Monocultuur en monorail
1984-02-03
Nadenkend en sprekend over de ambten, kun je naar mijn overtuiging met om de historie heen. Niet voor niks hebben de dingen zó hun beslag gekregen. Zonder van de traditie een hoofdspoor te willen maken, denk ik dat het goed is ook bij bijbelstudie over dit onderwerp in hoge mate rekening te houden met de gegevens uit de historie.- Jaargang 28
- nummer 5
De vorige keer heb ik geprobeerd om naar aanleiding van een paar gegevens uit het Nieuwe Testament het een en ander aan de orde te stellen.
Het was verre van compleet, maar ik dacht, genoeg voor een bijdrage in een gesprek. Zo wil ik deze keer mijn aandeel afsluiten met een aantal opmerkingen n.a.v. historische gegevens.
Niet dat ik zo deskundig ben op dit gebied, maar omdat het verhaal zonder dit spoor niet af is.
Na de apostelen
De tijd na de apostelen ademt een heel andere sfeer dan de woorden van bet N.T. En eerlijk gezegd is dat ook geen wonder als je ziet hoe ieder mens onder de maat van het evangelie blijft, en met welke problemen de nieuwtestamentische gemeenten al te maken ebben gehad in de tijd van de apostelen, Nu de apostelen er niet meer zijn is het er niet gemakkelijker op geworden.
Eén van de geschriften uit de tijd na het Nieuwe Testament is de Didachè, 'Het onderwijs van de twaalf apostelen' . Het geschrift geeft een beetje een beeld van het reilen en zeilen van de kerk uit die tijd.
Sprekend over het avondmaal blijkt daarin het woord 'offer' belangrijk te zijn. Het herinnert aan Mal. 1: 11 waar staat: "maar van de opgang van de zon tot haar ondergang zal mijn naam groot zijn onder de heidenen en aan alle plaats zal mijn naam reukwerk toegebracht worden en een rein spijsoffer, want mijn naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt de Here der Heerscharen".· (St.Vert.) Oudtijds is hierin de belofte gelezen dat de heidenen God zullen vereren.
De Didachè schrijft (vert. A. F. J. Klijn): "Op de dag des Heren zult u samenkomen, het brood breken en dankzeggen na openlijk uw zonden beleden te hebben opdat uw offer rein mag zijn. Niemand, die een geschil met zijn vriend heeft moet met u samenkomen zolang ze niet verzoend zijn, opdat uw otter ,niet ontwijd wordt (Didachè XIV).
Volgens een opmerking van dr Klijn in een noot 1) kan 'offer' als aanduiding van het avondmaal fungeren, als men bedent dat ook de gebeden als offers kunnen worden beschouwd. Nadruk ligt dan op de eucharistie, dat is de dankzegging.
Ook werd wat men meebracht voor de liefdemaaltijid offer (thusia) genoemd. Mogelijk dat deze twee zaken, eucharistia en thusia het denken over het avondmaal mede hebben bepaald, in de vroege kerk.
Vervolgens schrijft de Didachè (XIV): "Kiest daarom voor uzelf opzieners en diakenen (... ) zij toch verrichtten de dienst voor u en die dienst is die van profeten en leraren.".
Het woord 'daarom' is hier opvallend.
Het verbindt het één met het ander op een manier die doet vermoeden, dat ook bij het breken van het brood de verkondiging, of de leer, (nog) een belangrijke plaatshad, Nog een ding wil ik uit de Didachè noemen. Hij geeft een heel praktische manier om echte profeten van valse te onderscheiden, De laatsten zullen zich openbaren als klaplopers die het meest hun buik willen dienen. Het gebeurde blijkbaar weleens dat iemand zich aandiende bij een gemeente met de mededeling, dat hij een apostel of profeet was (vergelijk 2 Cor. 3 : 1, 10 : 12, 11 : 5 en 12): "Elke apostel, die naar u toekomt moet u ontvangen als de Heer. Hij moet echter niet langer dan een dag blijven, zonodig nog een. Als hij echter drie dagen blijft, dan is hij een leugenprofeet (. .. ) Iedere profeet die de waarheid leert maar de met in praktijk 'brengt is een leugenprofeet" Didachè XI.
Ik denk dat je hieruit kunt leren, dat de Didachè voorschriften en adviezen geeft mede naar aanleiding van slechte ervaringen. 'Zo moet het niet weer', is misschien wel een van de grootste lessen van de geschiedenis, De ervaringen met zgn. apostelen zullen wel tot die praktische sleutel hebben gebracht: 'als hij drie dagen blijft, dan is hij een leugenprofeet'.
Een regel dus om herhaling te voorkomen, zo word je ook in de kerk vaak doorschade en schande wijs.
Ook kun je hier zien, dat de leer van groot belang is, en daarmee samenhangend de plaats van hen die die leer brengen. Een van de waarschuwingen is dan ook: "pas op dat niemand u doet afdwalen van deze wijze van onderricht, Want hij geeft onderwijs buiten God om." Didachè VI.
Om te blijven bij de leer van de twaalf apostelen is het onderwijs in de Didachè gegeven.
In alle moeiten van die eerste tijd, van ketterijen, vervolging etc., werd de kerk meer en meer gedragen door deze drie pijlers: de bisschop, de kanon van de Schrift, en de (apostolische) geloofsbelijdenis, Daar vond men houvast en zekerheid in al[e moeiten en strijd tegen de dwaalleer. Ook al zullen we niet alles positief beoordelen, toch dacht ik dat je kunt zeggen dat het bewaren van de apostolische traditie (leer) het motief is geweest, dat heeft geleid tot de 'ontwikkeling' van deze drie pijlers.
De Reformatie
Het is wel een grote stap van de vroege kerk naar de reformatie.
De kerk van Rome heeft intussen een vaste vorm gekregen in het hiërarchisch gebouw van de ambten.
De leer is door de arbeid van Thomas en anderen ook ontwikkeld tot een geweldig houwwerk (scholastiek).
De apostolische traditie is volgens Rome bewaard in (via) het ambt m.n. in dat van de bisschop van Rome, Voor de Reformatie daarentegen ligt de apostolische traditie niet in de historische voortgang (successie) van het ambt, maar in die van de leer. Wie de leer van de apostelen vasthoudt staat in de apostolische traditie.
Voor de reformatoren was voor alles de prediking van het Woord belangrijk. Zij hebben dan ook alles gedaan om daarin de lijn van de apostelen vast te houden.
Lekkerkerker schrijft ten aanzien van Luther: "Inderdaad leert Luther (tussen de jaren 1519 en 1524) dat alle gelovigen het recht en de plicht hebben bet Woord Gods te spreken, elkander de vergeving der zonden te verkondigen, te dopen, het avondmaal te bedienen.
Maar hij hecht daarnaast ook grote betekenis aan het bijzondere ambt. De gemeente is met alleen een geestelijke inwendige christenheid er is ook een lichamelijke uitwendige. Zij wordt geboren uit de verkondiging van het Woord en deze is nu eenmaal een uiterlijk waarneembaar gebeuren. Voor de verkondiging zijn predikanten nodig.
Terwille van de orde dient de taak van de prediking en uitdeling van de sacramenten door de gemeente aan bepaalde personen te worden toevertrouwd: weliswaar zijn alle gelovigen daartoe bevoegd (... ) maar het zou een grote verwarring met zich mee brengen de openbare verkondiging van het Woord maar door ieder te laten geschieden." 2). Een andere lijn bij Luther is die vanuit Ef. 4: 11.
Volgens Lekkerkerker is de eerste lijn gefundeerd in het priesterschap van alle gelovigen, Luther kwam niet tot een uit!gewerkte ambtsleer.
Calvijn heeft, volgens Lekkerkerker als eerste in de kerkgeschiedenis zich daaraan gewaagd en is totnogtoe niet overtroffen, Volgens Calvijn is de dienst der mensen, waarvan God gebruik maakt bij het besturen van de keek, de voornaamste zenuw waardoor de gelovigen in een lichaam verbonden zijn.
Zo wordt de wederoprichting der heiligen volbracht, zo wordt het lichaam van Christus opgebouwd, zo wassen wij op door alles in Hem die het Hoofd is, en groeien onderling samen, zo worden wij alleen gebracht tot de eenheid van Christus, indien de profetie onder ons kracht heeft, indien wij de apostelen ontvangen, indien wij de ons bediende leer niet verachten.
God verwees ook Comelius naar een mens, om van hem de leer der zaligheid en de heiligmaking des doops te ontvangen (Inst. IV, 4, 2-4).
Het zijn met de ambten die de zaligheid brengen, maar de prediking, daarin komt de verzoening tot ons.
"Door het evangelie, dat door mensen gepredikt wordt, regeert en beschermt Christus zijn kerk. Het Woord des Heren is de scepter waarmee Christus, zijn regiment over de kerk uitoefent". 3) Uit deze weergave van prof. C. Veenhof blijkt dat er een samengaan, een overeenkomst is van het Woord en de prediking ervan, maar ook dat er duidelijk verschil is.
"Als gevolg daarvan behoort het tot de natuur van de prediking van het evangelie dat zij met onaantastbare majesteit is vervuld. De prediking is het unieke en exclusieve middel waardoor wij het heil in Christus deelachtig worden" 4).
Daarom is de 'gezonde leer' zo van belang.
Als je dit zo leest krijg je sterk de indruk dat bij de ambten het Woord primair is. Het Woord geeft aan het ambt zijn gezag en niet omgekeerd, het ambt aan het Woord. Zo is de positie van de ambten niet vanuit een formele status gefundeerd, maar vanuit hun inhoud, dat is het Woord.
Met name geldt dit voor de herders en leraars, Zo bezien betekent de moeite die Calvijn had met de positie van het ambt van de leraren, (of de doctores uit de latere K.O.) niet zo heel erg veel.
Het ging niet om bun positie op zichzelf, maar om de leer en bet doorgeven daarvan.
De formeel ambtelijke positie van een predikant is dus ook met het eerste. Dat wil zeggen dat niet zijn gezag de prediking draagt, maar het gezag van het Woord. Tenminste, als hij 'blijft binnen de grens van hetgeen geschreven staat, dan wordt zijn woord 'gedragen door het gezag van God en Zijn Christus.
Zo maakt ook niet de handeling van een predikant een sacrament tot sacrament.
"De leer, de prediking van het Woord van God, dg de moeder uit welke God ons verwekt en die ons dan baart". 6).
Een duidelijker contrast met Rome kan, dacht ik, niet. Ook met de Dopers is er een duidelijk verschil, omdat de uitwendige prediking bij hen nooit zo'n gewicht zal krijgen.
Voor hen is de prediking meer een aanloop op het eigenlijke, dat is het onmiddellijke werk van de Heilige Geest in het hart van een mens. Je ontmoet het ook in die bekende term: de Geest als naprediker van het Woord.
Voor Calvijn is het sacrament secundair t.o.v. het Woord. Hij kent het gebruik dat Augustinus maakte van het woord 'sacrament' als vertaling van bet griekse woord 'musterion'. Voor Augustinus had het niet: dat zware gewicht van een opus operatum, maar het was voor hem "een zichtbaar teken van een heilige zaak, of een zichtbare gedaante van een onzienlijke genade"
(Inst, IV, 14, 1). Hoewel door de kortheid van de formulering misbruik mogelijk is, is deze gedachte volgens Calvijn wel juist, in ieder geval bruikbaar. Toe te geven is aan ds Van den Berg, dat Bavinck schrijft, dat er een bezwaar kleeft aan het gebruik van het woord sacrament. Een bezwaar dat daardoor nog versterkt wordt "dat de griekse betekenis van het woord musterion, in het latijn door sacramenten vertaald, op de opvatting van de met die naam aangeduide kerkelijke plechtigheden invloed heeft uitgeoefend" 6). Maar uit wat hij schrijft is met duidelijk, wanneer dat is geweest, op welke wijze en bij wie. Calvijn gaat aan de tijd van de scholastiek voorbij om Augustinus te citeren, voor Wie het sacrament zo'n brede betekenis had, dat het zelfs de regenboog kon zijn als zichtbaar teken bij de belofte aan Noach.
Het woord sacrament komt niet in de bijlbel voor, en je kunt dat een bezwaar noemen. Maar niet in het minst voor Calvijn geldt wat Bavinck hierover zegt: " ... ook in de christelijke kerk was niet het begrip, maar de zaak het eerste" 7).
Het gebruik van de oorspronkelijke betekenis van het woord sacrament, als de soldateneed, de belofte van trouw aan het vaandel, èn de ombuiging ervan, als de belofte van de Veldheer van de opname in het leger, wijst Calvijn als spitsvondigheid af (ter correctie op het eerste deel).
Het toont wel aan, dat Calvijn zich heeft bediend van woorden om de zaak aan te geven. Voor Calvijn is het sacrament niet leeg, als een simpel teken, noch een opus operaturn.
Wat Calvijn hierover zegt heeft duidelijk een polemische spits naar Rome èn de Dopers.
Calvijn koos uit de mogelijkheden die er waren dus voor een aansluiting bij Augustinus. Hij 'beperkte' het aantal tot die twee, die de Here Jezus voor de gemeente had ingesteld.
Calvijn heeft de gereformeerde traditie gestempeld, en ik dacht dat er wezenlijk geen ander geluid te horen is in de belijdenisgeschriften en de formulieren. De nadruk: ligt op het Woord en daarom ook op de leer. In dit kader is het 'sola scriptura' geen biblicisme.
Vandaag
Allereerst het doperse en radikale. Eerlijk gezegd ben ik walt afgeschrikt om er wat over te zeggen door de woonden van W. Balke: "Het is niet eenvoudig om het "doperse radicalisme in een historisch perspectief te krijgen, Het geheel van het 16e eeuwse radicalisme biedt een chaotisch beeld en het eigentijdse radicalisme niet minder. De lijnen laten zich niet zo gemakkelijk ontwarren," 8).
Wel geeft hij meteen woord van Van Ruler een algemene typering van wat dopers is: de verlossing komt in plaats van de schepping; de schepping is onherstelbaar bedorven en totaal onbruikbaar; God begint weer helemaal opnieuw; het oude paar schoenen wordt weggeworpen ener komt een nieuw paar voor in de plaats; de verlossing is geen her-schepping, maar een nieuwe schepping ... 9).
Het kernverschil tussen reformatie en de dopers is te vinden, volgens Balke in het kerkbegrip, of er al dan niet rekening wordt gehouden met alle aardse werkelijkheden. Zo is een verlost mens, in dopers licht, letterlijk zichzelf niet meer, hij is een nieuw mens geworden.").
De invloed van deze gedachten lijkt me, via allerlei dwarsverbindingen, een reëel gevaar waarop we bedacht moeten zijn.
Toetst alles en behoudt het goede, geldt ook vandaag en zeker hier, Bovendien leven we in een tijd van de mondige mens, die zelf wel bepaalt wat goed voor hem is, en hoe hij over de dingen denkt.
Ik wil geen lans breken voor een kerkelijke bevoogding, wel denk ik dat het goed is, om dit niet te vergeten bij het nadenken over de 'monocultuur' van de predikant.
Om het gewicht van de prediking heeft men in de gereformeerde traditie - door schade en schande geleerd - allerlei zekerheden gebouwd om de kansel. En omdat Woord en sacrament zo nauw bij elkaar horen, dat de sacramenten nooit los van het Woord bezien kunnen worden, of op zichzelf genomen, daarom is ook de bediening ervan opgedragen aan de predikant. Niet omdat hij zo uniek is, maar om daarmee de unieke positie van het Woord, en de bediening ervan in de verkondiging, aan te geven.
De vraag naar de bediening van de sacramenten begint eerder. Is er een onderscheid tussen de verkondiging vanaf de kansel, waardoor de gemeente uit het Woord geboren wordt, èn de verkondiging in de huizen in de ambtelijke en met ambtelijke gesprekken? De inhoud is niet anders, maar heeft het ook een zelfde karakter?
Als er geen verschil is, staat het een ouderling dan vrij een preek te maken en te houden in het midden van de gemeente? Zo ja, dan kan hij ook de sacramenten bedienen(?).
Want de binding is niet formeel bepaald maar materieel.
Omdat een predikant bedienaar van het Woord is, daarom ook van de sacramenten. Zijn unieke positie hangt samen met de monocultuur van het Woord in de gemeente.
"De prediking is de enige bestaansreden van de kerk" 11).
Overigens is het misschien ook zinnig het schema, dat je i.v.m. de ambten wel tegenkomt van profeet, koning, en priester (o.a. bij Bavinck) in verband hiermee onder de loupe te nemen.
In ieder geval heeft de geschiedenis geleerd, dat je 'zuinig moet zijn' op de verkondiging in het midden van de gemeente, dat is het hart van het gemeenteleven, omdat bet gevaar groot is dat we de weg van het Woord verlaten. Misschien dat de vrijheid er zou zijn, dat een ouderling doopte, maar in die overweging mag het sacrament nooit op zichzelf staan, dan krijgt het een rooms karakter van een opus operatum.
Soms moet je een stukje vrijheid opofferen voor een groter belang.
In het doorgeven van het Woord, de traditie, gaat het om wat psalm 78 zegt: "Hetgeen wij gehoord hebben en weten en onze vaderen ons hebben verteld, dat willen wij voor hun kinderen niet verhelen, wij willen vertellen aan het volgende geslacht (... ), opdat het volgende geslacht die zou kennen, de kinderen die geboren zouden worden, dat zij zouden opstaan om ze te vertellen aan hun kinderen: opdat die hun ventrouwen op God zouden stelten, en Gods werken niet vergeten, maar zijn geboden bewaren ... "
In dat grote raam staat ook het nadenken over de ambten, inclusief de bijzondere positie van de predikant in het midden van de gemeente.
1) A. F. J. Klijn. Apostolische Vaders 2, P. 121.
2) A. F. N. Lekkerkerker. Oorsprong en funktie van het ambt. p. 130.
3) C. Veenhof. Calvijn en de prediking, In: Zicht op Calvijn. p. 94.
4) idem, p. 95.
5) idem, p. 96.
6) H. Bavinck. Gereformeerde Dogmatiek IV, p. 400.
7) idem. p. 449.
8) W. Balke. Dopers radicalisme in historisch perspectief. in Theol. Reformata, 1974. p. 112
9) idem, p. 115.
10) idem, p. 117.
11) W. van 't Spijker. De ouderling en zijn werk in het licht van de kerkorde, in: Uit liefde tot Christus en zijn gemeente. p. 89.