Des te grotere genade (Jac. 4, 6)

1986-11-21
  • Jaargang 30
  • nummer 45
De beginwoorden van Jac. 4, 6 hebben de verklaarders heel wat hoofdbrekens gekost. Ik geef een kleine bloemlezing van vertalingen en verklaringen.

Vertalingen
De Leidse vertaling luidt aldus: "Maar Hij geeft des te groter genade".
Daarmee stemt overeen de NBG-vertaling, behalve dan dat deze na "geeft" nog toevoegt "dan ook". Evenzo doen de Wil1ibrordus en Van Sternpvcort-De Vries, Deze toevoeging, drie niet zozeer een vertaling als wel een verklaring is van de grondtekst, wijst erop, dat men de tekst zo heeft verstaan: God vraagt wel veel - Hij eist nl. 's mensen geest volledig op, v. 5 - maar is in overeenstemming met die veeleisendheid ("dan ook") royaal in het geven, Men blijft hier met de vraag zitten: wat moet die vergrotende trap ("grotere")? Die wijst toch op een vergelijking met iets anders. Maar dat andere komt niet boven water.
Datzelfde 'geldt voor Statenvertaling en Lutherse Vertaling, die beide luiden: "Ja, Hij geeft meerdere genade". Wat het "ja" hier in het redebeleid moet, als mij trouwens evenmin duidelijk De overeenstemming op dit punt is overigens te merkwaardiger, als men bedenkt, dat het citaat in v. 5 dat aan het woord "ja" voorafgaat door St. Vert. en Luth. Vert. totaal verschillend is weergegeven. De eerste heeft: "De Geest die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigheid?", de tweede: "Na ijverig verlangt Hij naar den geest, dien Hij in ons deed wonen". In die laatste zin verstaat men tegenwoordig de tekst vrij algemeen. (Eén uitzondering hoop ik straks nog te noemen.) En dat m.i. terecht.
Het probleem -van de vergrotende trap biljet evenzeer onopgelost in de vertaling van Brouwer: "Doch de genade die Hij schenkt is groter" 1) en in de Canisius- Vertaling: "Groter genade geeft Hij zelfs".
Met dat laatste woord ("zelfs") weet ik helemaal niets aan te vangen.

Verklaringen
Commentatoren kunnen uit de aard der zaak iets beter duidelijk ma:ken, hoe zij een tekst verstaan dan men dat in een vertaling tot uitdrukking kan brengen.
Ropes (ICC) schrijft: "Het meest natuurlijk is de vergrotende trap op te vatten in de zin 'groter genadë met het oog op de grotere eis'." En laat ,ik er maar meteen aan toevoegen, wat hij schrijft over de betekenis van 'genade' in dtt verband: "De context schijnt te verlangen, dat dit wordt verstaan van het genadig geven van hulp om de eis van hartelijke. trouw te vervullen".
In kleine letter laat hij zich over een andere opvatting als volgt uit: "Wie 'genade' opvatten in de zin van 'gunst', d.w.z. niet het middel om deel is te volbrengen, maar 'een beloning voor het voldoen aan de eis, hebben moeite, met 'groter', dat dan niet op z'n plaats is; en de gedachte als zodanig past minder goed in de context".
Die laatste opmerking schijnt echter te worden gelogenstraft door wat we bij- Keuiers lezen. Deze wijst 'erop, dat v. 6 teruggrijpt op v. 4, en schrijft dan: "Degenen we de wereld beminnen, komen bedrogen uit, want God geeft een grotere gave". Keuiers geeft daarmee aan de vergrotende trap een welomschreven zin: 'groter dan de wereld geeft' 2), en hij doet zulks met een beroep op de context.
Waarmee ook overigens nog niet wil zeggen, dar Keulers "daarmeeeen juiste uitleg van deze tekst geeft.
Grosheide (v, Bottenburg-comm.) geeft het volgende ten beste: "De Schrift zegt niet te vergeefs, dat God een ijverig God is, het is ook een genade Hem in overeenstemming daarmede in alles geheel te mogen dienen, maar God geeft toch groter genade n.l. door den nederigen 'genade' te schenken, terwijl dan 'nederig' zijn inhoudt, het zich niet tegen Hem verzetten, maar Hem dienen naar Zijn bevel".
En over het begrip 'genade' laat hij dit volgen: "waar,in die bestaat, wordt niet nader omschreven, dus te nemen in den ruimsten zin, het citaat moet er het positieve element in brengen". En even verder: "het eerste 'Hij geeft genade' is a.h.w. genomen van een algemeen vaststaande deugd Gods, die heel de Schrift leert, omdat God zóó is, daarom zegt Hij ook etc. . .. 'Groter' kan daar toch wel bij komen, dat wordt dan in- het volgende verklaard".
Ik moet bekennen, dat het mij moeite gekost heeft deze gedachtengang enigszins te volgen.
Voorzover ik hem begrijp, redeneert Grosheide als volgt: na de woorden "den geest dien Hij in ons doet wonen, begeert Hij tot jaloersheid toe" - zo vertaalt hij v.5bvolgt onmiddellijk: "maar Hij geeft gróter genade"; dus moet ook Gods begeren van den geest-in-ons een geven van genade zijn. Misschien heeft Grosheide het beeld voor ogen gestaan van den baas die zijn slaven zijn bezit toevertrouwde (Mt. 25, 14-30). De toewijzing van een kapitaal om ermee voor den baas te werken was dan in de ogen van Grosheide al een 'genade'. Maar wie daarmee nu gehoorzäam gewerkt heeft, krijgt er van den baas nog meer bij (v. 28).
En dat is dan de 'grotere' genade.
ook hoop, dat ik hiermee aan Grosbeide's bedoeling enigszins recht doe. Als iemand van de lezers hem beter meent te verstaan, houd ik mij voor nader onderricht aanbevolen.
B. Holwerda tenslotte (Pop. Wetensch, Bijdr., blz. 68-72) gaat een geheel andere weg. Hij is voorzichtig in de presentatie van zijn exegese, want met - ik denk alle andere exegeten is hij zich goed bewust van de moeilijkheden waarvoor deze tekst ons plaatst. Hij schrijft: "het is slechts een suggestie, die ik ter nadere overweging aanbied, want ik begeer hier elke schijn van apodictisch spreken te vermijden".
Wat de tweede helft van v. 5 betreft, kiest mijn broer voor de Stat.-Vert.: "De Geest, Die in ons woont, heeft Die lust tot nijdigbeid?".
En, daarmee vormt hij, zoals ik boven reeds zei, een opmerkelijke uitzondering op de exegeten van onze tijd.
Nu is het probleem, dat we de woorderi die Jacobus hier uit de Schrift zegt te citeren, nergens zó in onze bijbel terugvinden. Mijn broer meent nu: "in plaats dat hij (d.i, Jacobus, D.H.) dan dat woord der Schrift direct aanhaalt, voegt hij eerst enkele zinnen in; het eigenlijke citaat komt pas in v.b.
Waarom doet hij dat? M.i. om die aanhaling voor, te bereiden. Het lag wel in zijn eigen gedachten, dat de Geest geen lust heeft tot nijdigheid, doch tot welwillendheid; en dus was voor hem zelf dat citaat onmiddellijk duidelijk Maar zijn lezers zouden het mogelijk niet direct begrijpen". Daarom zegt hij veel te voelen "voor een vertaling - al draagt die min of meer het karakter van een parafrase, en is' deze. vertaling dus ietwat 'vrij'ongeveer in deze geest: 'Of meent ge, dat de Schrift voor niets (over deze dingen spreekt)? Heeft de Geest, dien Hij in ons deed wonen, lust tot afgunst? Integendeel, Hij bewerkt een grotere mate van welwillendheid.
(En nu komt het eigenlijke citaát:) Daarom zegt ze dan ook: God wederstaat de hoogmoedigen, doch de nederigen doet Hij welwillendheid ondervinden'.
Op andere punten van deze uitleg hoop ik straks nog wel terug te komen. Voorshands volsta ik met op te merken, dat
het 'groter' hier kennelijk is opgevat in de zin: 'groter dan die voorheen was'.

Een parallel
Men zal bemerkt hebben, dat ik in het voorafgaande allereerst gelet heb op de uitleg die men geeft aan de vergrotende trap ('groter'). Pas toen verschillende verkláringen de revue passeerden, zijn daarnaast ook andere vragen aan de orde gekomen.
Niet zonder reden koós ik voor deze opzet. Ik verbeeld me namelijk juist over dát punt wat licht te kunnen laten schijnen.
Bij het bestuderen van deze brief van Jacobus werd ik nl. getroffen door een parallel, die ons - als ik goed me - de oplossing aan de hand doet voor het probleem van de vergrotende trap in 4, 6. Ik .bedoel 3, 1 "Laten 'niet velen van u zich als leraars aanstellen, mijn broeders, wetend dat wij groter oordeel :mHen ontvangen". Ik heb - in tegenstelling tot de eerste helft - de tweede helft van dit vers walt erg letterlijk weergegeven, omdat de formele overeenkomst met 4, 6 dan goed uitkomt: het gaat in ,beide gevallen om de betekenis van 'groter'. "Groter dan welk ander oordeel?" zouden wij t.a.v. 3, 1 kunnen vragen. Welk oordeel wordt met welk ander oordeel vergeleken?
Het aardige is nu, dat hièr, om zote zeggen, een kind de was kan doen. Zonder moeite zal, denk ik, , '1 de aandachtige lezer aanvoelen, dat de bedoeling is: als wij ons als leraars aanstellen, staat ons een zwaarder vonnis te wachten, dan wanneer wij dat niet doen. Jacobus, gaf in de eerste vershelft een bevel, en vergelijkt nu de gevolgen van het wel en het niet opvolgen van dat bevel met elkaar.

Ik heb getracht de bedoeling van de eerste vershelft wat beter tot zijn recht te laten komen dan in de NBG.vertaling gebeurt. Eigenlijk wordt hier gezegd 'leraars worden' (niet 'zijn', wat NBG heeft). Maar vaak heeft die uitdrukkingswijze in het Grieks de betekenis: 'zich gedragen als'. Eigenlijk zou ik het hier nog wat 'leljjker' willen vertalen: 'de schoolmeester uithangen'. Jacobus heeft hier mensen op het oog die zo goed kunnen schoolmeesteren over anderen.
maar zelf de lessen die ze geven, zo slecht in practijk brengen. Zijn vermaning valt te vergelijken met die van Paulus in Rm. 2, 21: "Hoe nu, gij die een ander onderwijst, onderwijst gij uzelf niet? Gij die predikt dat men niet stelen mag, steelt gij? enz." Beide schrijvers zitten op het spoor van Jezus Christus:' "Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt: want met het oordeel waarmee gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden. en met de maat waarmee gij meet, zal u gemeten worden. Wat ziet !!.ij de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog bemerkt gij niet?" (Mt. 7, 1-3).

Nu vinden we, als we vertalen "den geest dien Hij in ons deed wonen, begeert Hij met jaloersheid" - en ik hoop straks duidelijk te maken, waarom deze weergave boven die van de Stat.- Vert. te verkiezen is - ook in Jac. 4, 5 een eis, een bevel van God: 'Geef Mij uw geest (uw hart) helemaal'.
Zouden we dan niet het daarop aansluitende zesde vers naar analogie van 3, 1 als volgt moeten verstaan: "Maar als u aan Gods eis (Hem onverdeeld uw hart te geven) voldoet, geeft Hij groter genade dan wanneer u aan die eis géén gehoor geeft"?

