Een doorn in het vlees

1985-12-13
  • Jaargang 29
  • nummer 48
"Een doorn in het vlees" en "een doorn in het oog" zijn bekende uitdrukkingen. De eerste duidt op een voortdurende kwelling, de tweede op een aanleiding tot ergernis. We zullen hierna onze aandacht richten op de eerste uitdrukking: Paulus had een doorn in het vlees (2 Cor. 12: 7).

Wie heeft niet eens of zelfs meerdere malen iets doms gedaan? 't Hoeft beslist niet· onherstelbaar te zijn geweest, maar toch komt het zo nu en dan in onze gedachten terug, Helemaal kwijtraken kunnen we het niet. Het leven van alledag verdringt die zaken echter weer naar de achtergrond, voor korte of lange duur.

Hoe geheel anders was het gesteld met een Vietnam-veteraan wiens verhaal was opgenomen in een tv-documentaire. Deze vertelde, dat hij een hele familie had doodgeschoten. omdat een aantal kameraden in een hinderlaag was gekomen. Hij was er toen vast van overtuigd, dat die familie op de hoogte daarvan was geweest en hen desondanks niet had gewaarschuwd.
Een impulsieve handeling met dodelijke gevolgen. Later - nadat was gebleken, dat zij er niets mee te maken had gehad - voor hem onverklaarbaar, doch niet meer te herstellen.
Het gebeurde liet hem niet meer los; dagelijks. was hij er mee bezig. De man kon zich niet voorstellen zo'n afschuwelijke daad te hebben begaan. Aan dit verhaal moesten we denken bij het lezen van Handelingen 26. Paulus heeft in het verleden ook verschrikkelijke dingen gedaan, die hij in zijn leven nimmer zou vergeten. Maar hij deed die met boos opzet en weloverwogen.

"Ik voor mij was tot de slotsom gekomen, dat ik tegen de naam van Jezus de Nazoreeër, fel moest optreden, wat ik dan ook gedaan heb te Jeruzalem ; en ik heb velen van de heiligen in gevangenissen opgesloten, waartoe ik de macht van de overpriesters ontvangen had; en als zij zouden omgebracht worden, heb ik mijn stem er aan gegeven. En in alle synagogen trachtte ik hen dikwijls door toepassing van straffen tot lastering te dwingen en in tomeloze woede tegen hen heb ik hen vervolgd, tot zelfs in de buitenlandse steden (vs. 9-11)".

Paulus spaart zich hier totaal niet: Dat zou geen zin hebben gehad, want alle Joden kennen zijn leven van jongs af (vs. 4) en bovendien kan hij niet geloven, dat koning Agrippa daarmee onbekend zou zijn; alles is immers niet in een uithoek geschied (vs. 26). En we lezen reeds in Hand. 8 : 1 - '"Saulus stemde in met de terechtstelling van Stephanus" en in vers 3 - "Saulus verwoestte de gemeente, en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mede, en hij leverde hen over in de gevangenis". Ook Ananias had van velen over. Saulus gehoord hoeveel kwaad hij de heiligen te Jeruzalem had aangedaan en in Damascus had hij volmacht om allen, die de naam des Heren aanriepen, gevangen te nemen (Hand. 9 : 13-14).
Wat een zwaar beladen verleden; maar Paulus was toen stellig van mening dat hij een Gode welgevallig werk deed. Hij zal zich met enthousiasme en vol ijver op weg naar Damascus hebben begeven. Dreiging en moord blazende tegen' de discipelen des Heren (Hand. 9 : 1).
Hij heeft' er geen flauw idee van dat hij de opdracht, die hij op deze dienstreis voor Satan op zak heeft, niet zal kunnen uitvoeren. Juist deze man is de Here een uitverkoren werktuig om Zijn naam te brengen voor heidenen en koningen en kinderen Israëls (Hand. 9 : 15). En - op weg naar Damascus - wordt Paulus van het ene op het andere ogenblik getild uit het rijk der duisternis en als dienstknecht in Gods koninkrijk geplaatst. In Hand. 26 lezen we zijn verslag daarvan en hoe hij zijn verantwoording voor koning Agrippa vervolgt:

“Daarom ben ik dat hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest, maar ik heb eerst hun, die te Damascus waren, en te Jeruzalem en in het gehele Joodse land en de heidenen verkondigd, dat zij met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw in overeenstemming".

Dat is me wat, hetgeen Paulus hier zegt: met berouw zich bekeren! Hijzelf heeft van die weg helemaal geen weet. De Here heeft hem plotseling ‘omgekeerd’. Zou er dan geen berouw zijn geweest? Natuurlijk wel. Aan zijn gehoorzaamheid aan het hemelse gezicht is dat onlosmakelijk verbonden. De Here heeft zijn herinnering aan het verleden niet weggebrand. Die last zal hij zijn hele leven moeten blijven dragen. Hij is een getrouw apostel geworden. Schrijft hij niet aan de gemeente te Corinthe (1 Cor. 9:2): “Zijt gij niet mijn werk in de Here? (…) want het zegel op mijn apostelschap zijt gij in de Here?”. In het zich totaal onafhankelijk van de Here God wetend, kan hij roemen in zijn zwakheid, opdat de kracht van Christus over hem komt. Daarom heeft hij een welbehagen in zwakheden, want als hij zwak is dan is hij machtig (2 Cor. 12:10).
Is het nu uitgesloten, dat Paulus zichzelf op de borst zal gaan slaan? Als iemand zulke bijzondere voorrechten heeft ontvangen komt toch wel het gevaar van zelfoverschatting om de hoek kijken. Hij zal zich vroeger – als werknemer van Satan – waarschijnlijk wel een hele piet hebben gevoeld. Paulus is daarin eerlijk en zegt: “Daarom is mij, opdat ik mij (ook nu) niet te zeer zou verheffen, een doorn in het vlees gegeven, een engel des satans, om mij met vuisten te slaan (2 Cor. 12:7).
Wat wil dat zeggen? Staat het werkelijk vast, dat hieronder een lichamelijk lijden moet worden verstaan? We lazen - als verklaring voor deze uitdrukking - van een zwak lichaam, krampen, aanvallen van epilepsie, moeraskoortsen en ooglijden. En daaraan worden heden ten dage nog wel meerdere verklaringen toegevoegd. In "Het Nieuwe Testament. in modern Engels" (J.B. Phillips uitg. Geoffrey Bles, London) wordt zelfs niet meer geschreven 'een doorn in het vlees' doch een lichamelijke handicap. Maar' rukte Paulus zich in de aangehaalde tekst werkelijk zó verhullend uit, dat we moeten gaan gissen wat hij daarmee bedoelt? Toen hij was ziek geworden (Gal. 4 : 13) legde hij geen verband. met de aanwezigheid van een engel des Satans. Andersom, toen de Satan hem één en andermaal had belet naar Thessalonica te reizen (1 Thess. 2: 18), zei hij niets van een ziekte. Zouden wij dan wel die verbinding maken, terwijl Paulus er met geen woord over rept? We menen, dat de aanwezigheid van een doorn in het vlees, in verband staat met de enorme tegenstelling tussen de eerste en tweede fase van Paulus’ leven. In de eerste een fanatieke medewerker in het rijk van Satan; in de tweede door de wil van God een apostel van Christus Jezus, maar wél met de last van de herinnering aan die eerste fase en de mogelijkheid, dat hij zich in zijn nieuwe positie te zeer zou verheffen. Waarin kan Satan de apostel Paulus nu beter treffen dan hem steeds weer aan de eerste fase te herinneren? Hij stuurt hem daarom een engel d.w.z. een boodschapper. Een geest, die Paulus, namens Satan, het één en ander moest overbrengen. Dat was niet veel fraais; het was of hij met vuisten werd geslagen. Een kwelgeest. Paulus wordt door hem als het ware met extra kracht steeds weer met de neus op de feiten uit het verleden gedrukt. Satan liet hem niet met rust; steeds keerde de boodschapper terug. Driemaal heeft Paulus de Here gebeden, dat die engel van hem zou aflaten. De herinnering alleen was hem al erg genoeg. Maar de Here zei: “Mijn genade is u genoeg, want de kracht openbaart zich eerst ten volle in zwakheid.” (2 Cor. 12:9).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief