Doe mij in de oogst geloven...(vervolg)

1985-11-29
  • Jaargang 29
  • nummer 46
De vorige week hebt u in Opbouw een verkleinde afdruk aangetroffen win een rijmprent met het gedicht "De Ploeger" Allereerst maak:ik de drukker mijn compliment! Het is te merken dat hij zijn best gedaan heeft er iets goeds van te maken en hij is daar prima in geslaagd. Natuurlijk kan zo'n afdruk op krantpapier niet concurreren met de originele,houtsnede, maar mijns inziens heeft de heer De Kruijf het beste resultaat behaald dat met de beschikbare middelen te bereiken is. Een pluim mag hij echt wel eens hebben, ook voor de manier waarop hij verder de uitgave van Opbouw verzorgt.

Als u de plaat goed bekeken hebt, zult u in de houtsnede van Fokko Mees alle symbolen hebben teruggevonden die Roland Holst in zijn gedicht heeft gebruikt: de ploeger bij zijn paard, de zee met de ondergaande zon, de bomen die door de herfstwind ontbladerd worden, de oogst die wordt binnengehaald en in de laagte de boerderij met daarin (zwak zichtbaar) de, brandende lamp. Zullen we ons nu samen, eens over het gedicht buigen? Voor uw gemak neem ik het hieronder nog eens over.

DE PLOEGER
Ik vraag geen oogst; ik heb geen schuren,
ik sta in uwen dienst zonder bezit.
Maar ik ben rijk in dit:
dat ik den ploeg van uw woord mag besturen.
en dat gij mij hebt toegewezen
dit afgelegen land en deze hooge landouwen,
waar als in het uur der schafte
bij de paarden van mijn wil
ik leun vermoeid en stil
de zee mij zichtbaar is zoo ver ik tuur.

Ik vraag maar een ding: kracht te dulden dit besef,
Dat ik geboren ben
in 't najaar van een wereld
en daarin sterven moet.
Gij weet hoe, als de ritselende klacht
van die voorbiie schoonheid mij omdwerelt,
weemoed mij talmen doet
tot ik welhaast voor u verloren ben.

Ik zal de halmen niet meer zien
noch binden ooit de volle schoven,
maar doe mij in den oogst gelooven
waarvoor ik dien ...

Opdat, nog in de laatste voor, ik weten mag dat mij uw doel verkoor
te zijn een ernstig ploeger op de landen
van een te worden schoonheid;
eenzaam tegen der eigen liefde dalend avondrood -
die ziet beneden aan den sprong der wegen
de hoeve van zijn deemoed,
en het branden der zachte lamp van een gelaten dood.

A. Roland Holst
Dit gedicht hoort tot wat men noemt de "indirecte lyriek". Dat wil zeggen dat een schrijver zijn gevoelens en gedachten niet rechtstreeks uit, maar dat hij die als het ware neerlegt ineen persoon die hij schept. De dichter uit zich niet rechtstreeks, maar via een omweg. De ik is aan het ploegen, hij maakt het land klaar voor de oogst van het volgende jaar. Het is herfst, de bladeren (restanten van de voorbije schoonheid) dwarrelen om hem heen. Hij is zich bewust van zijn naderend einde en hij berust daarin. Zijn werk doet' hij niet voor zichzelf, hij zal het resultaat ervan niet meer zien, maar hij vraagt wel om kracht in de komende oogst te geloven: Ziedaar heel .in het kort wat, de ik, de ploeger, bezighoudt. Dat we de dingen niet letterlijk moeten nemen, dat we met beeldspraak te maken hebben, wordt al gauw duidelijk. Ik noem bijvoorbeeld: de ploeg van uw woord, de paarden van mijn wil, het najaar van een wereld, de hoeve van zijn deemoed, de zachte lamp van een gelaten dood. Laten we eens proberen na te gaan welke diepere bedoelingen daaronder liggen.