God is een jaloers God
Waarom ik nu v. 5b in tegenstelling tot mijn broer opvat in de zin die NBG daaraan hecht? Wel, v. 5 sluit aan bij v. 4. En v. 4 stelt: je kunt onmogelijk God liefhebben en tegelijk ook de wereld. Je zult moeten kiezen: of God of de wereld.
Nu, die gedachte wordt het best gestaafd met een uitspraak die God tekent als een jaloers God, als een God die in zijn aanspraken op onze geest geen mededinger gedoogt.

Gebedsverhoring
Wij' Iwnnen onze keus nog verder staven met een beroep op thematisohe samenhangen binnen deze brief.
Jaoobus doet zijn uitspraak in 4, 5 in het kader van zijn onderwijs inzake gebedsverhoring: "Gij bidt wel, maar gij ontvangt niet, doordat gij verkeerd bidt" (v. 3). En dat is een thema dat Jacobus al eerder had aangesneden, nl. in 1,6. En dan lezen we: "Want zulk een mens moet niet menen, dat hij iets van den Heere zal ontvangen, innerlijk verdeeld als hij is ... (vv. 7, 8). Eigeniijk staat er: ",tweezielig".
Dit woord tekent een mens die - om met Elia te sprekenhinkt op twee gedachten, van twee wallen eet, niet resoluut kiest vóór de ene partij en tegen de andere.
Nu, die overeenkomst in kader ('gebedsverhoring') tussen 4, 3 en 1, 6 wettigt m.i. temeer het vermoeden, dat het in 4, 5 evenals in .1, 7.8 gaat over de eis zijn hart (geest) onverdeeld aan den Heere te geven. Het bewuste woord ("twee-zielig") komt dan ook in 4, 8 terug!

Genade
Wat moeten wij in dit verband verstaan onder 'genade'?
Op dit punt 2l0U ik althans ten dele mijn broer willen volgen. Hij schrijft: "het hebreeuwse 'chen' (het woord dat in het Grieks met het in deze tekst gebezigde 'charis' wordt weergegeven, D.H.) is heel vaak de gunst, de vriendelijkheid, de welwillendheid die men begeert en ontvangt van den naaste; een vriendelijkheid waarop men meermalen geen recht kan laten gelden, die dus helemaal een 'gunst'· is; vooral de vriendelijkheid die de kleine man begeert .van iemand die boven, hem staat".
(Cursivering van mij, D.H.) Terwijl nu mijn broer hier denkt aan de welwillendheid waarmee wij elkaar bejegenen, zou ik vanwege het reeds gesignaleerde feit· dat het in dit verband gaat over Gods' verhoring van ons gebed, veeleer willen denken aan de welwillendheid waarmee de Heere ons bejegent.
Mijn broer herinnert zelf eraan, "dat meermalen in het Oude Testament iemand tot den naaste zegt: 'indien ik nu genade gevonden heb in uw ogen' op het moment dat hij een verzoek doet" (cursivering van mij, D.H.). Als A genade vindt in de ogen van B, dan betekent dat vaak heel concreet: B was A terwille, B voldeed aan als verzoek.
En zó past dit woord in het kader van de gebedsverhoring. Jacobus zegt ons: U moet beginnen met uw 'hart onverdeeld aan den Heere te geven. Wanneer u dat doet, 'geeft Hij u groter genade', d.w.z. is Hij u meer terwille, geeft Hij u eerder dat waarom u Hem bidt, dan wanneer uw hart verdeeld blijft over Hem en de wereld. Wie met zo'n gedeeld hart tot Hem nadert, moet namelijk - en nu citeer ik nog eenmaal 1, 7.8 - niet menen, dat Hij iets van den Heere zal ontvangen, dubbelhartig als hij is.

1) Zo ook de Friese vertaling: "Mar grutter is de genede dy 't Er ûs jout", en Groot Nieuws: "Maar de goedheid die Hij ons bewijst is groter".
2) Deze verklaring vindt men 'bij meer exegeten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief