Boekbespreking

1986-11-14
  • Jaargang 30
  • nummer 44
B. de Groot,
De Zwijndrechtse Nieuwlichters.
Uitg. Kok, Kampen.
125 blz., f 21,90.

Als je onze jongelui bij hun schoolexamen zou vragen: wie waren dat, wanneer leefden ze, wat typeert hen?, wie zou dan antwoord weten te geven? Zouden ouderen het er beter 'afbrengen?
Dat onbekend zijn is niet 'zo vreemd, want deze "zoekers van licht" (zoals op de omslag staat) of wel "zoekers van het Koninkrijk Gods" (de ondertitel van het boek) hebben er niet naar gestreefd voor 't voetlicht te komen.
Slaan we nu, om een antwoord op de gestelde vragen te vinden, een encyclopedie op, dan vinden we daar wel het een en ander over hen. Ik wil echter beginnen met andere informatie door te geven en wel van:

- ds H. P., Scholte, een van de eerste predikanten van, de Afgescheidenen: "de goddeloze secte te Zwijndrecht, waarin zelfs beginselen geleerd worden, lijnregt en strijdig met de burgerlijke wetten des lands";

- dr F. L. Bos, gereformeerd predikant: "De 'Christelijke Broedergemeente', gewoonlijk met den naam van 'Zwijndrechtsche Nieuwlichters' betiteld, was een pantheïstisch getinte, communistische secte, die in 1817 te Waddinxveen werd gevormd,' daarna haar verblijfplaats had te Polsbroekerdam, te Puttershoek en te Zwijndrecht, alwaar zij haar bloeiperiode beleefde.
Een afzonderlijke nederzetting vestigde zich in 1823 te Mijdrecht, Naden dood van één der stichters, Stoffel Muller, in 1833, ontstond er verdeeldheid, omdat een gedeelte der broederschap, onder leiding van Maria Leer, het communisme ook op sexueel gebied wilde doorvoeren." (beide citaten uit deel 2 van de 'Archiefstukken betreffende de Afscheiding van 1834', bladz. 190);

- tenslotte van prof. dr J. J. Brugmans, hoogleraar In de economischegeschiedenis te Amsterdam: "Het betreft hier een kleine groep mystiek aangelegde personen, meest uit de lagere klassen afkomstig, die wilde 'verwezenlijken wat de eerste christengemeente te Jeruzalem had beoogd. De aanhangers hadden te Zwijndrecht, waar zij na enige omzwervingen beland waren, een broederschap gesticht, met aanvankelijk volledig, later, toen dit ondoorvoerbaar bleek, beperkt gemeenschappelijk goederenbezit.
Men is geneigd om (. , .) hier een uitloper in te zien van de socialistische stroming, die in deze tijden over Europa ging (... ). Wij achten dat niet juist.
Communisme en socialisme zijn beide maatschappelijke stelsels, die worden nagestreefd of bepleit en die een fundamentele verandering in de bestaande economische verhoudingen beogen. Bij de sekte, die wij hier voor ons hebben, was daar geen sprake van. Aan maatschappelijke hervorming werd niet gedacht. Hun communisme was. zuiver bijkomstig gevolg van het streven naar herstel van de oude christengemeente; niet kritiek op het bestaande economische stelsel bracht hen samen, doch alleen de godsdienstige roeping, die soms tot dweepzuohtontaardde." (in 'De arbeidende klasse in Nederland in de 19e eeuw, 1813-1870', Aula-pocket 13, bladz.19112).

De heer De Groot, oud-Ieraar geschiedenis, neemt in zijn boek duidelijk afstand van deze beoordelingen en zegt zich twee doelen gesteld te hebben, nl. (1) het verhaal van de Nieuwlichters opnieuw te vertellen en (2) hier en daar andere, i.c. juistere accenten te leggen (118). Hij doet dat door het optreden van de groep te plaatsen in de tijd <die vol is van politieke, sociale en godsdienstige spanningen) en verder door het verhaal van ontstaan tot en met verloop van de 'groep te tekenen vanuit het doen van de leidende personen (hun activiteiten, ervaringen, uitingen).
Hij is in de uitwerking van zijn doelstelling m.i. goed geslaagd; dat wil niet zeggen dat je niet duidelijk met hem van mening blijft verschillen over de waardering, die hij op enkele punten toont. Het is een vlot leesbaar, boeiend boek geworden.
Eerst tekent hij de politieke en sociale achtergronden van de revolutionaire tijd: 1795 - Franse revolutie, bezetting van ons land door Franse soldaten, grote en langdurige armoede bij omvangrijke bevolkingsgroepen, verwarring van de geesten tijdens en nog lang na de bezetting en een overheid, die krachtig optreedt tegen ontwikkelingen, die "de rust" bedreigen of zouden kunnen verstoren.
In aansluiting daaraan krijgen we een beeld van 'het godsdienstig leven', het rationalisme en piëtisme in de officiële kerk, de verstarde orthodoxie. 'In de kerk evolueerde de preek tot leerrede. Een geheel juiste benaming, want vaak was ze niet meer dan een uitstalling van geleerdheid die uit alle hoeken van de boekenkast naar de tekst toe gesleent was. God, deugd en onsterfelijkheid vormden het schoon drievoudig snoer dat zowel de leerredenen als ook reeds door onze definitie gewonden was' (20/1).
Dit is ook de tijd van de 'gezelschappen', waarin zij, die het niet meer konden uithouden in de kerk, bijeenkwamen 'Om met elkaar Gods Woord te onderzoeken en ook soms veel - eigen 'geestelijke ervaringen' uitwisselden of ten toon spreidden. Fijnen zei men. 'Sommigen zagen het gezelschap als een noodoplossing; waar het geloofsleven in de kerk verdorde en verkilde, kon men te midden der vromen warmte en bloeiend leven vinden. Anderen vonden in het conventikel hun ideaal, namelijk de gemeenschap van de uitverkoren gelovigen .. .' (26).
Dan volgt het verhaal van Stoffel Muller, Dirk Valk en Maria Leer, de in de groep dominerende figuren.
Hun getuigen tegen de rijkdom, wier bezitters geen oog hadden voor de armoe vlak naast hen, hun "openbaringen', hun delen van het bezit met 'anderen, daarmede de eigen armoe naar zich toehalend, Ook van hun negeren van de overheid, die de leden van de groep vervolgde omdat ze 'anders' waren. Die overheid kon de groep niet erkennen. Ze weigerde zich te schikken naar de dienstplicht, naar de regels die voor de burgerlijke stand golden. Ze trouwden, maar voor de eigen groepsleiding. gaven kinderen niet aan, gingen zelfs rover dat ze (gedurende enige tijd) alles gemeenschappelijk achtten, ook de vrouwen. Ze waren niet op hun mondje gevallen, spraken boetpredikatiën uit als het zo uitkwam, getuigden tegen de overheden, die de dienaars van Satan waren.
Was het wonder dat de Nieuwlichters overal tegenstand ondervonden, verdrukt werden, soms ook onrechtvaardig?
Om in hun onderhoud te voorzien liepen ze stad en land af met koopwaar: zwavelstokken, chocolade, turf. Ondertussen spraken ze ook over de spoedige wederkomst van de Here Jezus. Dan zou eerst alles goed worden! Nu nog was er moeite, ja maar niet met de zonde; Als je bij de groep hoorde' - en zij was in de bloeitijd ca. 400 personen groot - was je zonder zonde.
Want er is niets in deze wereld dat niet uit God is. Hij heeft de zonde gewild, de mens kan niet anders doen dan naar Zijn beschikking.
En dus is 'zonde' geen overtreding van Zijn wet. (94) Dat idealistische groep-samenleven kon niet lang duren, Spanningen onderling, verstoorden de vrede, het enthousiasme van de eerste jaren bleef niet lang bestaan en evenmin kon ieder zich blijvend vinden in de 'gemeenschap van goederen', Onderlinge kritiek leidde tot een verflauwen van de samenleving.
Als dan de mannen van het eerste uur, Muller en Valk, wegvallen en er geen duidelijke leiders voor in de plaats kornen, verloopt het geheel.
Dat is het verhaal, heel kort geschetst.
'Ben mislukte poging om naar de oud-christelijke levenswijze de komst van Gods Koninkrijk tegemoet te gaan. Eerst vervolgd, later geduld, en tot op zekere hoogte zelfs gewaardeerd, toen eenmaal gebleken was dat ze geen gevaar voor de bestaande burgermaatsohappij vormden. Mislukt, omdat ze een charismatische leider niet konden missen' (891.90), In het hoofdstuk 'De theologie van de Nieuwlichters' citeert de schrijver het een en ander uit pamfletten, die in deze kring verschenen, uit brieven en liederen, terwijl in een volgend hoofdstuk over 'Contacten en invloeden' de relaties met en ideeën van Wederdopers en Quakers beschreven worden.
Het slothoofdstuk bestemde de heer De Groot voor een evaluatie.
We vinden daar, wat in het hele boek al reeds duidelijk bleek, zijn sympathie voor dergroep en haar idealen duidelijk uitgesproken. Hij is niet kritiekloos, maar veel van zijn accenten gaan de positieve' kant uit. Muller, ro zegt hij, was een 'mens van harmonische gaafheid'.
'Qua intellectuele begaafdheid en wilskracht was hij lang niet tegen Maria Leer opgewassen' en Valk 'had wat Muller miste, de bredegeloofsvisie. Het verschil zat hem niet in het geloof maar in de visie. Valk wist van het evangelie van het komende Koninkrijk dat gerechtigheid en vrede op aarde zal brengen. Hij wist van de taak aan mensen opgedragen om te werken aan de doorbraak van dit Koninkrijk Van dit weten is hij bezeten geweest'. (119) De schrijver klaagt erover dat handboeken voor kerkgeschiedenis weinig of niets 'Over de Zwijndrechtse groep bevatten. De vraag kan echter gesteld worden: is dit wel een stuk geschiedenis-van-dekerk, het Lichaam van Christus?
Dat is op z'n minst dubieus. Deze 'zoekers van licht" (en de omslag van het boek geeft dat in-de-schaduwen-verkeren prachtig weer) hadden zo hun eigen godsdienstigheid, maar ze kwamen niet tot Hem, die gezegd heeft 'Ik ben het licht van de wereld, wie Mij volgt dwaalt niet rond in de duisternis', Joh. 8: 12. Dan is bet mogelijk dat je een schakel bent in die grootse keten van het eeuwige heimwee (119), maar wat betekent dat?

Wie duidelijk aandacht gaf aan de 'Zwijndrechtse Nieuwlichters en voor hun geschiedenis ook belangstelling vroeg" was de schrijver Arthur van Schendel (die van 'Het fregatschip'). In 1933 publiceerde hij zijn roman "De Waterman", waarin hij op bekwame wijze het leven van een van de voormannen tekende.

M. de Jonge, Voorburg

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief