt net zo snel een bijbeltje uit zijn zak ais een cowboy een revolver uit een holster". Ik zeg niet dat je niet af en toe kunt grinniken bij de gekke dingen die Maarten 't Hart opdist, maar ik herhaal: door de overdrijving wordt hij ongeloofwaardig.
Dat geldt bij voorbeeld ook voor wat de ik allemaal bij de marine be1èeft. Ik noem één ding: hij, kan niet 'Zwemmen, .wordt in , het diepe gesmeten en verdrinkt bijna, hij' wordt er bewusteloos uitgehaald.
Maar het is, onbestaanbaar dat hij alles gehoord heeft wat aan de kant werd gezegd: "Aha, ja, nu zinkt hij. Kijk, hij laait al zijn lucht ontsnappen. wat een geborrel." Laat de bioloog Maarten 't Hart maar eens proberen wat hij onder water allemaal verstaat, vooral als hij al water inademt.
Opnieuw een karikatuur
We kennen de karikatuur al uit ander werk van Maarten 't Hart en ' opnieuw komen we die in dit boek tegen. De dominees heb ik al genoemd.
Maar zelfs bij karikaturen moet een schrijver binnen de grenzen van waarschijnlijkheid blijven.
De vader van de ik, hij is koster, wordt ontslagen door de dominee!
Dat kan natuurlijk niet, daar moet, al zou het maar voor de vorm zijn, een kerkeraad aan te pas komen.
Er gebeuren natuurlijk in de kerk wel gekke dingen en een meningsverschil over de vraag hoe gedoopt moet worden, is echt wel voor te stellen. Maar de zaak wordt belachelijk gemaakt door de gebruikte argumenten en de gevolgde methodes. De mensen van de Pinkstergemeente zijn duitendieven, de zware broeders zijn hoerenlopers, de dominees, zijn eigenwijze doorzetters" de fabrieksarbeiders zijn saboteurs - en de hele bemanning van het marineschip zit onder de "platjes" als gevolg van escapades aan de wal. En zoiets wordt een "meesterwerk" genoemd?
Schade voor het Evangelie
Hebben we iets aan dit boek? Leert het ons iets? Geeft het ons inzicht in problemen? Confronteert het ons met onszelf? Het zijn allemaal vragen waar ik: nee, op zeg. 'Vroeger heb ik nog wel eens gezegd: "Laten we het ons maar aantrekken, laten we maar eens bij onszelf nagaan of wij zulke fouten ook maken." Maar bij het zoveelste boek van deze schrijver zeg ik: "Hij doet schade aan het Evangelie".
In het boek komt niemand voor die de vreugde van dat Evangelie werkelijk kent. Grootvader vindt het eigenlijk zelfs onbelangrijk dat je gelooft. Ruygveen acht het alleen maar van belang dat een mens "wordt ingeleid in de diepte van zijn schuld". En als hij aan het slot van het boek citeert: "Hij heeft mijn ziel Liefelijk omhelsd", dan is hij waanzinnig!
De schrijver voert christenen ten tonele in situaties en gedragingen die de spotlust opwekken. Het lijkt er wel op dat hij respect heeft voor de "zwaren", maar die houden er een godsbesef op na waar buitenstaanders de schouders over ophalen of waar ze de draak mee steken. Hoe groot het misverstand van buitenstaanders kan zijn, blijkt b.v. uit een recensie in de NRC waarboven staat: "Maarten 't Hart verdedigt het geloof, Kaarsrecht in de leer".
Wat een wanbegrip!
Kritiek is niet vrijblijvend
Heb ik nu oneigenlijke kritiek geleverd?
Moet ik zo'n boek alleen maar "literair" benaderen? Nee!' Ik heb enkele argumenten genoemd die mij doen zeggen: literair is dit boek niet geweldig. Maar een werk als dit vraagt om kritiek door de manier waarop de Blijde' Boodschap schade wordt berokkende En dan hebben we niets aan een gemakkelijke, vrijblijvende bespreking als van T. van Deel in Trouw.
Heeft het boek ons dan. niets te zeggen? Het zwaarst weegt bij mij dat het voor veel mensen een zoveelste barrière zal zijn op 'de weg naar de kerk en naar het Evangelie.
Tegelijk besef ik weer hoe wij als christenen zelf een' barrière kunnen zijn. De Naam van onze hemelse Vader wordt ook geschaad door de manier waarop wij met elkaar omgaan. Wie zelf betrokken is bij kerkelijke problemen mag dat wel goed beseffen. Ik weet ook, uit ervaring, dat daarbij veel geleden wordt. En dat is iets dat ik in het werk van Maarten 't Hart niet terugvind. Evenmin als de troost dat God eens ook deze tranen van onze ogen zal afwissen!