Pastorale Notities

1986-11-21
  • Jaargang 30
  • nummer 45
Zoals de boom valt (1 )
St. Antonius is een gloednieuw verpleeghuis in het hartje van Rotterdam.
De afdelingen dragen de namen van de evangelisten. Op "Mattheus" verblijven demente bejaarden.
Broeder Meus (73) is tot zichzelf ingekeerd en reageert nauwelijks meer op bezoek. Maar hij kent me nog: "Dag dominee!". Dat is heel wat.
We schuifelen samen door de lange gang.
Voor de deur van zijn kamertje heeft iemand een plas gedaan.
Ik verdenk er het vrouwtje van, dat zich gedeeltelijk heeft ontkleed en dat nu als een furie op ons afkomt: ze giet een stortvloed van de gemeenste en liederlijkste aantijgingen over me uit, en dicht me schunnigheden en vuilakkerijen toe, waarvan de grootste smeerlap rode oortjes krijgen zou. Haar vocabulaire is die uit de rosse buurt: ze is kennelijk "in het leven" geweest.
Hoe zielig! Niets meer aan te doen!
Zoals de boom valt! ...
Even later zitten we rustig tegenover elkaar in zijn kleine, nette kamertje.
Direkt kom ik tot mijn doel: ik zing voor hem psalmen uit de oude berijming.
Schriftlezing zegt hem niets meer. Zelfs bij de bekende gedeelten blijven zijn ogen dof. Of hij reageert lacherig, alsof ik een mop verkocht.
Als ik zing, is dat anders. Dan is hij stil, wel naar binnengekeerd, maar hij schijnt toch te luisteren.
Ditmaal wordt het psalm 34.
"Ik loof den HEER mijn God; mijn zang klimm' op naar 't hemelhof; Mijn mond zing' eeuwig tot Zijn lof, om mijn gelukkig lot."
De verzen ontroeren me altijd weer. Mensen van mijn generatie hebben (dikwijls van hun jeugd af aan) de Here gediend met en in deze psalmen, samen met vader en moeder, broers en zussen. Het is dus geen opgave voor me. Ik zing met m'n hart.
Heerlijk dat dat zo vrij kan in dit kamertje!
Het éne couplet volgt na het andere.
- Komt, maakt God met mij groot ...
- Des HEREN engel schaart ...
- Komt kind'ren hoort naar mij ...
Als ik de psalm uit heb vind ik het welletjes.
Ik sluit mijn psalmboek, klaar voor het kort gebed.
Dan, ineens, opent de zwijger zijn mond voor een protest: "Nou? Wil 't niet meer?"
Onze broeder wenst een toegift.
En hij krijgt die.
Hoewel hij een ogenblik later al weer is teruggezakt in zijn afasie en zelfs nauwelijks reageert als ik afscheid neem.
Onder de wandeling van "Mattheus" naar de parkeerpaal, constateer ik geheel bevangen te zijn door de tegenstelling tussen twee mensen, die ik ontmoette en de taalwerelden; waarin ze verkeren.
De één, die van de hoerenbuurt, de verloedering.
De ander die van de psalmen Davids (oude berijming).
Zoals de boom valt, blijft hij liggen.
Met hoeveel ernst wezen de vaderen ons op het "heden der.
genade". Vandaag, nu ge Zijn stem hoort, Hebr.4: 7; Ps. 95 : 7.
Of, zoals de Prediker het zei: "Gedenk dan uw schepper in uw jongelingsjaren, voordat de kwade dagen komen" (12 : 1).
In het mooie, nieuwe Antonius.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief