Twee zaligsprekingen
1985-12-06
"Maar wanneer gij een gastmaal aanricht, nodig dan bedelaars misvormden, lammen en blinden. En gij zult zalig zijn, omdat zij mets, hebben om u terug te betalen. Want het zal u terugbetaald, worden bij de opstanding der rechtvaardigen. Toen iemand van de disgenoten dat hoorde, zeide hij tot Hem: 'Zalig wie brood eten zal in het Koninkrijk Gods. Maar Hij zeide tot hem: ..." Lucas 14 : 12-16a. - Jaargang 29
- nummer 47
Hoe goed is een woord op zijn tijd
Iemand heeft vreugde, als hij een gepast antwoord geeft, en hoe goed is een woord op zijn tijd!, zegt de Spreukendichter. Let wel, op zijn tijd. want er is een tijd om te zwijgen en een tijd om te spreken. zegt dezelfde dichter elders. Een woord is niet altijd gepast. Soms is zelfs de meest vroom klinkende uitspraak misplaatst; niet goed, ongepast. Een sprekend voorbeeld daarvan is de reactie van een tafelgenoot van Jezus in Lucas 14 : 15. Jezus heeft zojuist gesproken over de vraag, wie je nu wel en wie je nu niet aan je tafel nodigen moet. Zalig, zo is de reactie, wie aanzitten zal in het Koninkrijk van God. Dat klinkt vroom; die waarheid is niet te ontkennen. 'En toch is dat woord ~!et goed. Namelijk niet op zijn tijd. Jammer genoeg komt dat in de' vertaling van het NEG niet duidelijk naar voren. Lucas gebruikt in vs .16, meteen na de reactie van deze man, het woordje "maar", "echter". Direct als deze man zijn opmerking heeft gemaakt, pal eroverheen gaat Jezus daar tegen in: Maar Hij zei tot hem: ...Blijkbaar is Jezus niet gelukkig met deze reactie op dit moment. Wat is het geval?
Op weg naar Jeruzalem is Jezus op sabbat gast aan tafel bij een van de hoofden van de Farizeeën (14 : 1). Hij wijst hen de weg. Hij geneest een waterzuchtige, laat zien waar het ten diepste om gaat op sabbat (vs 2-6). Vervolgens wijst Hij de genodigde Farizeeën en wetgeleerden hun plaats, zet hen op hun plaats met zijn gelijkenis over het weten van je plaats als je genodigd wordt tot een (de!) bruiloft (vs. 7-11). Tenslotte richt Jezus zich tot de gastheer zelf. Laat hij niet altijd dezelfden aan zijn tafel nodigen, de vier bekende categorieën: vrienden, broeders, familie en (rijke!) buren. Roep niet stééds uw vrienden, zegt Jezus letterlijk, maak daar geen gewoonte van, nodig niet uitsluitend hen. Want zij kunnen u terug uitnodigen en daardoor quitte komen staan. Nodig ook eens – en dan noemt Jezus de tegenpool – bedelaars, misvormden, lammen en blinden: de gedeclassificeerden, het uitschot van de samenleving, tegenover wie Gods wet bijzondere hartigheid gebiedt. Kennen deze wetgeleerden de wet niet (Deut. 15)? Wie degenen nodigt die met geen mogelijkheid kunnen terugbetalen, zal zalig zijn. Want waar mensen u niet kunnen vergelden, komt ruimte voor de vergelding van God. En gij zult zalig zijn…want het zal u terugbetaald worden bij de opstanding der rechtvaardigen.
Hoorder of toeschouwer
Nauwelijks heeft Jezus zijn zaligspreking uitgesproken, of iemand komt daar overheen met zijn zaligspreking. De opstanding der rechtvaardigen - vol verrukking ziet hij het feestmaal, niet maar van een hoofd van de Farizeeën maar van God zelf, voor zich. Hij moet het even kwijt: Zalig wie brood eten zal in het Koninkrijk Gods! Zalig zult gij zijn, zegt Jezus, als u bedelaars, misvormden, lammen en blinden als uw gelijken aan tafel ontvangt. Zalig, is de reactie, wie straks de voeten onder Gods tafel steken mag. Vroom, zo'n zaligspreking. Maar hèt voorbeeld hoe iemand zelfs en juist met zo'n vrome opmerking zich intussen onttrekken kan aan wat de Here nu juist van hem wil. Deze man onderstreept Jezus' woord niet, maar streept het door. Alsof hij Hem nog eens overtroeven kan met zijn zaligspreking. Verleidelijk is het om van een- actieve hoorderhouding te vervallen in een passieve toeschouwerhouding. Zoals ook die vrouw uit hoofdstuk 11:27, die eveneens komt met een zaligspreking op een moment dat Jezus wat anders horen wil. In Lucas 11 heeft Hij over onreine geesten gesproken, over de reiniging van je levenshuis, over het vervuld worden met Gods Geest. Op dat moment roept een vrouw uit de schare, impulsief, onder de indruk van Jezus’ onderwijs – zo duidelijk heeft zij het nog nooit gehoord! Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen! Met andere woorden: Hij zal je Kind maar wezen! Moeder te zijn van een zoon die zo spreken kan! Sympathiek en niet onwaar is dat, evenals de opmerking dat het zalig zijn zal deel te mogen nemen aan Gods feestmaal. Niet onwaar is het wat de vrouw uit Lucas 11 roept: Elisabeth zei het ook: gezegend zijt hij onder de vrouwen. Maar niet dát wil Jezus nu horen. Aan een toeschouwerhouding heeft Hij niets. Het gaat er niet om dat men zijn woorden mooi vinden, maar dat men ze hoort en bewaart. Zalig de schoot… Pal eroverheen komt Jezus met zijn zaligspreking: Zeker, zalig, die het woord Gods horen en het bewaren (11 : 28).
Gij hebt alleen gehoorzaamheid gevraagd
Als de Here zijn volk zaligspreekt in (de verkondiging van) zijn Woord, moet niemand hem willen narekenen, Hem verbeteren, komen met zijn zaligsprekinkjes. Dan moet men zich laten zaligspreken, het Woord Gods horen en bewaren, om het te doen. Opdat men in die weg inderdaad zalig is en blijft, d.w.z. deelt in het heil van Gods Rijk. Jezus wil geen vrome reacties. Want die leiden nergens toe. Heel duidelijk blijkt dat even na het tafelgesprek in hoofdstuk 15:2 v. Diezelfde Farizeeën en wetgeleerden zijn verontwaardigd dat Jezus datgene doet waartoe Hij hen zojuist heeft opgeroepen: En (zij) morden en spraken: Deze ontvangt zondaars en eet met hen! Concrete gehoorzaamheid is geboden, niet straks maar nu. Jezus’ tafelgenoot hoort van de opstanding der rechtvaardigen en is er meteen vol van: denkt aan de hemel, maar blijft intussen zitten. Hij slaat het heden over. Er bestaat een bezig zijn met de toekomst, een vol zijn van de opstanding der rechtvaardigen, dat het heden overslaat, dat vergeet dat die rechtvaardigheid van straks nu al blijken mag en moet. Heel concreet bijvoorbeeld in het nodigen van ook een ander dan je vriend aan tafel. Neem een "gast aan tafel", "redt een kind", help met "woord en daad". Over de toekomst wordt in het heden beslist. Door onszelf. Dat is geen nieuw wetticisme. Gij kent immers de genade van onze Here Jezus. Het heeft te maken met onze dankbaarheid. Nodig bedelaars, misvormden, lammen en blinden. Dat zegt Jezus tegen Farizeeën, Joden, mensen die uit genade tot het volk van God behoren, die op dat moment tafelgemeenschap met Gods Zoon mogen genieten. Juist daarom zegt Jezus dat. Niet opdat wij Gods tafelgenoten zouden worden, maar omdat wij het al mogen zijn. Maar dat worde dan ook zichtbaar! Niet als prestatie; maar als gevolg van Gods ontferming over bedelaars, misvormden, lammen en blinden. Gij kent immers de genade van onze Here Jezus, dat Hij om uwentwil arm is geworden, terwijl Hij rijk was, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden, 2 Kor. 8: 9. De kerkelijke kalender geeft advent aan, de komst van Gods Zoon in het vlees. Toeleven naar de terugkomst van de Zoon betekent leven in de liefde die van Hem geleerd is, onbaatzuchtige liefde, die niet ontvangen maar geven wil.
Zalig wie brood eten zal in het Koninkrijk Gods. Dat is een goed woord, op Zijn tijd. Als Hij zeggen zal: Komt gij gezegenden mijns Vaders... Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven.