Mondigheid (of onmondigheid) van de gemeente

1984-02-03
  • Jaargang 28
  • nummer 5
De gelovigen onder het O.T. waren onmondig, stonden onder voogden. Maar de gemeenten onder het N.T. zijn mondig, moeten tenminste mondig zijn. D.w.z. ze mogen en moeten meepraten. Zich niet laten bevoogden door allerlei autoriteiten.
De gelovigen moeten niet een zwijgende gemeente vormen.
Maar de mond roeren. Al staat het woord niet in het N.T., de zaak komt zeker aan de orde. 'k Was eerst van plan het woord "macht" te bespreken. Maar ten slotte kies ik voor mondigheid. Laten we eens nagaan hoe het N.T. over de gemeente spreekt.

In een voorgaand artikel heb ik naar ik meen besproken, dat het woord gemeente meestal gebruikt wordt voor een plaatselijke gemeenschap.
Het woord werd in de griekse wereld gebruikt voor een volksvergadering. Gemeente in christelijke zin is een vergadering van het volk van God of van Christus. Elke plaatselijke kerk is een volledige kerk van Christus.
De brieven van Paulus zijn gericht aan de brs. (en zrs), die samen een gemeente vormen. Ze zijn niet gericht aan een kerkeraad of een voorganger. Die belhoren er ook bij. Maar het adres is de vergadering van gelovigen. Om hen gaat het. Dat is ook het geval met de 7 brieven uit Openbaringen. Allen zijn ze verschillend. Maar ze behoren allen bij Christus. In Matth. 18 waar ons geleerd wordt hoe we elkaar hebben te vermanen als dat nodig is, is het laatste woord "Zeg het aan de gemeente". Daar heeft een kerkelijke bepaling van gemaakt: Dat is best te verstaan als "zeg het aan de kerkeraad".
Dat is wel gemakkelijk, maar het staat er niet. In een massale kerk kan dit voorschrift van de Here Jezus niet uitgevoerd worden. Dat getuigt echter niet tegen dit bevel van de Heiland, maar wel tegen de massale gemeenten. Dat zijn wel "kerken", maar geen gemeenten meer.
De mondigheid der gelovigen blijkt uit Rom. 12 bijv. Daar worden de brs. en zrs. toegesproken, Zij moeten hun lichamen stellen tot een levend dankoffer voor de Here.
Dat is een eredienst, die naam waard. Zij moeten met z'n allen uitzoeken, wat de wil van God is.
Wat goed en welbehagelijk en volkomen is. Want zij állen hebben niet dezelfde gaven, maar gaven hebben ze allemaal. Ze vormen één lichaam. En zoals in een lichaam alle leden samenwerken, zo moeten ook alle leden van een gemeente samenwerken. Ieder naar de genade-gaven, die hem of haar geschonken is. De één kan het Evangelie verklaren, een ander kan dienen, een ander kan onderrichten of vermanen. Niemand is overbodig, alten moeten meedoen.

Ik zou deze verzen 2-5 met een verklaarder zo willen samenvatten:
1. De gemeente heeft haar eenheid in Christus.
2. In die eenheid is grote verscheidenheid.
3. Met onze gaven moeten we elkaar dienen.

Ieder moet zich houden aan eigen gave en eigen dienst.
Verder noem ik 1 Thess. 5, waar Paulus de leden van de gemeente opwekt om alle dingen te toetsen en het goede te behouden. Dat is niet maar de taak van één man of een college van ambtsdragers, maar van allen. Want alle gelovigen hebben de zalving met de Heilige Geest en ze mogen dat weten ook, volgens Johannes in een van z'n brieven. Dit is dunkt mij genoeg om aan te tonen, dat de gemeente van het N.T. mondig moet zijn.

Maar dat is ze niet altijd. Mogelijk vaker niet dan wel. Hoe komt dat? Naar mijn mening vaak, omdat allerlei autoriteiten opstaan, die haar willen bevoogden en weer onder een juk brengen. Ik denk aan de strijd van de Here Jezus tegen de autoriteiten van zijn dagen.
Daarvan lezen we in Matth. 23. De Heiland waarschuwt daar tegen de Schriftgeleerden en Farizeeën.
Die hebben zich gezet op de stoel van Mozes en binden lasten op, te zwaar om te dragen. Ze laten zich graag vereren, zitten altijd vooraan en laten zich begroeten als rabbi, wat zoveel is als "hoogheid". Dan zegt de Heer, dat zijn discipelen zich geen rabbi moeten laten noemen. Want één is hun Meester en de leden van Zijn gemeente zijn allen brs. en zrs.
En niemand moet zich vader (kerkvader) laten noemen, want één is hun Vader. Namelijk die in de hemelen is. En ze moeten zich ook geen leidslieden laten betitelen, want één is hun Leidsman, de Christus. En wie is de grootste onder hen? Geen rabbi of leidsman of meester, maar wie dient. We zullen dat woord kerkvader wel niet uit ons taalgebruik kunnen weren. We mogen Augustinus en Ambrosius wel zo noemen.
Dat is nu eenmaal kerktaal geworden. Maar laten we a.u.b. geen augustinianen of ambrosianen of luthersen of calvinisten worden.
Die hen klakkeloos volgen.
Dat zouden zij trouwens zelf niet begeerd hebben. En we moeten ook maar geen nieuwe kerkvaders ons aanmeten laten. Wat helaas wel is gebeurd en nog gebeurt.
Niet tot heil van de gemeente.

