Ouderling en kerkelijke tucht vandaag (1)

1985-12-06
  • Jaargang 29
  • nummer 47
1. Herder zijn

Opdracht die ouderlingen hebben
We kunnen de opdracht die we als ouderlingen in, Christus' gemeente hebben het best omschrijven met de woorden die de apostel Petrus ons geeft in 1 Petrus 5 : 2: "Hoedt de kudde Gods, die bij u is". Ben herder trok er vaak met de schapen van een ander op uit, zoals je vandaag nog wel kunt zien in Hongarije, waar een herder "s morgens de boerde rijen langs gaat, de .dieren meekrijgt en aan het einde van de dag op zijn terugweg het dorp door loopt, terwijl hier en daar· bij elke boerderij wat dieren de groep verlaten om bij hun bezitters de nacht door te brengen tot ze de andere morgen weer worden opgehaald.

De kudde Gods: de Clerus
De gemeente waarover we gesteld zijn is die van God: de kudde Gods. Even verder door Petrus genoemd: "hetgeen ons ten deel gevallen is", de clerus. De roomse kerk spreekt van clerus, de geestelijkheid tegenover of boven de leken, de gemeenteleden. Petrus leert ons dat niet ambtsdragers de clerus vormen maar de geméénte, de kudde van God het is. Die kudde is ons "ten deel gevallen". ‘t Is een voorrecht, een kwestie van verkiezing die kudde Gods te mogen hoeden.

Hoeden van en je hoeden voor
Hoeden van de kudde Gods is: die kudde - die dus van een Ander is voorgaan, leiden, verzorgen, beschermen, terechtbrengen. Kortom: ten bate van die kudde en in het belang van de Eigenaar werkzaam zijn. Je moet daarbij jezelf verloochenen kunnen, er niet op uit zijn er zelf beter van te worden. Dat komt naar voren in de tegenstellingen die Petrus noemt: Niet gedwongen, maar uit vrije beweging; niet uit winzucht maar uit· bereidwilligheid; niet als heerschappij voerend over de "clerus" maar als voorbeelden van de kudde: Je moet je ervoor hoeden het hoeden te beschouwen als een last, het herderswerk te doen met tegenzin. 't Is een voorrecht en mag een lust zijn. Je moet geen herder zijn om er zelf beter van te worden maar het erop toeleggen dat de kudde Gods er beter van wordt. Je moet niet "naar beneden" heersen maar een voorbeeld voor de gemeente zijn.

Kwade herders zoeken zichzelf
U kent de typering van de kwade herders die Ezechiël in het 34e hoofdstuk van zijn boek geeft.
Die herders plaatsen zichzelf in het middelpunt, ze weiden zichzelf in plaats van de kudde. Ze doen zich tegoed aan wat de kudde opbrengt maar laten na de schapen echt te verzorgen, ze heersen over de schapen met hardheid en geweldenarij. Zo moet het niet. Dan raken de schapen verstrooid, worden ze een prooi van de wilde dieren.

Herderszijn instrumenten
Elke ambtsdrager die geroepen is tot het herdersambt zij ervan doordrongen- dat de gemeente de kudde Gods is en dat hijzelf niet meer moet zijn dan een instrument waardoor de grote Goede Herder Zijn kudde leidt. De ene Herder over wie de profeet Ezechiël het heeft, die God zal aanstellenen die zijn zal als Gods knecht David is in de Here Jezus Christus gekomen. We staan als ambtsdragers in Zijn dienst.
Een herder moet als Mozes de gemeente Gods de Here tegemoet voeren. Of zoals Paulus erop uit zijn die gemeente eenmaal als reine bruid aan Christus voor te stellen.

Kerkelijke tucht middel tot behoud
Om de, gemeente zover te brengen dat ze een reine bruid is, behoort ook de uitoefening van de kerkelijke tucht. Onze Ned. Geloofsbelijdenis spreekt daarvan in art. 32: Ofschoon ambtsdragers bepaalde regels opstellen in het belang van de gemeen- te, moeten ze wèl oppassen af te wijken van Christus' opdrachten. Bepalingen die eigenwillige godsdienstigheid of gewetensdwang bevorderen dan wel in stand houden moeten verworpen worden. Alles wat dient om eenheid en eendracht te bevorderen en gehoorzaamheid aan God op het oog heeft moeten we toejuichen. In dat verband is tuchtoefening vereist, als die maar geschiedt overeenkomstig Gods Woord. In art. 25 van het Accoord van kerkelijk samenleven, zoals. onze K.O. thans heet; spraken we af: De kerkelijke tucht draagt een geestelijk karakter en is erop gericht de leden die. zondigen te behouden, hen met God, met de gemeente en hun naaste te verzoenen, en de gemeente te bewaren bij de heiligheid van het verbond Gods,

Hoe tucht oefenen?
Tucht komt, zo leerde prof. P. Deddens ons van "tiën" dat trekken betekent. Tucht mag niet kil en wreed, koud en zakelijk worden toegepast, noch formeel zoals in het verleden. helaas dikwijls geschiedde. Tucht dient, belijden we in art. 29 van de Ned. Geloofsbelijdenis, “om de zonden te straffen". De vraag is: Hoe doe je dat, hoe moet je tucht oefenen? Augustinus geeft het advies: "Men moet met barmhartigheid straffen' wat men straffen kan, geduldig dragen wat men niet kan straffen en daarover te zuchten en te klagen totdat God het verbetert of straft." De kerkelijke tucht is een remedie, een redmiddel om hen die dwalen te brengen in het rechte spoor.

Verantwoordelijk tegenover Christus
Bij tuchtoefening dienen we niet slechts te bedenken dat het de kudde Gods is, waarover de Goede Herder ons stelde, maar dat ook wij zondaars zijn. Die niet te gauw moeten menen te staan zonder te kunnen vallen. Voorts beseffe iedere ambtsdrager dat hij eenmaal verantwoording zal. moeten afleggen aan. Hem die te komen staat. Om niet alleen geoordeeld te worden over' wat een ieder in zijn lichaam verricht heeft hetzij goed dan wel kwaad, maar ook om over zijn ambtsdienst in het midden van de gemeente, die kudde Gods te worden onderzocht.

Christus' navolgers
We kunnen niet beter einze dienst vervullen, zeker als het gaat over de uitoefening van de kerkelijke' tucht, wanneer we in onze dienst de hand van Christus zichtbaar proberen te maken, Van Hem lezen we in Marc. 3 : 5 dat Hij de Farizeeërs rondom zich met toorn aanzag, tegelijk zéér bedroefd over de' verharding van hun hart. Mogelijk moeten ambtsdragers "streng optreden naar de bevoegdheid die de Here · ons verleend heeft", maar dan ' moeten we net als Paulus in 2 Cor. 13: zegt, het doen "om op te bouwen en niet om af te breken".

(wordt vervolgd)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief