De Here kent de zijnen
1984-01-13
De gedachtenwisseling tussen ds W. G. Rietkerk en ondergetekende, naar aanleiding van het artikel Pluraliteit en 'klassiek gereformeerd', heeft zich toegespitst op de leer van de dubbele predestinatie (voorbeschikking). Ook al heeft ds Rietkerk in dit artikel nog wel meer onderwerpen aangesneden die bespreking verdienen, toch heb ik besloten om mij in deze bijdrage - de laatste van mijn kant - te blijven concentreren op deze zaak.- Jaargang 28
- nummer 2
Affiniteit
In de wijze waarop ds Rietkerk zich uitlaat over de leer van de dubbele uitverkiezing bespeur ik nauwelijks enige affiniteit met de motieven die de reformatoren tot hun hartstochtelijke verdediging van dit leerstuk hebben gedreven.
Ds Rietkerk is zozeer overtuigd dat deze leer een onbijbels karakter draagt, dat hij de moeite niet meer neemt om na te gaan wat mannen als Luther en Calvijn tot het formuleren van deze leer heeft bewogen.
Het gevolg is dat de lezer een beeld krijgt voorgeschoteld van de leer van de dubbele predestinatie dat zo afstandelijk en kil is, dat hem de rillingen wel over de rug moeten lopen. Toch hoeft dezelfde lezer zich ook weer niet al te ongerust te maken, want "wij mogen ons gelukkig prijzen dat dit vandaag nauwelijks meer geleerd wordt".
Door in 'mijn vorige artikel een citaat van professor Van Ruler op te nemen, heb ik willen aangeven, dat deze laatste bewering toch wel wat al te boud is: de leer van de dubbele predestinatie wordt nog wel degelijk, en zelfs met volle overtuiging, verdedigd. Dat feit zou tooh enigszins bescheiden moeten stemmen, ook als men het - zoals ds Rietkerk - met Van Ruier op dit punt geheel oneens is.
En dan nog iets: naar mijn mening heeft men een bepaalde leer pas weerlegd, wanneer men de wortels van die leer heeft blootgelegd en die vervolgens heeft bestreden.
Precies op dit punt wreekt zich echter het gebrek aan affiniteit met de drijfveren van de reformatoren àchter deze leer. Ds Rietkerk meent namelijk, dat de leer van de dubbele predestinatie is ontworpen om een redelijk antwoord te kunnen geven op de vraag: waarom geloof ik nu wel, en mijn buurman niet?
Dit laatste is, wat de reformatoren betreft, pertinent onjuist. Luther is op de predestinatie teruggevallen in zijn strijd tegen het humanisme van Erasmus. Voor Calvijn ging het in de leer van de dubbele predestinatie om de eer van God. Wie de Ieèr sap de verkiezing en verwerping aanvalt zonder deze dieper liggende· motieven in rekening te brengen, maakt zich al te gemakkelijk van de zaak af en doet aan de eigenlijke intenties van de reformatoren geen recht.
Professor Honig
Het was voor mij een teleurstelling dat ds Rietkerk in zijn reactie op wat ik had geschreven over de verkiezing, niet teruggaat tot de reformatorische bronnen, maar zich vooral bezighoudt met het Handboek van de Gereformeerde Dogmatiek van de hand van professor A. G. Honig. Het mag algemeen bekend worden verondersteld dat dit werk een veel scholastischer inslag heeft dan bijvoorbeeld de Gereformeerde Dogmatiek van Bavinck, waarop Honig zegt terug te grijpen. Gezien deze stand van zaken is het met zo'n toer om op Honig kritiek te leveren.
Er is één punt van verschil tussen Honig en Bavinck wat ik naar voren wit halen. Met het oog op onze gedachtenwisseling is het van groot gewicht, Bij Honig lezen wij: " ... wie waarlijk aan de electie (uitverkiezing - AMvL) gelooft, belijdt van zelf ook de reprobatie (verwerping - AMvL), die de keerzijde der electie is" (Handboek p. 261). Honig suggereert op deze wijze een zekere balans tussen verkiezing en verwerping. Bavinek daarentegen stelt: "Hoezeer echter de verwerping eenerzijds met volle recht tot de praedestinatie gerekend mag worden, toch is zij niet in denzelfden zin en op dezelfde wijze inhoud van Gods besluit als de verkiezing" (Gereformeerde Dogmatiek II p. 358). Bij Bavinck dus geen evenwichtsconstructie: in Gods besluit is de verwerping ondergeschikt aan de verkiezing, Versta ik ds Rietkerk goed, dan is zijn aanval op de leer van de dubbele predestinatie voor alles gericht tegen de gedachte dat er een balans zou zijn tussen verkiezing en verwerping. Ik kan hem verzekeren dat ik, wat dit laatste betreft, volledig aan zijn kant sta.
Ik vermoed overigens dat ds Rietkerk daar van opkijkt: gezien zijn laatste artikel meent hij ook bij mij de neiging tot een dergelljk evenwichts-denken te bespeuren.
Dat S echter het gevolg van onzorgvuldig lezen van wat ik naar voren heb gebracht. Zelf had ik geschreven: "Uit-verkiezen (eklegomai: zo komen we het in de grondtekst van het Nieuwe Testament regelmatig tegen) betekent, hoe je het ook wendt of keert: uit een bepaalde groep sommigen aannemen en aan anderen voorbijgaan".
Ds Rietkerk heeft daar in zijn beantwoording van gemaakt: "Maar verkiezen in de Schrift is toch uit-kiezen (in het Grieks eklegomai).
Dat houdt toch logisch in dat je anderen verwerpt ... ".
Dit heb ik echter niet geschreven en ook niet bedoeld! Heel bewust heb ik gesproken van 'voorbijgaan' en niet van 'verwerpen'. Want verwerping is in de Schrift nooit en te nimmer automatisch de keerzijde van de verkiezing. Ook ik weet dat de verkiezing van Israël beslist niet insluit de verwerping van de volken, maar uiteindelijk (in Christus) aan de volken ten goede komt.
Al moet me van het hart dat ds Rietkerk wel wat erg luchtig heenglijdt over het feit dat de HERE, door Israël tot zijn eigendomsvolk te maken, aanvankelijk dan toch maar aan de andere volken voorbijgaat: dat is toch ook niet niks! We moeten de ergernis die besloten ligt in Gods verkiezen niet proberen weg te poetsen of te omzeilen.
Niet op dezelfde wijze
Nogmaals, als ds Rietkerk te velde trekt tegen de gedachte als zou er een balans bestaan tussen verkiezing en verwerping, dan zal hij mij aan zijn zijde vinden. Die strijd is noodzakelijk: gereformeerde theologen zijn meerdere malen voor een dergelijk evenwichts-denken ontvankelijk gebleken. Ik denk bijvoorbeeld aan Beza, n.b. de opvolger van Calvijn in Genève. Van hem is een schema bekend, waarin hij verkiezing en verwerping volkomen coördineert: beide zijn geheel met elkaar in balans (het schema is o.a. te vinden in: K. Schilder, Heidelbergse Catechismus Hl p. 466-467). Dit schema is voor mij het sein, dat de gereformeerde theologie na Calvijn op dit punt haar tol gaat betalen aan de scholastieken dat we hier dus terdege op onze hoede moeten zijn.
De leer van de dubbele predestinatie zelf heeft hiermee voor mij echter nog niet afgedaan. Temeer daar het binnen de gereformeerde traditie niet ontbroken heeft aan waarschuwingen tegen dergelijke ontsporingen. Indringend is de waarschuwing zoals we die kunnen vinden in het Besluyt van de Dordtse Leerregels. Zij die het volk proberen wijs te maken dat de gereformeerde leer van de predestinatie inhoudt "dat de verwerpinge op ghelijcke wijse zy de oorsaecke der ongheloovicheyt ende Godloosheyt, ghelijck de Verkiesinghe is de fonteyne ende oorsaecke des geloofs ende der goede wercken" handelen in strijd met alle waarheid, billijkheid en liefde. In de lijn van deze waarschuwing spreekt - zoals we geconstateerd hebben ook Bavinck: de verwerping maakt deel uit van Gods raadsbesluit, maar niet op dezelfde wijze!
Romeinen 9 : 11-16
Merkwaardig genoeg gaat ds Rietkerk, bij zijn breedvoerige bespreking van wat professor Honig over de verkiezing zegt, voorbij aan diens voornaamste argument vanuit de Schrift voor de leer van de dubbele uitverkiezing: Romeinen 9: 11-16.
Laat ik, alvorens op dit Schriftgedeelte in te gaan, duidelijk stellen: het dogma van de dubbele predestinatie zullen we hier niet aantreffen. Maar dat is dan ook het punt niet. Naar dogma's zullen we in de Schrift tevergeefs zoeken. Waar het op aankomt is dit: opent Romeinen 9 : 11-16 de weg tot een dergelijk dogma, of sluit dit Schriftgedeelte die mogelijkheid uit?
Tussen twee haakjes, als ds Rietkerk tegenover professor Van RuIer met enige tevredenheid vaststelt: "de Schrift zelf leert ons het dogma van de eeuwige verwerping niet", dan is daar nog niets mee beslist. Dogma's plegen nu eenmaal niet in de Schrif1t voor te komen: zij zijn de vrucht van gelovige bezinning op de Schrift.
Terug nu naar Romeinen 9: 11-16.
I.v.m. de ruimte citeer ik alleen de eerste drie verzen: "Want toen de kinderen nog niet geboren waren en goed noch kwaad hadden gedaan - opdat het verkiezend voornemen Gods zou blijven, niet op grond van werken, maar op grond daarvan dat Hij riep - werd tot haar gezegd: de oudste zal de jongste dienstbaar zijn, gelijk geschreven staat: Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat".
Vóór de geboorte van haar beide zonen heeft de HERE tot Rebekka gezegd: "De oudste zal de jongste dienstbaar zijn". Het is duidelijk dat dit woord door God gesproken is in de tijd. Het heeft echter betrekking op twee mensen die op dàt moment nog niet geboren zijn. Daarom staat niets de gedachte in de weg, dat de HERE van eeuwigheid al had besloten dat Ezau Jakob zou dienen. Voordat het gedrag van Ezau ergens aanleiding toe heeft kunnen geven is over hem besloten, dat hij, als hij ter wereld is gekomen, zijn jongere broer zal moeten dienen. Tegen de normale gang van zaken in.
Weer stuiten we op de ergernis van Gods verkiezen. Eerst is er Gods verkiezend voornemen, daarna gaat het menselijk gedrag een rol spelen. Daarvan getuigt het woord: "Jakob heb Ik liefgehad en Ezau heb Ik gehaat". In dit woord wordt Gods toorn hoorbaar over Ezau's weigering om zijn jongere broer dienstbaar te zijn. Wanneer de HERE Ezau verwerpt, is daarbij diens eigen schuld in het geding.
En zo is het steeds in de Schrift: als God mensen verwerpt is er altijd sprake van werkelijke schuld bij die mensen.
Dit laatste is dan ook altijd in rekening gebracht door hen die de dubbele predestinatie leren. Zo spreken de Dordtse Leerregels (I, 15) over de verwerping als over Gods besluit om mensen in de gemeenschappelijke ellende te laten, waarin zij zich door hun eigen schuld gestort hebben.
Wij kunnen Gods soevereiniteit niet rijmen met onze eigen verantwoordelijkheid.
Voor ons verstand is het: of het één, of het ander. De Schrift leert ons om hier niet te kiezen, getuige het woord: "Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen ... " (2 Petr. 1 : 10). Gods verkiezen sluit onze verantwoordelijkheid niet uit, maar in.
De Here kent de zijnen
Ds Rietkerk besluit zijn artikel met dit slotwoord: " ... ik pleit er alleen voor het gordijn te laten hangen voor de verborgen dingen van God en ons intussen te houden aan wal geopenbaard is en dat is Zijn liefde in Christus tot alie mensen".
Tot de geopenbaarde dingen reken ikzelf ook het Schriftwoord: "De Here kent de zijnen" (2 Tim. 2: 19). Dat 'kennen' is hier, zoals op zoveel plaatsen in de Bijbel, een verkiezend kennen. Denk maar aan de volgende plaatsen. Amos 3 : 2"U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk"; Mattheüs 7 : 23 - "En dan zal Ik hun openlijk zeggen: Ik heb u nooit gekend: gaat weg van Mij, werkers der wetteloosheid"; Romeinen 8 : 29 - "Want die Hij tevoren gekend heeft, heeft Hij ook tevoren bestemd tot gelijkvormigheid aan het beeld van zijn Zoon". De Here kènt de zijnen. Wat kan ons ervan weerhouden om te geloven, dat de Here van eeuwigheid weet wie de zijnen zijn en wie niet?
Wijzen de volgende woorden van Jezus Christus niet in deze zelfde richting? "Ik heb uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt, zij behoordenUtoe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben uw woord bewaard" (Joh. 17: 6); en: "Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader die Mij gezonden heeft hem trekke ... " (Joh. 6 : 44).
Hoe aanstootgevend het voor ons ook is, de Here is en blijft - ook in zijn heilswerk - een verkiezend God. Niet wij hebben Hèm, maar Hij heeft ons uitgekozen (vgl. Joh. 15 : 16).
Gods verkiezende liefde is daarin openbaar geworden, dat Hij dwars tegen elke verwachting in - goddelozen rechtvaardigt, uit genade, alleen door het geloof in Jezus Christus. In Hem heeft de Vader ons uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht (Ef. 1 : 4).