Geen leiders zullen we kiezen.
Maar er is in het N.T. toch wel sprake van leiders en voorgangers en ambtsdragers? Stellig en dat laten we zo staan. Maar ze moeten geen leiders zijn zoals er leiders in de wéreld zijn. Wie z'n mond open doet of wie schrijft geeft in zekere zin leiding. Goed of slecht.
Maar we moeten die leiding niet klakkeloos volgen. Maar als de Bereeërs moeten we nagaan of deze dingen alzo zijn. Dat deden ze zelfs met de woorden van Paulus.
Zouden wij het dan niet doen met sprekers en schrijvers van vandaag?
Het gebeurt al te weinig naar mijn smaak. Dat is de goêgemeente afgeleerd. Ze heeft nog altijd veel te veel respekt voor rabbi's en opperrabbijnen. Laten de voorgangers en "leiders" vooral luisteren naar wat we lezen in Luk. 22. Zelfs bij het laatste Avondmaal was er nog onenigheid onder de apostelen over de vraag, wie van hen als de meeste moest gelden. Zo gaat dat in de wéreld, zegt de Here Jezus. Daar gaat het koningen enz. om te héérsen. Maar zo moet het onder christenen en vooral voorgangers niet zijn. Maar de eerste worde als de minste, en de leider als de dienaar!

Vermoedelijk hebben de gemeenten van de tijd van het N.T. mondiger geleefd dan in latere eeuwen en ook dan in onze tijd. Eén van de oorzaken is m.i. ook de organisatie, die aan de gemeenten is opgelegd en waartegen zij zich niet hebben verweerd. Ik bedoel de opkomst in de eerste eeuwen al van de Roomse kerk. Toen keizer Constantijn "christen"werd, scheen de kerk te triomferen.
Maar dat was grotendeels schijn m.i. Toen kwamen de kathedralen en de bisschoppen enz. enz.
En boven allen de Paus. Toen kwam de macht aan de clerus, de geestelijken. Toen kwamen de synoden.
Waarvan een schrijver uit de Middeleeuwen ongeveer het volgende beweerde: Er is nog nooit een synode gehouden, die de kerk niet in groter verwarring heeft achtergelaten dan toen zij begon.
Wat naar mijn mening nog wel vaak van een synode gezegd moet worden.

Ik ben geen deskundige op kerkhistorisch gebied. Maar ik heb in m'n leven niet veel goeds van synoden en van de mindere vergaderingen ondervonden. Ik denk aan de synoden van de veertiger jaren.
Wie waren daar de leiders? Proffen en vooraanstaande do's. Die ondanks veel verzoeken om de strijdpunten te laten rusten toch een kuyperiaanse formule aan de kerken hebben opgelegd. Als bindend.
Van 1932 tot '46 hadden we in de gemeente van Voorthuizen nooit strijd gehad. De meeste leden van de kerkeraad dachten over de formule van "houden voor wedergeboren" eensluidend en instemmend.
Ze waren opgevoed door ds Vonkenberg. Ik was het er helemaal niet mee eens. Maar praktisch deden we in ons pastoraal werk gelijk. In de studeerkamer waren we het oneens. Maar in ons werk niet! Wat belette ons om zo samen verder te gaan? Een synode, waar de adviseurs de leiding hadden. Mannen van name, voor de meesten van wie ik respekt had en heb. Maar één ding kon en kan ik niet begrijpen, dat zij hun opvatting aan de gemeenten als bindend oplegden. Met de beste bedoelingen, waaraan ik niet twijfel. Maar ze brachten de kerkeraad en mij in een dwangpositie.
Zij konden met hun opvoeding en inzicht niet anders dan mij schorsen. En ik kon om mijn geweten niet anders dan neen zeggen.
Niemand vrijwel heeft dit gewild.
We hadden vele jaren in vrede samengewerkt.
Waarom ik dit ophaal? Om mij te rechtvaardigen? Zeker niet. Maar wel om te waarschuwen voor het volgen van grote mannen enz. En voor het zoeken van eenheid in een "klassiek-gereformeerde organisatie".
Dat redt de gemeente van Christus niet. Dat leidt telkens weer tot scheuring. Zoals bijv. in 1968. Dat zal zich naar mijn mening herhalen. Waarin ik dan de eenheid zoek? In de eenheid van Ef. 4. De enigheid van de H. Geest, de eenheid van erkenning van één God, één Christus, één geloof, één doop, één hoop. Als we ons nu eens aan die Hoofdzaak hielden! Dan zouden we nog geen hemel op aarde krijgen.
Maar we zouden wel van veel onnodig geharrewar verlost worden.
En "vriend en metgezel" zijn van allen, die God ootmoedig vrezen.
Van allen, die in woord en geschrift zich houden aan het Evangelie der genade en aan het leven naar al wat Christus ons geboden heeft.

Tot de volgende maand.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief