De angst voor het "moeten"
1984-02-03
Ter inleiding- Jaargang 28
- nummer 5
We willen ons deze maand bezig houden met de verhouding tussen “moeten" en “mogen", tussen gebod en vrijheid. Dat is een alledaags onderwerp in die zin, dat we er eigenlijk elke dag mee te maken hebben, ook al zijn we ons dat meestal niet bewust.
In de opvoeding van de kinderen speelt de genoemde verhouding een heel grote rol en daar komen we ook zeker vaak tot een bewust overwegen van het probleem, dat hier voor ons staat. Over dat probleem wil ik enkele opmerkingen maken.
Eigenlijk, enigszins vertellenderwijs.
De vervanging van "moeten" door "mogen"
Al wij lang geleden hadden we tijdens een ziekte van mijn moeder voor een paar weken een "hulp-in-de-huishouding", die kennelijk onderweren en doorkneed was in de beginselen van de moderne opvoedkunde.
Dat kwam tot uiting in het feit, dat wij als jongens eigenlijk nog niets "moesten". Wij "mochten" alles alleen maar. Het droeve gevolg van deze aanpak was, dat de tafel, die wij "mochten" dekken, naakt en bloot in de kamer bleef staan. Ten gevolge van een totale onkunde op het gebied van de moderne opvoedkundige regels maakten wij namelijk: de fout, dat we "mogen" zeer balorig vertaalden met "niet-moeten", en daar bleef het dan bij! Blijkbaar hielp de wijziging van het woordje "moeten" niets en moest er iets ànders veranderen. Het liep er natuurlijk op uit, dat we heel "ouderwets" en "beginselloos die tafel toch weer "moesten" dekken.
Dat deden we dan ook helaas zonder veel vreugde. Want "moeten" was de taal die we nog het best verstonden.
Het eigenaardige was nu, dat we een soortgelijke aanpak ook tegenkwamen op het gebied van "hot kerkelijke en geestelijke leven".
Niet bij onze ouders thuis, want die waren er te nuchter voor. Maar wèl in gesprekken, "onderwerpen", inleidingen en besprekingen. Ook wel eens in een preek trouwens.
Ook hier werd dan - door velen het woordje "moeten" vermeden.
Wij moesten (mochten) die diens; van de Here als een voorrecht beschouwen en met blijdschap betrachten.
En daarom kon dat nare "moeten" worden afgeschaft. We "mochten" alleen nog maar. En dat "mogen" kon dan het bidden betreffen of - vooral! - de kerkgang of nog iets anders. Maar als we in onze verkeerde balorigheid dan nog maar weer eens "mogen" vertaalden met ,,niet-moeten" om daarnaar dan ook (niet) te handelen, dan werd ook: hier duidelijk, dat het "mogen" uiteindelijk"moest". Met enige wrevel deden we daarbij de indruk op, dat - net als in het Leger - in het kerkelijke en geestelijke leven de "vrijwilligers" tenslotte worden aangewezen!
Natuurlijk zat de hoofdfout bij onszelf. Als we Paulus' beroep op de "barmhartigheid Gods" (Rom. 12 : 1) echt tot ons hadden laten doordringen, dan was het niet scheef gegaan en dan was ons zeer negatieve gebruik van de mogelijkheden der nederlandse taal ook: achterwege gebleven.
Toch zat er ook een grote fout in de wijze van benadering, die we moesten ondervinden, En dan met name in de vermijding van het "moeten". In die vermijding zat iets, dat we in de Bijbel helemaal niet aantreffen, Want de Bijbel het Nieuwe Testament zo goed als het Oude - spreekt zeer onbevangen van geboden en hanteert zonder enige .reserve de gebiedende wijs! Wèl worden we in de Schrift telkens weer een prachtige harmonie van "moeten" en "mogen"
gewaar. Maar die harmonie wordt juist vervalst, als het woordje "moeten" zo zorgvuldig wordt vermeden! Tussen twee personen komt geen harmonie tot stand als je een van hen de kamer uitstuurt!
Als het "moeten" dan toch achteraf weer opduikt: - net ais bij dat tafel-dekken - is het in feite te laat.
Als bij het begin die eerlijke en duidelijke taal van de Bijbel vermeden wordt, voel je - zeker als jonge vent - de terugkeer van bet "gebod" als iets verraderlijks, Je voelt je daardoor besprongen en aangevallen.
Heilige Geest of tijd-geest?
Waarom was men zo bang voor dat ,,moeten"? Het is waar, dat bet leven uit de kracht van die Heilige Geest ook en niet in de laatste plaats betekent, dat het bewaren van Christus' woorden en geboden (1 Joh. 2: 3-6) wordt gezien en beleefd als een vreugdevol voorrecht en als een verblijdend "mogen" en " verwaardigd-zijn".
Maar als je dat nuchter tot je laat doordringen, dan zie je toch, dat we hier op een plaats zijn, waar het "moeten" de vreugde de niet breken kan en waar dus het woordje "moeten" allerminst behoeft te wonden verzwegen!
Hier is immers sprake van de harmonie die de beide polen van “moeten" en "mogen" verbindt en ze ook beíde in hun waarde laat!
Waarom moet dan toch het “moeten” verdwijnen?
Ik denk, dat men bedoelde de Heilige Geest te eren, maar dat men daarbij toch ruimte maakte voor een andere geest, voor de tijdgeest namelijk!
Ik denk ook, dat we hier te maken hebben met een wonderlijke vermenging van twee tegenstrijdige elementen, namelijk met een mateloze overschatting van de christen en tegelijkertijd met een diepgaand wantrouwen ten aanzien van het christen-zijn, Het is een grote overschatting van de christen en het gaat geheel tegen de lijn van Evangeliën en Brieven in, als Wie menen, dat een simpel "mogen" ons leven houden zal op de baan van wat de Here welgevallig is en dat het "moeten" van het gebod kan worden gemist.
En het is tegelijk een diep wantrouwen jegens het christen-zijn, als we menen, dat de bevoorrechting en het "mogen" niet in staat zijn het "moeten" en het gebod tie verdragen en dat een harmonie tussen het moeten-van-Godswege en ons blijmoedig "mogen" in feite niet mogelijk is.
Het is uit de Heilige Geest, als het "moeten" echt "moeten" blijft en tegelijk voor ons een "mogen" wordt.
Het is naar de geest-van-de-tijd, als de blijdschap van het "mogen” alleen in de uitsluiting van het gebiedende ,,moeten" kan worden genoten.
Dat behoort thuis bij de gedachte van de "autonome" mens, dat wil zeggen: de mens die zichzelf tot wet is en die de wet voor zijn leven in zichzelf heeft en uit zichzelf naar boven haalt.
Het is werkelijk geen wonder, dat de besproken benadering telkens weer faalt. Ze moet wel falen. En als men dan achteraf toch weer op het "moeten" uitkomt, dan is het te laat! Dan wordt dat "moeten" als een mislukking ervaren.
Dat hadden wij als jongens eigenlijk ook wel door! "Mogen" kan "moeten" niet vervangen!
"Moeten is dwang!"
Ik herinner me, dat ik eens tegen iemand zei, dat hij geregeld naar de kerk moest komen, omdat de Here dat van hem eiste. Daarop antwoordde de man met veel gloed en veel volume, dat ik dat niet van hem mocht eisen. Want kerkgang-onder-dwang was toch zeker waardeloos, zowel voor God als voor hemzelf. En de Here zou toch zeker niet gediend zijn van kerk-gangers, die zich - net als Israëls vijanden - "geveinsd" onderwierpen!
Voor dat laatste staaltje van selectieve bijbelkennis zie men Deut. 33 : 29.
Eigenlijk leefde deze broeder bij het licht van twee stellingen:
(1) Waar de woorden "moeten", "eis" en "gebod" vallen, daar is zonder meer sprake van dwang!
(2) Handelen-onder-dwang is zedelijk en geestelijk van nul en gener waarde!
Ik heb de man toen vergeleken met iemand, die in toom met zijn broeder leefde en - dáárom - niet aan het Avondmaal aanzat. .. in de rustige overtuiging "correct" gehandeld te hebben. Natuurlijk is hier van correctheid geen sprake.
De ellendige werkelijkheid was, dat hij de prolongatie van zondige liefdeloosheid verkoos bóven de liefde en de gemeenschap van Christus! Waar men zich door het gebod "gedwongen" voelt daar wordt niet het gevoel gesaneerd, maar daar moet het gebod maar wijken!
De redenering is ook door en door onwaarachtig.
Kerkgaan-zonder-liefde wordt uitermate gewetensvol bekeken en beoordeeld, Het schijnt met diepe ernst gebracht te worden onder de klem van Gods heiligheid. Maar thuisblijven-zonder-liefde is een totaal probleemloze aangelegenheid.
Daar verschrikt Gods heiligheid geen moment!
Bidden-zonder-aandrang wordt streng beoordeeld en onder het licht van Gods heiligheid ook veroordeeld.
Maar niet-bidden is weer een totaal probleemloze zaak, dIe geen enkele vrees oproept. De heilige God schijnt hier wel afwezig te zijn!
Bestrijdt men die zonde van onwil liefdeloosheid en gebrek aan Godsverlangen?
Neen, men liquideert de dienst van de Here, de kerkgang, het gebed.
Er is sprake van een duidelijke keus!
Ondanks een aantal uitdrukkingen, die bijbels en christelijk aandoen, is hier sprake van een geweldige overwinning van de tijd-geest en van de ideologie van de autonome mens, die alle moeten, dat van buiten en van boven op hem afkomt, als dwang ervaart en hartgrondig verwerpt, We kunnen van de bier opgehaalde geschiedenis echt wel iets leren.
De les is deze, dat de hartgrondige verwerping van "gebod", "eis" en "moeten" resulteert in een "vrijheid" die door en door onchristelijk is!
Het is eigenaardig dat een spreker als boven beschreven zich, wanneer hij in het nauw gedreven wordt, zich gaarne beroept op zijn eerlijkheid, "Al dat volk, dat bij u in die kerk komt ... u moest ze eens kennen. Huichelaars zijn het. Ik ben tenminste eerlijk, Als ik het niet meen, dan doe ik het niet ook!". Vooral op jongelui kan deze "eerlijkheid" nogal indruk maken.
Maar dat is niet terecht.
Hier is sprake van een schandelijke en van een spot-goedkope eerlijkheid. Het is namelijk de eerlijkheid van de onrechtvaardige rechter. Het kostte hem niets om op een afschuwelijke manier eerlijk te zijn, Juist omdat hij God met vreesde en zich om geen mens bekommerde (Luk. 18 : 1 vv.)!
Voorlopige conclusie
Het is nu wel duidelijk, dat we het "moeten" niet mogen wegdoen en dat we het ook niet mogen vervangen door een ander woord ("mogen"). We moeten beide woorden in hun waarde laten.
Maar hoe dan? Daarover een volgende keer.