Wist gij niet...?
1985-01-18
Luc. 2:49 en 24:25 - Jaargang 29
- nummer 3
"Wist gij niet, dat ik bezig moet zijn in de dingen van mijn Vader?;'”
Het eerste woord van Jezus, dat de evangelist ons heeft overgeleverd. Lucas zal het uit Maria's eigen mond hebben opgeschreven. Zij bewaarde immers alle woorden over haar Kind Jezus in haar hart (v. 18) en zeker wat hij als twaalfjarige jongen tegen haar en Jozef gezegd heeft in de Tempel (v. 51).
Ze heeft het niet aanstonds begrepen (v. 50); maar ze heeft zijn woord daarom niet terzijde gelegd, maar bij die andere wondere woorden opgeslagen in haar hart. Om ze in de loop van haar leven telkens opnieuw te overdenken en te, overwegen (v, 19) totdat ze voor haar begonnen te lichten in volle klaarheid, vooral in de donkers te uren, als een zwaard door haar ziel ging (v. 35).
"Wist gij niet. .. ?"
Daar ligt een zacht verwijt in. Ze hadden het kunnen weten, ze hadden het zelfs moeten weten.
Ze hadden Jezus niet zo behoeven te zoeken. Ze hadden rechtstreeks naar het huis van zijn Vader kunnen gaan. Waar zou de Zoon des Vaders anders zijn? Hij was er niet weg te slaan! Aan de voorgeschreven feestweek heeft Hij niet genoeg. Jezus bezig zijn in de dingen van zijn Vader is niet gebonden aan feestdagen en feestweken, aan liturgische bepalingen en beperkingen. Hij kan er niet genoeg van krijgen!
Wisten ze dat niet?
Na alles, wat ze van dit Kind gehoord hebben, van engelen en mensen? Na een twaalfjarig samenleven met Hem? Kennen ouders zo slecht hun kinderen? Kunnen Jozef en Maria zo blind en doof geweest zijn voor het diepe geheim van hun Kind? Of zijn we allen zo ver verwijderd geraakt van de dingen des Vaders, dat we de jongen Jezus niet meer vólgen en vinden kunnen, als Hij bezig is in de dingen des Vaders?
Heeft Maria wellicht in de langzaam doorwerkend gewenning van twaalf jaren de woorden in haar hart op de duur ongebruikt laten liggen? Functioneerden ze niet meer in de dagelijkse beleving van haar geloof en in haar dagelijkse omgang met Jezus? Hoe kan ze anders zo'n vreemde vergissing maken, door te spreken van "je vader en ik" (v.48)? Wist ze dan niet meer, wie de Vader was van haar Kind?
Door de mist heen van hun nodeloze onrust en angst hebben ze "ten derde dage" Jezus toch teruggevonden! Hoort u daar geen Páásmuziek in? Maar ook Paasbescháming! Want aan het slot van zijn evangelie tekent Lucas ons een dergelijke situatie als in het begin van zijn evangelie: ten derde dage laat Jezus zich door de zijnen hervinden, terug van weg geweest in de dood. Maar hoe vaak moest Hij na zijn verrijzenis niet tegen hen zeggen: wist gij niet? Hadden jullie het niet kunnen weten? En ook moeten weten? Hoe vaak heb Ik jullie niet voorbereid, niet alleen op mijn sterven, maar ook op mijn opstanding, ten derde dage?
De Emmaüsgangers verwijt Hij , hun onverstand en traagheid van hart,om de profeten te verstaan (24 : 25). Het ontbreekt ons nooit aan het profetische licht, dat schijnt op een duistere plaats (2 Petr. 11 : 19), maar ongeloof en twijfel, en ook vervlakking en gewenning zetten maar al te vaak een koremaat over dat licht (11 : 33).En zo maken we het onszelf moeilijker dan nodig is.
Wist gij niet? Hadden Jozef en Maria niet beter moeten weten?
En hadden de discipelen van de Heer niet beter moeten weten?
Hadden ze niet moeten weten, dat ze Hem ten derde dage weer zouden terugvinden? Levende in de dingen des Vaders. En onderweg naar het Huis zijns Vaders.
Hoe vaak moet de Heer ook ons niet verwijten: wist ge dan niet?
Als de traagheid van hart ons te pakken heeft, zijn we niet meet voorbereid, op wat in de Schriften ons reeds lang voorzegd is en ons bekend kan zijn, Zijn zo velen daardoor in onze tijd "zoekers", terwijl ze allang "vinders" konden zijn?
Ik moet er niet aan denken, dat de Heer op de dag van zijn definitieve Komst tegen ons zou moeten zeggen: wist gij niet ... ?
Goddank zegt Hij het nu nog tegen ons! En Hij laat het niet bij die beschamende vraag, maar opent ons daarna barmhartig de Schriften, die van Hem getuigen. En van het huis des Vaders. En van de dingen des Vaders. Hij is ook in 1985 nog met ons onderweg, en wat mag ons hart brándende in ons worden, als Hij ons onderweg de Schriften opent (24 : 32).
"Zo gij zijn stem dan heden hoort, gelooft zijn heil- en troostrijk woord, sluit u niet af, maar laat.
u leiden" (Ps. 95).