Over doop en over-doop (3)
1985-01-18
De informatie over vervolgde baptistengroepen in de Sowjet-Unie gaat soms gepaard met fotp's van doopplechtigheden: een aantal in het wit geklede figuren is tot aan het middel een rivier ingelopen, om zo door een totale onderdompeling in het water de doop te ondergaan. In ons land is in menig kerkgebouw van een (Volle) Evangelie-gemeente een bassin aangebracht, waarin dopelingen eveneens kopje onder gaan. Deze wijze van dopen blijkt op veel mensen aantrekkingskracht uit te oefenen, en de onvrede met de kinderdoop aan te wakkeren .. Het besluit tot overdoop- rust zelden alleen op de overtuiging, dat de doop van een baby onbijbels is, maar meestal ook op het gevoelen, dat alleen een doop door onderdompeling de èchte doop is. Vanwaar dit gevoelen? Natuurlijk heeft het te maken met het feit, dat volgens de bijbelse berichten gedoopt werd door onderdompeling; heel veelbetekenend staat er in Joh.3: 23 dat er op de plaats waar Johannes doopte VEEL WATER was.- Jaargang 29
- nummer 3
Maar er is meer van te zeggen. Velen achten het niet toevallig, dat de bijbel doop door onderdompeling kent; men proeft daar symboliek in. Een symboliek, die men, voort ziet vloeien uit het verband dat in de bijbel gelegd wordt tussen
doop en wedergeboorte
Er is één tekst die met zoveel woorden de doop aan de wedergeboorte verbindt, en wel- Titus 3 : 5, waar Paulus spreekt van 'het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest'. Maar het is met de wedergeboorte als met het verbond: ook waar het, wóórd niet genoemd wordt, kan van de záák wel degelijk sprake zijn. Als wij in Gal. 3 : 27 lezen, dat het gedoopt worden in Christus inhoudt dat wij met Christus bekleed worden, moeten wij daarin een zinspeling horen op het aandoen van de nieuwe en het afleggen van de oude mens, Col. 3 : 9, 10. En wat is dat anders dan wedergeboorte? Wat in Titus 3 wedergeboorte heet, wordt in 11 Cor. 5: 17 een nieuwe schepping genoemd, d.w.z. met Christus sterven en opstaan (11 Cor. 5 : 15).1) Van dit sterven en opstaan met Christus lijkt de doop door onderdompeling volgens Rom. 6: 3, 4 een machtig symbool te zijn.
Totaal het water ingaan, zodat de waterspiegel zich boven je hoofd sluit - is dat geen beeld van verdrinken, sterven, omkomen?
En er weer uit komen, is dat geen zinnebeeld van de verrijzenis uit de verdrinking, de opstanding uit de doden? 2) Wat is zogezien de kinderdoop door besprenkeling een van alle beeldspraak beroofd symbool. De zichtbaarheid van het. sterven en opstaan met Christus, van het\ wedergeboren worden, ontbreekt er wel smartelijk in!
Inderdaad behoort het niet tot de sterkste kanten van de gereformeerde traditie, het ernst maken met de beeldende kracht die, God in de sakramenten heeft gelegd.
De maaltijd des Heren als het eten en drinken van Christus' vlees en bloed (Joh. 6: 53; Matt.
26 : 26-28) is in onze avondmaalsviering verschrompeld tot een stukje brood en een slokje wijn. En van het waterbad dat Christus' bruid reinigt, is in onze doopbediening niet veel meer overgebleven dan een paar druppels. Men kan dat op goede gronden betreuren. Het getuigt misschien van intellektualisme, dat wij de zichtbaarmaking van het evangelie in de sakramenten zo hebben teruggedrongen. Maar laten wij van de weeromstuit niet in het tegenovergestelde vervallen!
Neem nu het avondmaal. Niet zelden is in het breken van het brood en het vergieten van de wijn een uitbeelding gezien van het verbreken van Christus' lichaam aan het kruis en van het vergieten van Zijn bloed. Zo zag men Zijn lijden en sterven a.h.w.: in het avondmaal voor zich. Maar vanuit de bijbel zijn daarbij - een paar nuchtere vragen te stellen. Waar staat het, dat Jezus de wijn niet alleen aangereikt, maar ook ingeschonken en vergoten heeft? Waarom zou het breken van het brood, dat bij elke maaltijd plaats vond zoals bij ons het snijden van een brood, bij het avondmaal ineens symbool van het kruislijden Zijn geworden, terwijl er juist nadrukkelijk vermeld wordt .dat Jezus' beenderen niét gebroken zijn (Joh. 19: 33)? Als Jezus Zijn offerande had willen uitbeelden, waarom deelde Hij dan brood uit, en niet het geslachte paaslam, dat bij uitstek geldt als beeld van Zijn verzoenend sterven, 1Cor. 5 : 7?
Nee, er is alle reden om aan te nemen, dat de Heiland met de beelden van brood en wijn niet meer heeft willen zeggen, dan dat Hij ons wil voeden en laven met Zijn offer. Niet de offerande aan het kruis als zodanig heeft Hij in een symbool vorm gegeven, maar het ten goede komen van Zijn offer aan de gelovigen. 3) Wie bij het avondmaal aan een soort passiespel denkt, overvraagt de bijbelse symboliek.
1) Vgl. het spraakgebruik in Hand. 13 : 32, 33: verwekking als opwekking.
2) Vgl. de afgewogen' bewoordingen in de twee weken geleden aangebaalde geloofsbelijdenis van New-Hampshire: de doop is .een zinnebeeld, waarin wij ons geloof in een gekruisigde, begraven en opgestane Verlosser verkondigen.
3) Vgl. art, 34 van de NGB, waar de symboliek van het avondmaal heel duidelijk betrokken wordt op de toeeigening en niet op de tot stand ko- ' ming van het heil.
Datzelfde dreigt bij de doop te gebeuren. Dat het doopwater symbool is van de reiniging, is boven alle twijfel verheven, vgl.
Ef 5 : 28; Hand. 22: 16. Maar symboliseert het ook een sterven en begraven worden, Rom. 6: 3, 4; Col. 2: 12? In het OT wordt het water inderdaad soms genoemd als beeld van dreigende ondergang, vgl. psalm 42 : 8; 69 : 2, 3, 15, 16. Maar zulke gewrongen beeldspraak als 'begraven worden in water' kent de bijbel niet. Daarbij komt, dat Paulus het gedoopt worden in Christus' dood (Rom. 6 : 3) even verder verklaart als een ‘met Christus mee gekruisigd worden' (Rom, 6: 6). En van kruisiging kan de onderdompeling in water onmogelijk -een afbeelding zijn.
Daarom is het zeer de vraag, of de doophandeling wel bedoelt symbool van sterven, begraven worden en opstaan te zijn. Rom. 6 : 3 neemt als uitgangspunt, dat wij in Christus gedoopt zijn. Dat betekent, dat wij door de doop met Christus verbonden worden, onder de genade zijn (Rom.6 : 14,- 15), aan Christus toebehoren (Rom. 7 : 4), in Christus zijn (Rom. 8 : 1). In wezen duidt de uitdrukking 'in Christus gedoopt worden' dan ook hetzelfde aan als wat in Hand. 11: 24 heet 'toegevoegd worden aan de Here'. Ook in Rom. 6 geldt de doop als markering van het overgeplaatst worden in het rijk van Christus! Nu vat Paulus de verlossende betekenis van die overplaatsing samen in de term 'vergeving der zonden', Col. 1 : 14.
Maar hij ontvouwt die betekenis vervolgens in tal van begrippen: rechtvaardiging, nieuwe schepping, sterven en opstaan, afleggen van de oude-en aandoen van -de nieuwemens, wedergeboorte enz. Moeten wij nu al de beeldspraak, die in die begrippen besloten ligt, in de doop kunnen terugvinden? Welnee; de symboliek van het water beperkt zich tot: ‘die kernachtige', omschrijving: vergeving van zonden.
De doop beeldt de zaak, die in zoveel termen uitgedrukt kan worden, af in dat ene, eenvoudige symbool: schoongewassen worden. Of je die reiniging, als een bad (onderdompeling) of als een douche (besprenkeling) ondergaat, is verder niet belangrijk.
Want de hoofdzaak is dat de doop zegt: je zonden zijn je vergeven! je bent onder de genade!
Christus heerst over je!
Dat je dat alles ook anders kunt zeggen, blijkt uit Rom. 6. Maar wie probeert het medegekruisigd worden in de doop afgebeeld te vinden, lijkt op iemand 'die er niet mee tevreden' is, dat het portret van de koningin op een postzegel aanduidt dat de PTT een staatsbedrijf is, maar zoekt naar een aanwijzing in dat portret dat de PTT ressorteert onder het ministerie van verkeer en waterstaat.
Maar wat blijft er op deze manier van over, dat Paulus de doop toch maar 'bad der wedergeboorte' noemt? Dat zal moeten blijken uit een nader onderzoek van het begrip 'wedergeboorte'.
Zo op het oog lijkt het maar één betekenis te kunnen hebben: een zo radikale bekering, dat je aan de zonde sterft en tot een, nieuw leven opstaat. Is wedergeborenworden volgens Joh. 3 : 8 niet 'uit de Geest geboren worden', en noemt' Paulus in Titus 3 : 5 de doop niet in één adem 'het bad der wedergeboorte en der vernieuwing door de Heilige Geest'? En moeten wij dus bij 'wedergeboorte' niet denken aan het kruisigen van 'het vlees en het leven door de Geest (Gal.5: 24, 25)?
Wel, dat dat de inhoud van het begrip :wedergeboorte is, staat als een paal boven water. Alleen: het woord beduidt méér. In Matt. 19 : 28 slaat het op de grote vernieuwing aan het eind der tijden. Je zou zeggen: in deze tekst gaat het om een ommekeer, die niet zozeer het hart van de mens, als wel de wereld waarin hij leeft betreft. Nu is vaak genoeg beweerd, dat je aan dit gebruik van het woord 'wedergeboorte' niets hebt om het woordgebruik in Titus 3 Je verstaan. Maar die konklusie is voorbarig. In I Petrus 1 : 3 wordt nl. verband gelegd tussen de wedergeboorte van mensen en de opstanding van Christus. En de opstanding van Christus geldt in de bijbel niet alleen als een wonder, dat aan de Here Jezus voltrokken is, maar als een breekijzer dat de hele bestaande wereld uit zijn voegen licht. De opstanding van Christus is immers het begin van de opstanding aan het eind der tijden, I Cor. 15 : 20-23. Anders gezegd: de opstanding van Christus is het begin van de wedergeboorte van Matt. 19: 28.
En nu beweert Petrus, dat wij mensen juist daardoor de hoop terugkrijgen. "Als Christus niet was opgestaan uit de doden, zou boven deze wereld geschreven kunnen worden: Wie hier binnentreedt late alle hoop varen. Maar door de opstanding van Christus is de dood overwonnen en het leven geopenbaard." 4), Omdat in de opstanding van Christus de garantie ligt van de grote vernieuwing aan het eind der tijden, opent zij perspektief voor ons mensen. In de woorden, van Petrus: door Zijn opstanding worden wij wedergeboren tot een levende hoop.. Het leven kan opnieuw beginnen! Ons menselijk hart kan weer opveren!
We komen totaal anders in het leven te staan, in het geloof dat tevens - dankzij Christus' opstanding - hoop mag zijn op God (I Petrus 1: 21). Zo blijkt: de wedergeboorte die wij innerlijk ondergaan, hangt samen met de wedergeboorte die deze wereld in Christus ondergaat.
Wij kunnen nog een stapje verder gaan: onze menselijke wedergeboorte is een uitvloeisel uit de omwenteling, die Jezus Christus in Zijn sterven en opstanding volbracht heeft. Het typische is nl., dat volgens de bijbel het sterven van onze oude mens dezelfde gebeurtenis is als het sterven van Christus. Zo II Cor. 5 : 15: "Eén is voor allen gestorven. Dus zijn zij allen gestorven." 'Paulus wil hier zeggen, dat wij, dankzij de offerdood van de Here Jezus, bij God gelden als mensen met wie Hij al afgerekend heeft. In Christus is onze oude mens terechtgesteld, vgl. Rom. 8: 2!
Natuurlijk zal het er op aan komen, dat wij daarnaar leven; "Zo moet het voor u vaststaan, dat gij dood zijt voor de zonde. (.. .) , Laat dan de zonde niet langer als koning heersen." (Rom. 6 : 11,12) "Gij zijt gestorven. (... ) Doodt dan de leden die op de aarde zijn." (Col. 3: 3, 5) Maar let op de volgorde: eerst komt de stand van zaken, dat onze oude mens voor God niet meer bestaat, omdat Christus in onze plaats gekruisigd is. Dan komt de opdracht: lééf nu ook niet meer als de oude mens. Eerst komt de wedergeboorte op Golgotha; dan de wedergeboorte in de praktijk van ons leven.
4) H. J. Jager, Kernwoorden van het NT I. Amsterdam 19772, p. 37,
Een voorbeeld kan dit verduidelijken.
Stel, een rijke inwoner van een wereldstad ontfermt zich over een jongen, die opgegroeid is in een van de sloppenwijken van die stad. Hij besluit, de jongen te adopteren, zodat die voortaan geldt als zijn zoon en woont in zijn villa, ver weg van de achterbuurten waarin hij tot dusverre zijn leven sleet. Je zou kunnen zeggen: die jongen ondergaat een wedergeboorte; zijn leven wordt van de ene dag op de andere kompleet anders. Tenminste: zijn levensomstandigheden. Want van binnen is hij niet gelijk veranderd. Hij is er zó aan 'gewend, te moeten stelen om te kunnen eten, te moeten vechten om te overleven, een mes te trekken als hij beledigd wordt, dat hij in het huisgezin waarin hij is opgenomen vooreerst een vreemde eend in de bijt is. Pas langzamerhand wordt ook hijzèlf anders: verliest hij het wantrouwen, ontdekt hij wat liefde is, leert hij manieren enz. Zijn 'wedergeboorte' leidt een proces van innerlijke verandering in, dat veel strijd kost. Zonder die innerlijke verandering is zijn wedergeboorte niet kompleet, heeft de adoptie haar doel niet bereikt. Zijn aanneming als zoon moet zich uitwerken in zijn leven als zoon.
Zo moeten wij onze wedergeboorte, dat kruisigen van het vlees en leven door de Geest, nu ook zien beginnen bij de wedergeboorte van de wereld waarin wij leven, Op Golgotha is onze wereld veranderd, is God voor ons veranderd: in plaats van de toornige Rechter kwam een genadige Vader, in plaats van veroordeling vergeving, in plaats van de buitenste duisternis het avondmaal, in plaats van doemdenken hoop. Die 'weder ' geboorte op Golgotha is nu de oorsprong van onze innerlijke wedergeboorte. Ze luidt een levenslang proces van strijd in, om nu ook als kind van God te léven, elke dag weer een punt te zetten achter het oude leven. En daarom is het niet te schraal, om de doop als het bad der wedergeboorte op te vatten in de zin van inlijving bij Christus.
Want met die inlijving begint het! Als het doopformulier zegt, dat gedoopt worden in de naam van de Vader ons betuigt, dat God ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt, raakt het daarmee het hart van onze wedergeboorte.
Wij komen bij de doop in een relatie te staan, die een aardverschuiving in ons leven teweeg brengt. Dat het zaak is, ons innerlijk te voegen naar die geweldige verandering, behoeft geen betoog. Terecht vervolgt hel 'formulier' met de, opmerking, dat de doop oproept tot een nieuwe gehoorzaamheid. Zonder die gehoorzaamheid ontkrachten wij het kindschap van God. Maar houd de volgorde vast: niet die innerlijke wedergeboorte maakt ons kinderen van God en geeft ons zo recht op de doop. Het is precies andersom: de doop zegt, dat God ons, niets vermoedende achterbuurtkinderen, opgroeiend voor galg en rad, in Zijn welbehagen een plaats geeft in Zijn huis. Zo stimuleert de doop ons dag aan dag tot nieuw leven .
Om die reden, vanwege die volgorde, komt de doop ook aan de kinderen van de gelovigen toe.
Zeker, het innerlijke proces van de wedergeboorte is, aan baby's nog niet toe te schrijven. Maar de wedergeboorte van de wereld waarin zij leven is een feit! Zij komen ter wereld binnen de lichtkring van de vernieuwing die Christus' sterven en opstanding teweeg brengt. Zij worden immers geboren in een gezin, waarover Christus regeert. Zij mogen van jongs af aan leren bidden: onze Vader, die in de hemelen zijt ... Zij groeien op in een klimaat van hoop en liefde.
De duivel voert geen heerschappij over het huis waarin zij spelen en slapen. Natuurlijk, hij probeert er binnen te komen; er is in dit christelijk gezin strijd om te blijven bij de genade, en om niet terug te vallen in- het oude leven. Maar het is onder de genade. En daarom behoren de kinderen in zo'n gezin gedoopt te wezen! Zij zijn, krachtens het daadwerkelijke geloof van hun ouder(s), gesteld in die verlossende relatie met God, binnengetrokken in het krachtenveld van Zijn genade. Dat bezegent de doop aan hen. Met de bedoeling, dat die heerschappij van Christus vervolgens door het innerlijk leven van die kinderen heentrekt. Ook zij moeten de strijd gaan voeren, die het kindschap van God met zich meebrengt. Ook zij moeten gaan leren, het vlees te kruisigen en in de Geest te leven. Weigeren zij dat, dan ontkrachten zij het kindsehap van God. Zo zijn er massa's gedoopte mensen, die teruggevallen zijn, als de zoon in de gelijkenis de Vader de rug hebben toegekeerd en het oude leven weer hebben opgevat. Als zij kinderen krijgen, leiden zij die binnen in een leefklimaat zonder God, weren zij de heerschappij van Christus over hen af, zodat de doop van die kinderen niet op z'n plaats is. Zo is de ommekeer in het hart van een mens onmisbaar, wil de wedergeboorte van Golgotha realiteit voor ons zijn en blijven. Maar denk aan de volgorde! Nooit is onze strijd om als kind van God te leven, de oorsprong van ons kindschap. Dat geldt ook van de kinderen van de gelovigen.
De doop komt hun toe, omdat zij de adoptie tot kind markeert, niet het leven als kind van God. Zij bezegelt het toebehoren aan Christus, zoals dat, gestalte krijgt in het christelijk gezin waarin zij een plaats hebben.
Maar zij dringt wel tot de eigen geloofsbeslissing van de kinderen van de gelovigen. Want alleen, door ook zelf zich te onderwerpen aan de zegenrijke heerschappij van Christus, zullen zij het heil dat de doop over hen uitroept, blijvend ervaren.