De eerste en tegelijk de moeilijkste vraag die de lezer zal stellen, is: wie is die "u"? Dat is degene in wiens dienst de ploeger zijn werk verricht. "Maar dat het hier niet gaat om gewone landarbeid, wordt duidelijk door regel 4: "de ploeg van uw woord". In de tweede strofe wordt gesproken vaneen "Gij" die kennelijk wéét hoe de ik zich voelt. Die "Gij" weet ook dat de ik soms "welhaast voor u verloren" is. En in de laatste strofe wordt gezegd dat "uw doel" de ik gekozen heeftvoor het werk dat, hij doet.
Wie is die "u"?, Ik kan mij voorstellen dat iemand zegt: "Dat is God". Ik kan me ook voorstellen dat een predikant deze rijmprent' op zijn studeerkamer zou willen hangen en dat hij het gedicht af en toe met instemming leest: ”Ik mag de ploeg van uw woord besturen, ik wanhoop wel eens, maar ik bid om een blijvend geloof in de komende oogst." Ik geloof dat er ook niets op tegen is dat iemand dit gedicht op die manier leest en dat hij de andere beelden. daarin aanpast bij die opvatting. En het is toch ook wáár dat we leven "in het najaar van een wereld"? En we weten toch dat er perspectief is, dat ééns de grote oogst zal komen? Het is toch prachtig, als we op onze bescheiden manier daaraan mogen meewerken? Maar toch bevredigt die verklaring niet helemaal.
Wat is de betekenis van die zee bijvoorbeeld? En die "gelaten dood" aan het slot is ook iets waar we niet helemaal tevreden over zijn. Kennelijk is er toch iets anders aan de hand met dit gedicht. En inderdaad: we zullen het in verband moeten brengen met ander werk van Roland Holst.' In enkele prozastukken heeft de dichter ons een sleutel tot zijn werk aangereikt. Ik noem "Eigen Achtergronden" en "Het Elysisch Verlangen". Ook bij Jacques Bloem, de grote vriend van Roland Holst, komen we dat woord "Verlangen" herhaaldelijk tegen, maar het is van een heel andere aard dan het Elysisch Verlangen van Holst, het is in wezen veel meer aards gericht terwijl dat van Holst juist het aardse ontstijgt. Vandaar dat Bloem bij mij lang niet die waardering heeft die ik bij het lezen van Holst onderga. Maar ik moet wél bekennen: Roland Holst is een "moeilijke" dichter! Toch zal ik een poging doen in begrijpelijke taal zijn gedachten wereld iets dichter bij u te brengen.


Allereerst: die "u" is zoiets als de verpersoonlijking van zijn kunstenaarschap. Het is zijn opdrachtgever, van hem heeft de dichter zijn taak gekregen, zijn roeping. Maar hij heeft zijn taak niet altijd kunnen volbrengen; er is bij Holst een spanning merkbaar tussen zijn gewone aardse leven en die hogere roeping. Dat kan leiden tot conflicten die onoplosbaar zijn. Heel duidelijk is dat in het gedicht "Het Onweer": hij heeft de vrouw die van hem hield, verwaarloosd, opgeofferd aan zijner dromen duistere' vervoering", aan de extase van zijn kunstenaarschap. Die spanning, dat conflict, is in veel werk van Holst aanwezig. Hij is vreemd aan deze wereld, hij hoort er niet thuis, hij voelt een heimwee, een hunkering naar een andere betere ideale, wereld. Maar tegelijk oefent 'het aardse op hem een sterke aantrekkingskracht uit en dat kan tot gevolg hebben dat hij tekort schiet: tegenover zijn roeping als uitverkoren· kunstenaar én tegenover de wereld van nu en,zijn medemens. Kent de christen niet een soortgelijke spanning en het daarbij horende schuldbesef?

De gedichten van Roland ;Holst hebben een heel eigen symboliek en daardoor zijn ze met zo erg toegankelijk. Oude Keltische verhalen hebben hem het materiaal geleverd waaruit hl] zijn symboliek heeft opgebouwd. Zo moet hij de beroemde "Immrama" gekend hebben, oude zeereisverhalen waarin onder andere verteld wordt van een geheimzinnig paradijseiland, ergens heel ver weg over zee: Dat eiland wordt bij Holst het beeld van het Ideale leven. Ik citeer: "Overal, groot en aanhoudend is achter de mens het ruisen gebleven van het Paradijs, het duistere, het bedwelmende, waarin de stemmen van ziel en bloed Zich over weer verliezen tot de zang der natuur. In hem is die zang gebroken. Die verbreking !s het bewustzijn, en het bewustzijn is hem in zijn zwakte de verbanning uit het Paradijs. Maar in zijn grootheid wordt binnen het bewustzijn hem het leven tot liefde, en het verlangen dier hefde droomt een hereniging van de stemmen van ziel en bloed tot een lied van jubelender verrukking, tot het lied van ijler gelukzaligheid, het lied van Elysium". (Ter toelichting: het Elysium is bij de klassieken zoiets als in onze denkwereld het paradijs, de hemel.) De dichter voelt een heimwee naar dat ideale leven; hier op aarde is hij niet thuis, de zee biedt de mogelijkheid dit aardse leven te ontvluchten naar dat verre .geheimzinnige Eiland der gelukzaligen, naar die ideale wereld en zee is op te vatten als de dood die de weg is naar het leven in die ideale wereld. De zee is bij Holst ook op andere manier een middel om met dat Eiland contact te hebben: soms bereiken hem over de zee de roepende stemmen van ginds, de wind en de vogels brengen die 'stemmen over en dan kan hij momenten beleven van verrukking, extase, hij noemt zich dan een "bevlogene". Natuurlijk kan ik niet in een artikel als dit een helder overzicht geven van de levensbeschouwing van Holst. Kenners zullen ongetwijfeld zeggen dat ik erg onvolledig ben, maar in elk geval heb ik geprobeerd iets van die gedachtewereld duidelijk te maken: Ik kan alleen maar hopen dat ik daar een beetje in geslaagd ben. Het blijft. immers zo: "Wie de dichter wil verstaan, moet 's dichters land bereizen."

Laten we nu terugkeren naar "De Ploeger". We weten nu wie "u" is. We hebben ook een idee van de functie die de zee heeft: de mogelijkheid tot contact met een Hogere, ideale werkelijkheid. De dichter mag van een ideale wereld getuigen, hij mag het woord brengen en zo zijn roeping vervullen, Zo mag hl] meewerken aan het ontstaan. van een nieuwe schoonheid, ook hier in onze landen aan de zee. Maar het is herfst, hij ziet de resten van de schoonheid die voorbijgegaan is. Wie kent niet de weemoed van de herfst? Wie treurt niet om het vele schone dat voorbij is, en' dat ook in diepere zin? Wat is er na het Paradijs van de aarde geworden? Dat verdriet, die neerslachtigheid die weemoed" maakt dat de Ik voor de "u soms" haast "verloren ". Is zijn inspiratie is weg en zijn roeping raakt op de achtergrond. En daarom heeft hij kracht nodig! Daarom bidt hl] op zijn manier: kracht om te dulden, te dragen, maar ook kracht om te geloven in de komende oogst. Ruim veertig jaar na het verschijnen van dit gedicht, nu vijfentwintig jaar ge!eden schreef Holst mij eens: "Voor mij bleef dat gedicht één van de sleutelgedichten waarin ik mezelf nog altijd kan herkennen."

Het gedicht is zelf een stuk "schoonheid", ik vind het klassiek. Beeld en: wat ermee bedoeld wordt, sluiten volkomen op elkaar aan: de herfst als symbool van verval; de dwarrelende bladeren 'als beeld van wat voorbij is; de ondergaande zon en het afnemen van de eigen liefde de hoeve aan de sprong der wegen, uitgangspunt en plaats van terugkeer: de weemoed. Immers: Ik vraag geen oogst, ik heb geen schuren: ik sta in uwen dienst zonder bezit." Over de paarden zou ik nog wel wat willen zeggen. Misschien komt dat nog eens; Ik denk ook aan de roman van Gerard van Eckeren: De paarden van Holst. Maar voor vandaag wordt dat te veel.

De lezers van Opbouw hebben kennis gemaakt met iemand uit een andere denkwereld dan de onze. Misschien hebben sommigen onder mijn gereformeerd publiek het hoofd geschud: "Je reinste mystiek! Wat moeten WIJ daarmee? Maar Adriaan Roland Holst is één van de grootste dichters die ons 'land gekend heeft: hij heeft, net als wij, gehunkerd naar een herstel van het aangetaste leven. En ietsje meer mystiek zou ons wel eens geen kwaad kunnen doen! Zou ook onze eigen liefde niet moeten verminderen? Is ook ons punt van uitgang en terugkeer de weemoed? Kunnen ook wij de.
dood "gelaten"· zien wenken? Over dat woord "gelaten" is nog wel wat te zeggen, maar m elk geval mag ook. voor óns de dood de ingang betekenen tot een nieuwe wereld. En allemaal mogen wij onze bijdrage leveren aan de grote oogst. Die zal van een schoonheid zijn die onze stoutste verwachtingen overtreft.

Heb ik niet te veel van uw aandacht gevraagd? In elk geval: Adriaan Roland Holst was het volgens mij waard!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief