Vast verbond

1985-11-29
  • Jaargang 29
  • nummer 46
Inde journalistiek geldt het voor onbehoorlijk om geschriften van een vader en zijn zoon met elkaar te vergelijken, laat staan om ze tegen elkaar uit te spelen.
Wanneer ik nu naast elkaar zet een opmerking van ds J. van Bruggen en één van prof. f. van Bruggen, dan is dat alleen om te laten zien dat de tijd geen dertig jaar stilstond en dat de bezinning over de massale vernietigingswapens doorging.
Ds J. van Bruggen schreef in "Verkenning" I, 1957, over het antimilitarisme. Hij erkent de "gruwelen van de moderne tijd), deze gruwelen verkleine en onderschatte niemand", maar eenzijdige ontwapening maakt dat men de gruweldader zijn gang laat gaan en door dat verzuim stelt men zich schuldig. Hij maakt geen uitzondering voor nucleaire wapens.
Prof. J. van Bruggen heeft kritiek op de vredesbeweging, maar schrijft ook: Voor zover er momenteel wapens worden ontwikkeld die ais totale/vernietigingswapens fungeren, strijden die wapens met de voorzichtige regel van "oog om oog". De strijd van het recht tegen het geweld, ook het totalitaire geweld, verwordt tot een machtsevenwicht wanneer de maten van billijkheid en beheerst optreden worden ingeruild voor de onmatigheid van totale vernietiging". (De Bergrede, Kampen 1985, blz. 47). Ik heb er nogal tegen aangehikt om terug te komen op de pastorale notitie van 20 september. De zaak ligt gevoelig: Maar ik had beloofd enkele brieven die ik erover kreeg te beantwoorden en de kruitdamp die over ons land en volk de laatste maanden hing, trekt nu wat op. En als de kwestie van de kernbewapening onder ons niet bespreekbaar is, zal over een jaar of tien blijken dat een nieuw geslacht z'n keus gemaakt heeft zonder dat ouders mee gewikt en gewogen hebben met hun zoons, die opgeroepen werden om dienst te nemen. Een zeer gewaardeerde vriend, schrijft, dat ik op 20 september beter niet David en Jonathan had kunnen aanwijzen Als voorbeelden, mannen, die niet rekenen konden op militair overwicht onevenwicht, "want Nederland is Israël niet. Wij moeten een goed leger hebben, een verdediging en een leger dat de vijand afschrikt". Aldus de brief. Daar zit ik mee. Kan ik wel in zware ziekte op Gods verbondsbelofte vertrouwen en niet persoonlijk, of als gezin en kerk, op Gods hulp rekenen ten dage van nationale benauwdheid?
De vriend, die de brief schrijft, is een liefhebber van de vaderlandse geschiedenis. Hij zal ook weten van de brief die Willem van Oranje op 9 augustus 1573 aan Sonoy schreef. Aan de prins was gevraagd "of hij ook met een machtigen groten potentaat in een vast verbond stond" en wat de prins erop antwoordde, hebben we allemaal op school geleerd.
Voor de toekomst vrees ik niet. Ik denk dat er in de wapenwedloop iets is van verharding dóór de Here, omdat Hij, onze almachtige Vader,aan de machtigsten Zijn macht wil tonen, door hun dreiging van de aarde. en uit de ruimte weg te vegen, Rom. 9 : 17,18. Zweef ik hiermee boven de werkelijkheid? Maar de echte realist is hij, die altijd weer een wonder verwacht.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief